Het geheugen van de vakbeweging

Greep krijgen op eigen vakbondsgeschiedenis

Boekomslag Het gezicht van de vakbeweging in Twente
Boekomslag Het gezicht van de vakbeweging in Twente

Het is al weer vijf jaar geleden dat Dick Boer in gesprek kwam met de penningmeester van de VHV, mijn vroegere baas, Jan van Hoof en de eindredacteur van deze reeks, Huug Klooster. Ze spraken over de mogelijkheid om net als in Rotterdam, Limburg en Tilburg ook voor Twente een boek met vakbondsportretten te maken. Pas twee jaar later werd het plan uitgevoerd en dat duurde daarna nog eens drie jaar. Je hebt er geen notie van wat er allemaal komt kijken om zo’n plan, beter gezegd project, uit te voeren. Eerst zoek je naar namen van bekende vakbondsbestuurders en -kaderleden, ga je na waar je ze kunt vinden en probeer je uit te vinden of ze voldoende stof voor een goed verhaal kunnen leveren.

De werkgroep

Je begint er alleen aan maar er komt hulp. Je praat erover met bekende (vakbonds)vrienden en je informeert naar belangstellenden en zo ontstaat er geleidelijk een werkgroepje. Gerard Kogelman gaat de financiën regelen en Henk Hamer wil wel meedoen met de interviews. Direct blijkt zijn inbreng van grote waarde mede vanwege zijn grote kennis van de Twentse nijverheid. Daarmee is een start mogelijk en er komt hulp van het CNV. Henk Grooters en Gerrit Klaas komen de werkgroep versterken en nemen een flinke portie interviews voor hun rekening. Eerst vergadert de werkgroep in Oldenzaal, in het kantoor van huurdersvereniging ‘Blij Wonen’. Daarna in Rijssen in ‘De Citadel’, waar kantoren van CNV-bonden gevestigd zijn. De werkgroep is veel dank verschuldigd aan deze organisaties die haar onderdak geboden hebben.

We zijn actief bezig en het aantal kandidaten voor interviews groeit. Henk Hamer heeft een groot netwerk met vakbondsvrienden. Dan komt de teleurstelling en het verdriet. Begin 2014 overlijdt hij plotseling en we gaan zijn inbreng geweldig missen. Zie maar eens een vervanger voor Henk te krijgen.

Gerrit Stemerding, met onderwijsachtergrond en veel interesse voor geschiedenis komt in 2014 de werkgroep versterken en de activiteiten worden weer opgepikt. Ons idee, dat er veel belangstelling bij de kandidaat-geïnterviewden zal zijn klopt meestal. Toch zijn er ook vakbondsvrienden die het af laten weten. Die niet ingaan op een uitnodiging voor een interview of na een ontmoeting niet meer reageren op de toegestuurde tekst of aanvullende vragen.

De sponsoren

En dan heb ik het nog niet eens over alle moeite die je moet doen om sponsoren voor het boekje te vinden. Maar ook dat is gelukt. Het zijn niet de beheerders van de stichtingen die de voormalige textielbedrijven hebben nagelaten of die zijn ontstaan uit de verkoop van vakbondsgebouwen en evenmin de gemeentes in de regio waarin alles zich heeft afgespeeld. Gelukkig zijn er wel FNV- en CNV-bonden, bedrijven, de provinciale SER en het ROC. Zij zijn het die de daadwerkelijke productie van deze uitgave mogelijk hebben gemaakt. Veel dank daarvoor.

De portretten

Wat laten de vakbondsportretten in dit boekje zien? Het gaat om belangenbehartigers van werknemers, daar is de vakbond immers voor. Iedereen doet het op zijn eigen manier maar het doel blijft hetzelfde. Opvallend is, dat bijna iedereen twijfels uitspreekt over de toekomst van de vakbeweging. Vakbondsbestuurders en -kaderleden hebben de regio een gezicht gegeven. Ze zijn sterk maatschappelijke betrokken. Vaak blijven ze na VUT of pensionering actief in allerlei bestuurlijke functies. Het vakbondswerk vraagt veel tijd en inspanning van hen maar het levert ook veel op. Via opleidingen en cursussen hebben zij zich kunnen ontwikkelen. Men was actief in allerlei overleg- en medezeggenschapsorganen en de passie waarmee dit werk werd gedaan is geweldig.

