Het geheugen van de vakbeweging

… Het aantal zzp’ers op de bouwplaats is de afgelopen jaren sterk gestegen…

Onder Dak! – FNV Bouw 1982-2015

ZELFSTANDIGEN HEBBEN ARBEIDSMARKT DRASTISCH VERANDERD

VAKBOND MOET LEF EN CREATIVITEIT TONEN

De afgelopen 25 jaar is het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) sterk gegroeid, vooral in de bouwsector. Het aandeel zzp’ers in de bouw is gestegen van 7,6 procent van de werkenden in 1996 tot 20,3 procent in 2010. In het jaar 2000 kwam op initiatief van FNV Bouw een aparte bond voor zzp’ers in de bouw tot stand: FNV Zelfstandigen Bouw (ZBo). In dit artikel wordt dieper ingegaan op het fenomeen zzp’er, de beweegredenen om zelfstandigen te organiseren en hoe het ze als FNV’ers is vergaan.

Waardoor is het aantal zzp’ers zo gegroeid? Daar is de afgelopen jaren veel onderzoek naar gedaan. Een aantal verklaringen komt vaak terug. Zo stelt de overgrote meerderheid van de zzp’ers in de bouw dat ze bewust zelfstandig zijn geworden, tegenover ongeveer 20 procent die door omstandigheden tot die keus zegt te zijn gekomen en 5 procent zich ‘gedwongen’ zzp’er voelt (EIB, 2010). De meest gehoorde argumenten bij zzp’ers zijn: ‘het eigen baas willen zijn’: ‘naar eigen inzicht kunnen handelen’ en ‘zelf je tijd kunnen indelen’. Ook vakmanschap speelt een belangrijke rol. Zelf opdrachten kunnen kiezen, bijvoorbeeld kleinschalige klussen of renovatiewerk, omdat daar je vakmanschap het meest tot zijn recht komt. Veel zzp’ers kiezen er om die reden ook bewust voor om zonder personeel te blijven. Het vak uitoefenen krijgt de voorkeur boven klassieke ondernemerstaken als werk organiseren en meer omzet genereren. Een klassieke ondernemer wil winstoptimalisatie; zzp’ers streven naar vakoptimalisatie. Er zijn ook financiële motieven. Een vakman kan in de bouw goed verdienen en heeft een behoorlijke onderhandelingspositie, want aan zelfstandig werkende vakmensen is altijd behoefte. Bovendien neemt hij netto meer geld mee naar huis dan zijn collega-werknemer. Hij draagt immers geen premies af voor sociale zekerheid, pensioen en scholing. Daar staat tegenover dat een zzp’er voor dergelijke voorzieningen zelf maatregelen moet treffen. Ten slotte heeft het ondernemerschap meer status gekregen. Werd in de jaren zeventig een ondernemer nog vaak gezien als iemand ‘die geld verdient ten koste van anderen’, eind jaren tachtig was dat sentiment volledig gekanteld. Ondernemen staat sindsdien voor verantwoordelijkheid nemen, creativiteit en flexibiliteit. Als zzp’er kun je op verjaardagen en partijen dus voor de dag komen met je beroep.

VERBIEDEN OF ORGANISEREN

Henry Kasper: “Vakbond moet lef en creativiteit tonen”

Zzp’ers zijn ondernemers. Tegelijkertijd zijn ze aanbieders van arbeid en vakkennis. Ze doen vaak hetzelfde werk als werknemers, soms rechtstreeks voor de klant, soms in onderaanneming, als collega’s, samenwerkend met werknemers. Dat maakt zelfstandigen ook concurrenten van werknemers. Werknemers concurreren in feite ook met elkaar, maar er is een belangrijk verschil. De werknemer werkt in principe onder dezelfde voorwaarden, de zzp’er niet. De zzp’er kan dus op zijn prijs concurreren door bijvoorbeeld geen pensioen op te bouwen. En ook op thema’s als veiligheid en arbeidstijden kan oneigenlijke concurrentie ontstaan. De groei van het aantal zzp’ers werd door de vakbeweging dan ook met argusogen gevolgd. Weliswaar zijn er nog allerlei andere vormen van flexibiliteit, maar vooral zzp’ers zorgen ervoor dat er in de bouw steeds meer mogelijkheden zijn om buiten de reguliere cao om arbeid in te kopen. Binnen de vakbeweging ontstond een levendige discussie hoe hiermee om te gaan. Daarin onderscheidde men ruwweg twee opties: verbieden of zelf organiseren.

