Het geheugen van de vakbeweging

Rerum Novarum 125 jaar

Pauselijke encycliek schudt katholieke arbeiders wakker

Rerum Novarum verscheen 125 jaar geleden. Die heeft onmiskenbaar invloed gehad op de ontwikkeling van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland, constateert Jeroen Sprenger. Er zijn al weliswaar katholieke organisaties vóór 1891, maar tal van arbeiders worden door deze pauselijke encycliek wakker geschud om eigen katholieke organisaties op te zetten. Met de vorming van de FNV verdwijnen deze en is de emancipatie van katholieke werknemers voltooid.

Paus Leo XIII
Paus Leo XIII, schrijver van Rerum Novarum

‘De eenmaal opgewekte omwentelingszucht, die zolang reeds het politieke leven beroert, moest te eniger tijd wel van het staatkundige naar het aangrenzende sociaaleconomische terrein overslaan. Inderdaad de ongekende groei der industrie, de verandering der bedrijfstechniek, de wijziging in de onderlinge verhoudingen tussen patroon en arbeiders, de opeenhoping van rijkdom bij weinigen en het gebrek bij de grote massa, voorts enerzijds het groter zelfbewustzijn der arbeiders, en anderzijds hun nauwere onderlinge aaneensluiting, bovendien het groeiend zedenbederf, – al deze factoren hebben de strijd doen ontbranden. (…) De onderlinge verhouding van bezittenden en proletariërs, van hen, die kapitaal verschaffen, en hen die arbeid presteren, moet beheerst worden. Deze strijdvraag is vol gevaren, daar zij door woelzieke en arglistige personen niet zelden misbruikt wordt, om het juiste inzicht te vertroebelen en de massa tot oproer aan te zetten. Hoe het ook zij, duidelijk zien wij dat spoedig en afdoende moet gezorgd worden voor het proletariaat daar een zeer groot deel onverdiend in een ellendige en jammerlijke toestand verkeert.’

De eerste woorden van de pauselijke encycliek Rerum Novarum zijn niet een kort en krachtig antwoord op het Communistisch Manifest. ‘Een spook waart door Europa – het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar … Het communisme wordt reeds door alle Europese machten als een macht erkend.’ De encycliek is allereerst een late reactie, want komt in 1891, 43 jaar (!) na het manifest van Marx en Engels. Maar afgaande op de eerste geschiedschrijver van de ontwikkeling van de katholieke arbeidersbeweging, Cees Kuiper, komt de encycliek niets te laat. Kuiper (1875) zelf brengt zijn ‘vlegeljaren’ door in de socialistische vakbeweging en ervaart daar ‘de afschuwelijke haat, die daar vooral tegen de Katholieke Kerk’ bestaat. ‘Aanvankelijk schuchter, doch langzamerhand vrijmoediger en vooral na de verschijning der encycliek Rerum Novarum op 15 mei 1891 met meer kracht en met steun van tal van jonge geestelijken, die terecht inzagen, dat hier sterke stellingen aan het voortwoekerend ongeloof opgeworpen moeten worden en tegelijk de sociale gerechtigheid kan worden gediend.’

Heft in eigen handen

De ontwikkeling van de Nederlandse vakbeweging komt in vergelijking met het omringende buitenland laat op gang. De belangrijkste reden daarvoor is de late opkomst van de industrialisatie. Groot-Brittannië, de bakermat van de Industriële Revolutie, ziet al aan het einde van de 18de eeuw de eerste vakverenigingen ontstaan. Frankrijk en Duitsland volgen kort erna. Binnen de sociaaleconomische opvattingen van koning Willem I wordt vanaf 1813 in het Noordelijk deel van het land het accent op landbouw en handel gelegd. In het Zuidelijk deel, vanwege de aanwezigheid van steenkool en ijzererts, op de industrie. Vandaar dat de vakbeweging in België, dat zich in 1830 afscheidt, eerder opkomt dan in Nederland. De vroege Nederlandse arbeidersbeweging speelt dan ook leentjebuur bij de Belgen en via hen bij andere buitenlandse voorbeelden.

Binnen de ontluikende arbeidersbeweging ontwikkelen zich – geïnspireerd door Marx en Engels – twee krachtige basisregels. ‘De bevrijding van de arbeiders moet het werk van hen zelf zijn’. En ‘proletariërs aller landen verenigt u’. Niet afwachten tot anderen zich ontfermen over het lot van arbeiders, maar het heft in eigen hand nemen. En daarbij alleen steun zoeken bij lotgenoten elders. In andere sectoren, in andere plaatsen, in andere landen.

Arbeidersverenigingen ontstaan in Nederland vanaf ongeveer het midden van de 19de eeuw. Het zijn algemene plaatselijke verenigingen, nog niet gescheiden naar beroep of naar geloofsovertuiging. Geleidelijk komt er vanaf 1860 meer tekening in. De typografen organiseren zich het eerst, timmerlieden volgen en daarna werklieden in tal van andere sectoren. Binnen steden zoeken de plaatselijke organisaties elkaar op en vormen algemene werkliedenverenigingen. Min of meer gelijktijdig zoeken organisaties van beoefenaren van bepaalde beroepen elkaar landelijk op.