Uit de interviews blijkt ook, dat vakbondswerk lang niet altijd zonder problemen verricht kan worden. Je kunt bij je chef op het matje geroepen worden (Henk Grooters) of overgeplaatst naar een andere vestiging van de organisatie waar je werkt (Henny Scholten en ondergetekende). De idee van de werkgever: zo zullen ze er wel genoeg van krijgen lijkt (gelukkig) niet altijd te werken. De motivatie voor het vakbondswerk kan er juist door toenemen.

We hebben geprobeerd om de vakbondsportretten zo goed mogelijk te spreiden over vakbonden en vakcentrales, mannen en vrouwen (helaas in de minderheid). Sinds de interviews is helaas een aantal mensen overleden. Kortom alle ups en downs hebben we meegemaakt.

Er is ook meegewerkt door anderen dan de geïnterviewden aan de totstandkoming van dit boekje. Het Stadsarchief van de gemeente Enschede en het Museum Hengelo gaven ons achtergrondinformatie over de Twentse nijverheid. Prof. dr. Jan Kees Looise (UT) gaf ons advies over het hoofdstuk geschiedenis van dit boekje. Voor al die hulp zijn we ze dankbaar.

Fabrikanten zo vaak geprezen

In de werkgroep hebben we moeite gehad om de periode waarin de vakbondsportretten zich afspelen, goed af te bakenen. Het was steeds verleidelijk dieper de geschiedenis in te duiken en over de grenzen van de afgebakende periode heen te gaan. Dit had ook te maken met wat om ons heen gebeurde. Er verschenen artikelen in diverse media waarin de loftrompet over bijvoorbeeld de textielfabrikanten gestoken werd. Zij hadden veel goeds gebracht, zo was de teneur daarvan, bijvoorbeeld in Enschede met de komst van een Rijksmuseum, het Hoger Textielonderwijs, ruime parken en ga zo maar door. Voor hun arbeiders hadden ze gezorgd met mooie woonwijken en bij elk huis een lapje grond zodat de textielarbeider in zijn schaarse vrije tijd zijn eigen akkertje kon bewerken.

Wij zijn niet degenen die alleen het tegendeel beweren. De invloed van (textiel)fabrikanten, hun schenkingen en zorg voor onderwijs zijn natuurlijk positief voor de Twentse steden geweest. Maar het gaat te ver om een beeld te schetsen van zorgzame en betrokken fabrikanten die het welzijn voor hun medewerkers voor ogen hadden. Niet voor niets heeft Alphons Ariëns zich het lot van de textielarbeiders aangetrokken en heeft hij destijds in Enschede de basis gelegd voor de katholieke arbeidersvereniging, het latere NKV[1].

Sociale kwestie

Opvallend is, dat de nazaten van de fabrikanten Van Heek en Stork in het geschiedenisprogramma van de NTR ‘Twente op stoom’[2], zich haasten om het gedrag van hun (bet)overgrootouders bij te vallen. Ze hebben immers, zo is de gedachte, het afgelegen Twente ontsloten en de streek werk gebracht en welvaart. Kortom, Twente opgestoten in de vaart der volkeren. Natuurlijk, met inachtneming van de tijdsomstandigheden. Diezelfde tv-programmamakers besteedden verder aandacht besteed aan de vaak mensonterende arbeidsomstandigheden vooral in de textiel: veel lawaai en stof maar ook zeer lange arbeidstijden. Rooie Gerrit Bennink uit Hengelo, die als een van de eersten de misstanden aan de kaak stelt, wordt – en passant – vanwege zijn weelderige haardos door een fabrikantennazaat weggezet als een ‘dameskapper’.

In ’t Inschrien, het kwartaalblad van de Vereniging Oudheidkamer Twente (nr. 4 in 2013) staat een heel aardig artikel van Robert Kemper Alferink over dr. A.L. van Schelven: ‘Geschiedenis is een debat zonder einde’. Van Schelven was door de fabrikant John Ledeboer naar Twente gehaald om daar directeur van de Stichting Aanzien Textielvak te worden. Bij veel mensen was er een textielaversie als gevolg van de vooroorlogse arbeidsverhoudingen en de langdurige stakingen in de jaren dertig. De textielindustrie was ingrijpend aan het veranderen en er kwam steeds meer aandacht voor zaken als voorlichting in het bedrijf, opleiding van arbeiders en bazen en voor zaken als human relations.