Het aantal zzp’ers op de bouwplaats is de afgelopen jaren sterk gestegen In FNV-geledingen was een brede stroming voorstander van aanvullende wetgeving. Ze waren de zzp’ers liever vandaag dan morgen kwijt. De praktijk bleek echter weerbarstig. Het is moeilijk om tot een heldere beoordeling te komen van wat een zzp’er eigenlijk precies is. Criteria als een gezagsverhouding, het aantal opdrachtgevers en ondernemersrisico blijken weinig betrouwbare graadmeters om zelfstandigheid mee vast te stellen. Een ander belangrijk bezwaar van ‘verbieden’ was dat veel zzp’ers vol overtuiging kiezen om eigen baas te zijn om zo hun vakmanschap uit te kunnen oefenen. Zo bezien is zelfstandigheid ook een vorm van emancipatie. Dat sprak veel FNV’ers aan. Emancipatie van de arbeidende klasse was immers sinds jaar en dag een hoofddoelstelling van de vakbeweging. De andere optie was organiseren. Zo konden de arbeidsvoorwaarden van zowel zzp’ers als werknemers beter worden behartigd. Je creëert een min of meer gelijk speelveld, waarmee de oneigenlijke concurrentie afneemt. Ook dit pad bleek evenwel niet eenvoudig te bewandelen. Het klassieke vakbondsinstrumentarium ontbreekt: je kunt geen cao’s voor zzp’ers afsluiten. De vakbond moest zich als het ware opnieuw uitvinden.

FNV EN ZZP

In 1997 behandelde het congres van de Bouw- en Houtbond FNV een voorstel om de belangenbehartiging van zzp’ers nader te onderzoeken. Het congres wees het voorstel af, omdat het ‘interne flexibilisering verkiest boven vormen van externe flexibilisering, zoals uitzendkrachten en zzp’ers’. In 1998 komt, mede onder invloed van het besluit van FNV Bondgenoten om zelfstandigen wel te gaan organiseren, de belangenbehartiging opnieuw op tafel. De bondsraad gaf alsnog toestemming voor een experiment van drie jaar.

In juni 1999 werd een aanvang gemaakt met de belangenbehartiging van zzp’ers bij de Bouw- en Houtbond FNV. Er zijn dan zo’n zestig leden, een projectleider en twee dagen secretariële ondersteuning. De opdracht was helder: geef de organisatie vorm en ontwikkel goede dienstverlening. Aanvankelijk werd gedacht aan een bijzonder lidmaatschap om te voorkomen dat zzp’ers kunnen meebeslissen over cao-aangelegenheden. De hiervoor noodzakelijke statutenwijziging was echter erg ingewikkeld en leverde weinig fraais op. Ook bleek bij de werving dat zzp’ers er weinig voor voelden zich als ‘onvolwaardig lid’ van FNV Bouw aan te melden. Ze voelden zich niet erg welkom. Niet geheel ten onrechte; de vrijage leek aanvankelijk weinig romantische gevoelens los te maken bij het werknemersdeel van de vereniging. In 2000 werd in een tumultueuze vergadering van de bondsraad alsnog besloten om een aparte vereniging voor zelfstandigen op te richten, FNV Zelfstandigen Bouw (ZBo).