Verschillende stromingen

Als in 1869 enkele leiders van deze organisaties, die geïnspireerd zijn door het vanuit de Eerste Internationale gepropageerde socialisme, een Nederlandse afdeling oprichten, is dat het begin van het uiteengroeien in verschillende stromingen. In 1871 ontstaat het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond (ANWV), een federatie van lokale vakverenigingen, waarvan alleen arbeiders in loondienst lid kunnen worden. Het ANWV streeft naar een geestelijke en politieke neutraliteit en wil hervormingen langs geleidelijke weg tot stand brengen. In overleg met overheid en werkgevers wil het verbond ‘de werkmansstand’ verheffen in zedelijke waarden, stoffelijke welvaart, staatsburgerlijke rechten en gelijkheid en maatschappelijke vrijheid.’ Dat moet onder andere worden bereikt door uitbreiding van het kiesrecht. Vijf jaar na de oprichting heeft het ANWV 5500 leden verdeeld over 56 vakverenigingen. De nagestreefde ‘geestelijke en politieke neutraliteit’ wordt niet door iedereen als zodanig gewaardeerd. Als eersten splitsen zich de protestants-christelijke leden zich af. Zij kunnen zich niet vinden in het vergaderen op zondag, de strijd voor staatsonderwijs en tegen de kinderarbeid. Onder leiding van Klaas Kater vormen zij in 1876 Patrimonium. Enkele jaren later verlaten ‘socialisten’ het ANWV vanwege de te gematigde koers. Zo vormen in 1881 onder leiding van Ferdinand Domela Nieuwenhuis de Sociaal-Democratische Bond.

Katholieke arbeidersbeweging

Belangrijk voor de ontwikkeling van de katholieke arbeidersbeweging voorafgaand aan Rerum Novarum is de oprichting van de RK Volksbond in Amsterdam (bisdom Haarlem). In 1887 worden ter gelegenheid van het 10-jarig pontificaat van paus Leo XIII binnen de katholieke gemeenschap een aantal grootse feesten georganiseerd. Voor de arbeiders is deelname hieraan echter niet weggelegd. Die uitsluiting valt, onder andere bij Willem Passtoors, in slechte aarde. Hij neemt daarom het initiatief voor de RK Volksbond, waarin aan de emancipatie van de arbeiders gewerkt kan worden. Een zuivere arbeidersorganisatie is de Volksbond echter niet. De meeste leden zijn afkomstig uit kleine ambachtsbedrijven en niet uit de grootindustrie. De leiding ligt ook niet in handen van de werklieden. Dit wordt zelfs – in weerwil van de basisregel dat de bevrijding van de arbeiders het werk van henzelf moet zijn – ongewenst geacht. ‘Zo ook, geliefde leden van de Volksbond, zoudt gij dwalen door te denken, dat de vierde stand onder leiding van werklieden een betere toekomst zou tegemoet gaan. Zij, die dit denken, zullen zich deerlijk vergissen’, aldus de bisschop van Haarlem, Mgr. C.J. Bottemanne, in september 1900.

Voorzichtige bisschop

Het is niet helemaal helder in hoeverre de opvatting van de Haarlemse bisschop spoort met die van paus Leo XIII in Rerum Novarum. Of dat er sprake is van een voorzichtige bisschop die greep wil blijven houden op de katholieke emancipatiebeweging en daarbinnen geen behoefte heeft aan de ontwikkeling van een zelfstandige arbeidersbeweging. Rerum Novarum spreekt van ‘arbeidersorganisaties op godsdienstige grondslag’ en van ‘vrijheid van inrichting en bestuur’. Maar tevens van ‘bevordering hiervan door talrijke priesters en leken’. Maar dat kan verschillend worden geïnterpreteerd, Binnen de Nederlandse kerkprovincie ontstaat daarover een langslepend conflict tussen de lijn die door Bottemanne wordt voorgestaan en de lijn die door Alphons Ariëns wordt ingezet. Ariëns is – in de woorden van Kuiper – één van ‘de jonge geestelijken’ die de door Rerum Novarum aangegeven uitdaging oppakt. Omstreeks het verschijnen van de encycliek zet hij katholieke textielarbeiders van Enschede en omstreken ertoe aan zich te organiseren in de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond. Er is dan al een algemeen georiënteerde R.K. Arbeidersvereeniging die zich richt op de sociaal-culturele ontwikkeling van de arbeiders en op kader- en kernvorming, maar niet voorziet in de behoefte aan een specifieke vakorganisatie die katholieke arbeiders organiseert op grond van hun vakbelangen, op de verbetering van hun arbeidsvoorwaarden. Daarbij huldigt hij het beginsel ‘alles voor de arbeiders, alles door de arbeiders’, dat overeenkomt met de elders in de arbeidersbeweging gevolgde kernregel. In tegenstelling tot de vakorganisaties die vanuit de Volksbond-gedachte ontstaan, ontpopt Ariëns zich niet als voorzitter of leider van de beginnende organisatie, maar slechts als ‘geestelijk adviseur’.