Van Schelven zelf zegt over de sociale kwestie: ‘Winst was het belangrijkste, de arbeider had je nodig. Die moet echter wel goed behandeld worden, net als een paard goed eten moet krijgen, anders trekt íe niet.’ Dat zijn ook de ervaringen die George Poelman ons in het interview met hem vertelt.

Spierballengedrag

Over het Enschedese industrieverleden wordt in ‘Magazine’, kwartaalblad van het museum Twentse Welle (mei 2015) verteld over de staking in 1902. Directeur G.J. van Heek stuurt alle arbeiders naar huis als zij een staking organiseren. Die arbeiders zitten daardoor wekenlang zonder inkomen. Een staaltje spierballenpolitiek. Van Heek wil de vakbonden laten zien wie de sterkste is. Achterkleindochter Fleur van Heek schaamt zich er ruim honderd jaar later nog voor. ‘Dit kon niet. Het is heel erg hard gespeeld en werkt nog generaties door in onze naam. Overigens is het nog maar de vraag of de arbeidsomstandigheden en het gedrag van fabrikanten elders in het land en in andere sectoren veel beter was?’

Dit is wel het klimaat waarin veel generaties Twentenaren zijn opgegroeid. Niet-Twentenaren veronderstellen veel strijdlust en actiebereidheid in het Twentse bedrijfsleven. Die is er ook, getuige de lange en volhardende stakingsacties in de jaren dertig van de vorige eeuw en de decennia daarvoor. Is die actiebereidheid er nog steeds? Toon Verdijsseldonk vertelt dat hij die actiebereidheid in zijn werk als bestuurder heeft ervaren. Maar een groot probleem waarmee Twente en vooral Enschede en Almelo kampen – al jarenlang – is de werkloosheid (in Enschede bijvoorbeeld 18% van de beroepsbevolking). Veel strijdlust is misschien in de kiem gesmoord door de zoektocht naar het schaarse werk? Toch is in Twente de kiem gelegd voor de katholieke arbeidersbeweging door de hiervoor al gememoreerde priester Alphons Ariëns en is de latere voorman van het NKV, Herman Bode, een geboren Twentenaar.

Zorg over toekomst vakbeweging

Wat hebben de geïnterviewden ons te vertellen? Er is bezorgdheid over de manier waarop de vakbeweging functioneert. Velen storen zich aan de meningsverschillen binnen de FNV vóór het aantreden van Ton Heerts als voorzitter van de vakcentrale. Ze achten de vakcentrale te weinig zichtbaar aan het begin van de kredietcrisis. (Hoofd)bestuurders hebben het veel te druk met en onder elkaar en rollen over straat in het gevecht om hun gelijk te halen. Veel geportretteerden hebben zich daaraan geërgerd.

Ook zijn er zorgen over de toekomst van de vakbeweging. Gaat het de vakbonden lukken om de maatschappelijke ontwikkelingen te blijven volgen en met een antwoord te komen? Zullen er genoeg jongeren lid van de vakbond willen worden? Lukt het werknemers om in bedrijven en instellingen een vuist te maken? En is er nog wel solidariteit onder de werknemers? De aangekondigde koerswijziging van de Unie BLHP – ‘we gaan niet meer staken’ – vormt een schrikbeeld. Als alleen via overleg vakbondsdoelen haalbaar zijn, dan wordt het belangrijkste middel van de vakbeweging weggegeven.

Stop met alles te willen doen

Via de website van de VHV is verslag gedaan van de VHV-Leergang 2015, waarin Paul de Beer, hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, naar een antwoord zoekt op de prangende vraag of de vakbeweging toekomst heeft. Hij adviseert de vakbeweging vooral keuzes te maken: ‘Álles willen doen is op termijn noodlottig’. Kiezen we voor een vakbond met een brede maatschappelijke oriëntatie of voor een doelgerichte belangenbehartiger? Het verleden leert, aldus De Beer, dat met kleine stappen forse resultaten kunnen worden bereikt.

