Het geheugen van de vakbeweging

De eerste jaren van de 20ste eeuw

1903 – Algemene spoorwegstakingen

Eerst in de haven van Amsterdam en even later bij de spoorwegen breekt in januari een spontane opstand uit tegen het ontslag van een aantal arbeiders die gehoor gaven aan de oproep van hun bond de Federatie. De ledenvergadering had besloten dat al het personeel in de haven georganiseerd moest zijn. Spoorwegpersoneel legt massaal het werk neer. De spoorwegdirecties zijn zo overrompeld, dat zij na enig aarzelen alle eisen van de stakers inwilligen. De burgerij is geschokt, de socialisten dolblij (Troelstra schreef: ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil’) en de regering vreest dat dit geen arbeidsconflict is, maar de voorbode van een beweging die het hele politieke bestel wil opblazen.

Premier Abraham Kuyper (Anti Revolutionaire Partij, voorloper van het CDA) komt met drie wetten die het ambtenaren en spoorwegpersoneel verbiedt te staken. Deze wetten worden de worgwetten van Kuyper genoemd, waarbij het ambtenaren werd verboden te staken. Een tweede stakingspoging in april wordt door regering en werkgevers met veel machtsvertoon in de kiem gesmoord.

De grote landelijke stakingen van januari (gewonnen) en van april (verloren) gaven aan dat beide stromingen (ANDB en NAS) onverenigbaar waren. Er manifesteerde zich een enorme tweespalt in de arbeidersbeweging. Troelstra versus Domela Nieuwenhuis (NAS).

Lees verder…

1906 – Oprichting Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV)

Vanaf eind negentiende eeuw worden in allerlei bedrijfstakken kleine en grotere vakbonden opgericht, die echter allemaal hun eigen drijfveren en aanpak hebben. Mede door de gebeurtenissen rondom de spoorwegstaking dringt het besef door dat een meer centrale leiding voorwaarde is voor meer macht. Dit leidt tot oprichting van de vakcentrale NVV (later met NKV in 1976 gefuseerd tot de huidige FNV). Eerste voorzitter is Henri Polak, de voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond. Polak gaf het NVV helder geformuleerde ‘uitgangspunten’ mee, die met elkaar de kenmerken vormen van de ‘moderne vakbeweging’.

Lees verder…

1909 – Oprichting van het Christelijk Nationaal Vakverbond

NVV-voorzitter Polak heeft als ideaalbeeld een sterke, ongedeelde vakcentrale die niet gelieerd is aan een geloofsrichting, maar ook niet aan een politieke stroming als het socialisme. Dat ideaal houdt geen stand. In het verzuilde Nederland krijgen de protestants-christelijke en rooms-katholieke arbeiders hun eigen vakorganisatie. In 1909 sluit een aantal christelijke bonden zich aan bij een gezamenlijke centrale: het CNV. Na protest van de bisschoppen richten de katholieken het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie. Dat was de eerste katholieke vakcentrale.

Lees verder…

1909 – Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland

Tot het einde van de 19e eeuw bleef de katholieke arbeidersbeweging feitelijk beperkt tot het Aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem. De Utrechtse bond van werkliedenverenigingen was aanvankelijk een federatief verband voor werklieden werkliedenverenigingen, uit werklieden gevormd, door werklieden beheert en geleid. Aan die organisatie van, voor en door werklieden zijn de namen van de sociale priesters Ariëns en Schaepman verbonden. Ariëns was de oprichter en geestelijk adviseur van de werkliedenvereniging in Enschede en Schaepman werd de geestelijk adviseur van de Utrechtse diocesane bond. Beiden waren benoemd door de aartsbisschop.
Aan vak(bonds)actie werd aanvankelijk weinig gedaan en aan politieke actie nog minder. De werkliedenverenigingen wilden standsbewustzijn en standsverheffing verwezenlijken. Deze standsorganisaties voor katholieke werklieden en hun acties waren gericht tegen drankmisbruik, liberalisme en socialisme. Zij wilden hun leden geestelijk weerbaar maken en opvoeden tot actieve leken in de R.K. kerk. In het bisdom Haarlem was eerder de R.K. Volksbond opgericht en actief.
Door een congres op 1 en 2 augustus 1908 werd besloten het Bureau voor de R. K. Vakorganisatie op te richten, dat in juli van 1909 tot stand kwam. Een bisschoppelijk communiqué gaf de zegen aan deze ontwikkeling.
De benaming Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) wordt pas na de Tweede Wereldoorlog gegeven aan de centrale organisatie met aangesloten vakbonden en diocesane bonden. De statuten van de katholieke organisaties van arbeiders werden ook kerkelijk goedgekeurd.
De KAB was nooit een vakcentrale zoals het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV)en het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV). Ook de voorganger van de KAB, het Rooms Katholiek Werkliedenverbond (RKWV) was dat niet. Bij het RKWV en de KAB waren naast (landelijke) vakbonden ook de algemene diocesane werkliedenverenigingen en arbeidersbonden aangesloten. De werkgebieden van laatstgenoemde organisaties kwamen overeen met die van de Nederlandse bisdommen. De andere vakcentrales kenden een dergelijke organisatiestructuur met algemene werkliedenverenigingen niet.

Lees verder…

1914 – Noodwet minister Treub

In 1914 werden de werkloosheidskassen van de vakbonden ondersteund door de noodregeling van minister Treub. Gemeenten werden verzocht een toeslag van 100 procent te geven op de uitkering aan de leden van de werkloosheidskas. De koppeling van vakbeweging en werkloosheidsverzekering was van groot belang voor het lidmaatschap van de vakbonden.

Lees verder

1914-1918 – Eerste Wereldoorlog – Consequenties, afloop, sociale hervormingen

Op 11 november 1918 eindigt de Eerste Wereldoorlog (WO I). Nederland heeft niet deelgenomen aan de slopende krijgshandelingen, maar wordt desondanks sterk beïnvloed door de gebeurtenissen op het slagveld. De neutrale positie van het Koninkrijk biedt geen enkele garantie tegen toenemende spanningen in de samenleving onder andere als gevolg van de langdurige mobilisatie en voortdurend dreigende voedseltekorten. Toch heeft WO I positieve gevolgen voor de vakbeweging, die groeit in ledental en positie. Zo wordt er een landelijke werkloosheidsregeling ingevoerd ter ondersteuning van de werkloosheidskassen van de vakbeweging, met daarin een belangrijke rol voor de bonden. Ook de eis voor Algemeen Kiesrecht wordt ingewilligd.
Aan het eind van de oorlog, aangemoedigd door de Russische revolutie van oktober 1917, en de val van niet alleen de Russische maar ook de Duitse en Oostenrijkse keizer, lijkt de kracht van de linkse beweging ook elders toe te nemen. In Nederland meent SDAP-leider Troelstra dat ‘de revolutie niet bij Zevenaar halt zou houden’. Zijn oproep krijgt weinig tot geen gevolg, maar de nieuwe katholieke Nederlandse regering voert wel een stevige sociale hervormingsagenda door. Met de invoering van de Achturendag en de oprichting van de Hoge Raad van Arbeid. Op de website Het geheugen van de vakbeweging zijn verschillende artikelen daaraan gewijd.

Lees verder…