Bron van conflicten

De organisatie van de katholieke vakbeweging in Nederland is decennialang doortrokken geweest van deze tweedeling. De Volksbondgedachte van Passtoors krijgt navolging in alle – vijf – bisdommen of diocesen. Zij vormen in 1906 de Federatie van Diocesane Volksbonden en Werkliedenverenigingen. De landelijke katholieke vakverenigingen organiseren in 1909 het RK Vakbureau. Zo zijn er twee verschillende organisaties, ieder met een eigen structuur – diocesaan versus landelijk – en eigen doelstellingen – ‘zedelijke’ versus ‘materiële’ belangenbehartiging – maar wel met een ‘wederzijds verplicht lidmaatschap’. Het is een bron van tal van conflicten.

De vakbondslijn wint aan kracht als de eerste minister van Arbeid, Pieter Aalberse, in 1919 de Hoge Raad van de Arbeid opricht. Hij nodigt voor dit overlegorgaan alle vakcentrales voor uit. Binnen katholieke kring wordt toelating van het RK Vakbureau betwist, er zijn mensen die – met de steun van de bisschoppen in de rug – vinden dat de Federatie hier de katholieke arbeiders zou moeten vertegenwoordigen. Aalberse – hoe gehoorzaam in het algemeen aan bisschoppen ook – piekert er niet over. Dan kan ik ook de SDAP uitnodigen en andere volkspartijen, denkt hij. Later neemt hij ook katholieke vakbondsleiders mee naar de Internationale Arbeids Conferenties in Génève.

Deze ontwikkelingen stoppen de conflicten echter niet. Ze duren voort tot 1925, ondanks tal van pogingen die met behulp van de bisschoppen te beteugelen. Dan komt onder leiding van A.C. de Bruijn het RK Werklieden Verbond (RKWV) tot stand. Ogenschijnlijk is daarmee één organisatie van de katholieke arbeidersbeweging ontstaan. Maar wie onder de motorkap kijkt, ziet nog steeds twee verschillende organisaties. Via de diocesane bonden wordt invulling gegeven aan de emancipatie van katholieke werknemers, bijvoorbeeld door de gewestelijke sociale scholen. De loonstrijd, de verbetering van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, vormen het werkterrein van de bonden. Maar conflicten blijven. Waartoe behoort bijvoorbeeld Herwonnen Levenskracht, de katholieke tegenhanger van het Koperen Stelenfonds, die zich richt op de tuberculosebestrijding? Opgericht op initiatief van de kleine RK Diamantbewerkersbond, geadopteerd door het RK Vakbureau, maar begeerd door de diocesane bonden.

Emancipatie voltooid

Eigenlijk heeft de katholieke vakbeweging tot de fusie met het NVV tot FNV in 1982 geworsteld met haar structuur. NKV-voorzitter Jan Mertens heeft het ‘de zoektocht naar de kwadratuur van de cirkel’ genoemd. Direct na de bevrijding presenteert de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB) zich als opvolger van de RKWV. Leden zijn rechtstreeks aangesloten bij de KAB en worden aan bonden en diocesane organisaties toegedeeld. Het is een organisatorische fictie. Pas in 1963, als de KAB zich omvormt tot het Nederlands Katholiek Vakverbond, krijgt de katholieke vakbeweging een structuur die vergelijkbaar is met die van NVV en CNV. Met één grote uitzondering: de Unie van Beambten, Leidinggevenden en Hoger Personeel (Unie BLHP). Deze bond is het resultaat van de strijd binnen de KAB/NKV over de omvorming van een beroeps- naar een bedrijfstakgewijze organisatie. Katholieke leidinggevenden en kaderpersoneel binnen bedrijfstakken willen zich niet in één organisatie verbinden met het lagere personeel. Als de vorming van de FNV zich in 1974 aankondigt, verlaat de Unie het NKV en verbindt zich met de Raad voor Middelbaar en Hoger Personeel.

Met de fusie van NKV en NVV komt een eind aan de jarenlange invloed van de bisschoppen op de emancipatie van de katholieke werknemers. Met de vorming van de FNV is die emancipatie voltooid.

 

Jeroen Sprenger

Juni 2016

Eerder gepubliceerd in Zeggenschap, Tijdschrift over arbeidsverhoudingen, juni 2016, pg 44-48

Ga voor artikel in pdf-formaat naar Reum Novarum_Zeggenschap

Geraadpleegde literatuur

J.P. Gribling, P.J.M. Aalberse 1871-1948, Utrecht 1961

C.J. Kuiper, Uit het Rijk van den Arbeid deel 1, Bureau van de RK Vakorganisatie, 1909-1924, Utrecht 1924

Rerum Novarum/Quadragesimo Anno, Utrecht, z.j.

W. van de Pas, Inzicht en verdieping, Geschiedenis van het ontwikkelingswerk van de Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland, Utrecht 1955