FNV ZBO

Belangenbehartiging voor zelfstandigen is een andere tak van sport. Geen collectieve afspraken, maar vooral individuele dienstverlening, zoals rechtsbijstand, een pakket met speciale verzekeringen en later ook een goed administratiepakket. Meer het ANWB-model en geen collectieve actie. Toch waren er ook collectieve issues waarbij de FNV haar meerwaarde voor zelfstandigen bewijst. Verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, schijnzelfstandigheid en de vestigingswet zijn politieke dossiers waarbij de kennis, invloed en reputatie van de FNV goed van pas kwamen en waar echt vooruitgang op werd geboekt. De vereniging bewees zelfstandigen goede diensten en dat werd gezien. Ze groeide als kool en kon financieel al snel op eigen benen staan. In die jaren werd constructief samengewerkt met FNV Bouw en dat wierp vruchten af voor beide partijen. Zo ging FNV ZBo bij de bouwstaking van 2001 ook de bouwplaatsen langs om zzp-collega’s te vragen het werk neer te leggen. Voor zzp’ers een moeilijk besluit, maar er waren mooie voorbeelden van solidariteit. Er waren echter ook geregeld onderwerpen, waarover heel verschillend werd gedacht. Daarbij speelde vooral de vorm van zzp-schap die men als belangenbehartiger waarnam, een rol. Bij FNV Bouw is het vraagstuk actueel geworden door het groeiend aantal zzp’ers op de grotere bouwplaatsen. Ze concurreerden rechtstreeks met werknemers en hun zelfstandigheid stond vaak ter discussie. Uit onderzoek (EIB, 2010) bleek zo’n 30 procent van de zzp’ers zo te werken. De overige 70 procent leverde overwegend rechtstreeks aan de particuliere of zakelijke klant, zonder tussenkomst van een bouwbedrijf. Dit leidde met name op het arbeidsvoorwaardelijk vlak tot verschillen in inzicht en benadering. Bij FNV Bouw werd bijvoorbeeld hardop nagedacht over minimum-prijsafspraken in de bouw-cao’s. Zzp’ers waren daar faliekant op tegen. Ze willen zelf beslissen over hun prijsafspraken. Hier zien we ook het verschil in het DNA van de verenigingen terug. Waar FNV Bouw toch vooral gewend was zaken te regelen door middel van collectieve afspraken, waar mogelijk wettelijk bekrachtigd, ontwikkelde FNV ZBo zich naast spreekbuis namens zzp’ers ook steeds meer tot aanbieder van service en dienstverlening.

DE WEGEN SCHEIDEN ZICH

Terwijl FNV Bouw zich bewoog in de richting van een ongedeelde FNV, besloot FNV ZBo om uit de FNV te stappen. Aan die beslissing lagen diverse overwegingen ten grondslag, maar bovenstaand verschil in inzicht heeft daar zeker ook een rol in gespeeld. De ongedeelde FNV organiseert nog steeds zelfstandigen, ook in de bouw. Maar de tienduizend leden van ZBo zitten daar niet meer bij. Dat is spijtig. De vakbeweging zette in 1999 een belangrijke stap door zelfstandigen te organiseren en ze een stem te geven binnen de FNV. Niet bang voor vernieuwing, op zoek naar nieuwe oplossingen die passen bij de veranderde omstandigheden. Helaas toont de FNV zich nu niet altijd van haar progressieve kant. Met betrekking tot flexibilisering heeft ze bijvoorbeeld te veel vertrouwd op wet- en regelgeving om misstanden op de arbeidsmarkt bij te sturen. Een oude reflex waarbij macht en politieke invloed meer richtinggevend lijken voor oplossingen dan creativiteit en innovatie. De dynamiek op de arbeidsmarkt wordt niet gestuurd door wetgeving. De nieuwe flexwet is daarvan een schrijnend voorbeeld. Beschadigend voor de meest kwetsbare werknemers door de wijze waarop de markt opereert en anticipeert. Daar kunnen we verongelijkt over doen, maar daarmee veranderen we de situatie niet. Tegen de zin van ‘kopers op de arbeidsmarkt’ flexibiliteit weg reguleren werkt dus niet. Dat betekent niet dat je uitverkoop moet gaan houden. Werknemers en zelfstandigen hebben als de ‘eigenaren’ op die arbeidsmarkt een uitstekende onderhandelingspositie. Zij bezitten het aanbod, dat moeten ze goed verkopen. Maar voor goede onderhandelingen heb je wel win-winsituaties nodig. Daarvoor kun je niet meer op het oude vertrouwde terugvallen. De 21ste eeuw vraagt om nieuwe oplossingen. Daar kan de vakbeweging als geen ander de regie op voeren. Dat vraagt om een open houding om de kansen die de veranderende arbeidsmarkt voor werkenden biedt, te verzilveren. De creativiteit van alle werkenden is daarbij meer dan welkom. In 1999 waren het lef en vertrouwen in voldoende mate aanwezig om daarvoor te gaan. Het is te hopen dat de FNV dat elan in de toekomst opnieuw aan de dag weet te leggen.

 

Henry Kasper (Kampen, 1965) studeerde Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Voordat hij in 1999 als projectleider in dienst trad van de Bouw- en Houtbond FNV werkte hij als zelfstandig timmerman.Bij FNV Zelfstandigen Bouw (FNV Zbo) was hij vervolgens directeur en voorzitter. In 2006 maakte hij de overstap naar de Vakcentrale FNV waar hij als manager Marketing en Communicatie aan de slag ging. In 2012 werd hij zelfstandig ondernemer en richtte hij Buzzmij op, een adviesbureau dat zich richt op organisaties die jongeren willen bereiken.