Hij kijkt terug op de successen die de vakbeweging de afgelopen honderd jaar boekte. Het reële loon per arbeidsjaar is sterk gestegen terwijl de arbeidsduur is afgenomen. Een werknemer verdient nu per uur tien maal zoveel als honderd jaar geleden. De werkzekerheid is groter dan in de 19e eeuw maar ook in de afgelopen eeuw kwamen crises voor die, tot op de dag van vandaag, leidden tot grote werkloosheid.

De Beer schildert de uitdagingen voor de vakbeweging van nu. De organisatiegraad neemt af. Het aantal ouderen in de vakbeweging is groot. En de organisatiegraad onder 25-jarigen en jonger is laag. Hij constateert verder, dat de politiek-economische agenda niet langer meer mede bepaald wordt door de vakbeweging maar veel meer door politiek Den Haag en de werkgevers.

De vakbeweging moet ophouden alles te willen doen. Dat is op termijn noodlottig. Bovendien moet duidelijk worden wie de doelgroep vormt van de vakbeweging. Zijn dat de leden? Zijn dat alle werknemers of alle werknemers inclusief de zzp-ers of misschien alle (indirect) loonafhankelijken inclusief de uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden?

Concrete acties

Al eerder publiceerde Maarten Duijvendak, hoogleraar Rijksuniversiteit Groningen in het Universiteitsblad op 13 februari 2013 een artikel over sociale en economische verhoudingen in de Nederlandse samenleving met de veelzeggende titel: ‘Er is zeker toekomst voor vakbonden!’ Hij schrijft: ‘Met gestaag teruglopende ledenaantallen en heftige interne conflicten doet de Nederlandse vakbeweging af en toe meer aan vroeger dan aan de toekomst denken. Breekt te veel ideologie en een gebrek aan coherentie binnen vakcentrales de georganiseerde arbeidsvertegenwoordiging op?’

Volgens Duijvendak blijft de behoefte aan vakbonden onverminderd aanwezig. Op langere termijn ziet hij beslist bestaansrecht voor vakbonden. Zeker voor bonden die zich richten op de belangen en het aanzien van concrete beroepsgroepen. Hij verwijst daarbij naar het succes van de acties die voor de arbeidsomstandigheden van de schoonmakers zijn gevoerd. Niet in de laatste plaats werd bij de onderhandelingen gehamerd op erkenning en respect voor het werk dat schoonmakers verrichten. In dergelijk pleiten voor beroepstrots en vakmanschap ligt volgens Duijvendak een belangrijke rol voor vakbonden.

Binding vakgenoten

Evenals de in deze uitgave geportretteerden Eddy Kokhuis en Gerrit Stemerding ziet Duijvendak een ander voorbeeld van een ‘best practice’ bij de Algemene Onderwijsbond (AOB). ‘Die bond doet het heel goed omdat hij zich, behalve voor cao’s, nadrukkelijk inzet voor vakbekwaamheid en reflectie op de positie van de docent. De bond stelt zich op als een organisatie van vakgenoten en dat werkt heel goed.’ Behalve voor individuele werknemers zet deze bond zich zichtbaar in voor de kwaliteit van het werk in dit beroep en toont de bond maatschappelijke betrokkenheid. CNV Onderwijs die eenzelfde koers volgt heeft overigens ook een stabiel ledenbestand.

Het voorbeeld doet Duijvendak denken aan het begin van de twintigste eeuw, toen juist die bonden groeiden die vakgenoten vertegenwoordigden. Dat beproefde recept werkt ook nu nog goed. ‘De AOB toont in heel veel vormen zijn bestaansrecht als bond van onderwijzers. Dat mist zijn uitwerking niet.’

Op de website ‘Vakbondsvernieuwing’ van 3 mei 2015 wordt melding gemaakt van groei van de Duitse vakbonden en meer politieke invloed. In een artikel uit de Süddeutsche Zeitung wordt een studie van een werkgeversdenktank aangehaald die spreekt van een ‘comeback’ van de vakbonden. Een aspect van die comeback is lidmaatschap. Negen jaar geleden was ongeveer 18% van de werknemers lid van een vakbond; in 2012 was dat gestegen tot 20,6%. Volgens het onderzoek hebben de vakbonden aan politieke invloed gewonnen als gevolg van de crisis. Een van de resultaten hiervan zou de invoering van het minimumloon in Duitsland zijn.

