Het geheugen van de vakbeweging

Henk Grooters – Goede onderlinge samenwerking tussen bonden

Inleiding

Tot ver in de vorige eeuw is het gezicht van Twente bepaald door de textielindustrie. Daar kwam vorig eeuw binnen enkele decennia een ruw einde aan. Slechts een enkele onderneming wist de dans te ontspringen door zich succesvol op andere producten en markten te richten. Daarnaast gold de metaalsector in Twente als grote werkgever. Maar ook in die sector vielen stevige klappen. Een aantal bedrijven wist zich succesvol staande te houden door zich tot high tech-industrie te ontwikkelen.

Velen hebben dat Twentse arbeidsverleden zelf meegemaakt. Persoonlijk of via hun ouders, familieleden, vrienden of buren. In deze bijdrage een beschouwing van het ontstaan van de vroege vakbeweging in Twente en de ontwikkeling van de bonden. Met bijzondere aandacht voor de laatste veertig jaar. Dat is de periode waarin de in Het gezicht van de vakbeweging in Twente geportretteerden zelf actief waren voor of in dienst van de vakbeweging.

Het weven van wol en ander materiaal kent een lange geschiedenis in de regio. De boeren op het platteland, vaak in het Twentse los hoes – een boerderij waarin bewoners en vee in dezelfde ruimte leven – beschouwen het weven als een belangrijke bijverdienste voor hun schamele inkomen. Vooral in de winter als er weinig te doen valt op het land kruipen ze achter de weeftoestellen. Zij zijn de huiswevers. Ze verkopen hun doeken aan de linnenreders (fabrikeurs). Als de vraag in de eerste helft van de negentiende eeuw toe neemt blijkt al snel dat de huiswevers daar niet aan kunnen voldoen. Ze produceren gewoon te weinig. Dat leidt tot de komst van speciale ruimtes met meer plek voor grotere en betere weefgetouwen.

In de landen om ons heen wordt dan al driftig gespeurd naar nieuwe methoden en technieken. Vaak met succes. Ondernemers in Twente, soms zelf afkomstig uit naburige Duitse regio’s zijn attent en tonen lef. De oorspronkelijke bescheiden werkplaatsen krijgen een industrieel karakter. Zo ontstaan heuse fabrieken in Almelo, Hengelo, Oldenzaal en Enschede. Later komen daar nog bedrijven bij in o.a. Goor, Nijverdal en Borne. Het industriële tijdperk is begonnen en daarmee ook de bestaansgrond voor de vakbeweging.

De landarbeider die altijd al financieel met de rug tegen de muur staat grijpt zijn kans en maakt gebruik van de nieuwe werkgelegenheid. Hij levert zijn vrijheid in voor regelmatig vast werk en zal pas daarna ervaren dat de weg terug is afgesloten. In Oldenzaal wordt de textielfabriek van Stork zelfs bemand door werklozen en landlopers via de Armenwet.

De textielnijverheid ontwikkelt zich voorspoedig. Dan ook ontstaat de ‘werkende klasse’. Fabrikanten gaan energiek te werk en krijgen later het etiket ‘textielbaronnen’ opgespeld. Ze zijn succesrijk en verzamelen flinke vermogens en verwerven veel bezit, waaronder grond. De arbeidsomstandigheden in de fabrieken zijn belabberd en worden nog veel beroerder. Lange uren, ongezonde werkplaatsen, lage lonen, de Twentse arbeider draagt ongewild maar onontkoombaar de lasten van de industriële ontwikkeling. Dat is niet alleen in Twente zo, dezelfde situatie doet zich voor in Zuid Limburg, Tilburg en bijvoorbeeld de stedelijke havengebieden van Amsterdam en Rotterdam. Het duurt lang voordat de Haagse politiek en dus de regering in beweging komt. Het meest in het oog springen tegen het eind van die negentiende eeuw de maatregelen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren en kinderarbeid te beperken (zie grafiek). Fabrikanten zijn bang dat het product te duur wordt als ze meer loon moeten betalen en de arbeidsomstandigheden moeten verbeteren. Kinderen kosten nagenoeg niks en zijn dus welkom zeker als ze gedwongen kunnen worden om lange werkdagen te maken. Kinderarbeid vanaf 8 jaar is heel gewoon.

Lees het volledige verhaal in pdf…
VHV_Gezicht_van_de_vakbeweging_in_Twente_-_Henk_Grooters-_Goede_onderlinge_samenwerking_tussen_Twentse_bonden