Tijdens de interviews kwamen ook allerlei typisch Twentse zaken aan bod. Kun je de verschillen zien tussen textielstad Enschede en metaalstad Hengelo? Hennie Rönitz zag die verschillen juist in het middaguur. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was tussen de middag thuis gaan eten voor veel mensen gewoonte. In Enschede liepen de mensen in overall en op klompen. Men kleedde zich niet om. In Hengelo deed men dat wel en zag je in het middaguur de mensen keurig gekleed naar huis gaan voor de lunch of warme maaltijd.

Strijdbaar

Maar er zijn ook grote verschillen tussen de Twentse vakbondsbestuurders en de bestuurders uit andere delen van het land. Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog werd de leiding van het NVV overgenomen door de nationaalsocialist H. Woudenberg die op allerlei posten NSB-ers benoemde. Alleen in Twente ontstond collectief verzet tegen de nationaalsocialistische vakbondspolitiek die uiteindelijk leidde tot de arrestatie en deportatie van drie vakbondsbestuurders: Kees van Es (Almelo), Klaas Tabak (Enschede) en Gerrit Visser (Hengelo). De drie vakbondsbestuurders werden naar Duitse concentratiekampen gedeporteerd, wat alleen Van Es zou overleven. De Christelijke Nationale Vakbond en de Rooms-Katholieke Werknemers Vakbond werden in juli 1941 onder het toezicht van Woudenberg gesteld. Alle vakbondsfunctionarissen legden toen hun ambt neer en het grootste deel van de leden zegde op. In het boek van Andreas Pflock: ‘Gerrit Visser (1894-1942). Van Hengelo naar Wewelsburg.’ wordt de levensloop van vakbondsbestuurder Visser beschreven met brieven uit zijn nationaalsocialistische gevangenschap.

Grote inzet

In deze uitgave van vakbondsportretten komen veel verschillende bestuurders en kaderleden aan het woord. Het zijn niet altijd de ‘smaakmakers’, bekend van regionale pers. Het zijn stuk voor stuk harde werkers die – iedere op hun eigen manier – een grote inzet voor hun vakbond hebben getoond. En dat gebeurde niet vanwege beloningen of bonussen maar juist door betrokkenheid bij de samenleving, bij collega’s, bij mensen en vanuit een groot gevoel voor rechtvaardigheid

Vakbondswerk is mensenwerk. Er zullen zeker weleens verkeerde keuzes gemaakt zijn of met een andere aanpak zouden wellicht betere resultaten bereikt zijn. Bij de geïnterviewden heeft steeds voorop gestaan: opkomen voor je collega’s en er zijn als hij of zij problemen heeft op de werkvloer. Niet met een grote boog om de problemen heen lopen maar de koe bij de horens pakken en de problemen bespreekbaar maken bij de leiding. Er zijn verhalen over de waardering van de leiding voor deze manier van werken. Mensen zouden promotie kunnen maken of bevorderd worden naar een hogere functieschaal. Van deze mensen zijn we nauwelijks iemand tegengekomen. Wat wel gebeurde is, dat mensen in een functie geplaatst werden waarin ze steeds minder invloed op de gang van zaken in het bedrijf kregen. Jan Mekelenkamp kreeg na de staking bij Akzo een nieuwe functie die zo weinig voorstelde, dat hij in werktijd het werk als gemeenteraadslid er gemakkelijk bij kon doen.

Het was interessant dit boekje tot stand te mogen brengen. Velen hebben ons geholpen. Een bijzonder woord van dank is op zijn plaats voor de eindredacteur, Huug Klooster. Hij is voortdurend degene geweest die ons op ideeën gebracht heeft en ons wist te stimuleren door te gaan met dit belangrijke werk: de betekenis van de vakbond doorvertellen aan ons nageslacht.

Dick Boer,
Voorzitter VHV-werkgroep Twente.

November 2015