Het geheugen van de vakbeweging

Wilhelmus J. Andriessen (1894-1978)

Bestuurder van het RKWV van 1926-1941; 1945-1950 (KAB)

Wilhelminus Johannes (Jan) Andriessen was metselaarszoon. Na zijn dertiende verjaardag ging hij als leerjongen aan het werk in de textielfabriek. In 1911 stapte hij over naar de bouw en meldde zich aan bij de katholieke arbeidersbeweging. Op zeventienjarige leeftijd werd hij gekozen tot secretaris van de plaatselijke R.K. Werkliedenvereeniging, waarna hij een snelle carričre maakte. In 1924 werd hij tot voorzitter gekozen van de R.K. Bouwvakkersbond ‘St. Joseph’. Hij bleef voorzitter tot de opheffing van de bond vanwege de Duitse bezetting in 1941. Na de bevrijding bekleedde hij opnieuw het voorzitterschap tot eind 1946. Naast vakbondsleider was Andriessen Eerste Kamerlid en bekleedde hij nevenfuncties bij de Volkskrant, de R.K. Vereeniging tot bestrijding van tuberculose ‘Herwonnen Levenskracht’, het Centrale Instituut voor Volkshuisvesting en de Nederlandse Arbeidersbank.

Jan AndriessenJan Andriessen

In 1926 werd Andriessen gekozen in het dagelijks bestuur van het R.K. Werkliedenverbond (RKWV). Tijdens de oorlog voerde hij overleg met andere vakbondsbestuurders over de katholieke vakbeweging na de bevrijding. Tot 1950 was hij bestuurslid van de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB). Nadat het RKWV was gelijkgeschakeld werd Andriessen  op basis van zijn verdiensten voor de bouwnijverheid gevraagd als directiesecretaris bij Bredero’s Bouwbedrijf. Andriessen maakte zich tijdens gesprekken met het NVV over samenwerking na de bevrijding hard voor het bestaansrecht van de confessionele vakbeweging: ‘Hier past het met meer respect over een dergelijke beweging te schrijven, zeker nu, in het reglement van samenwerking nadrukkelijk is geschreven dat elkanders beginselen en zelfstandigheid zullen worden geëerbiedigd.’ Onder de beoogde eenheid van de vakbeweging diende men volgens Andriessen in 1946 niet te verstaan de ‘eenheid van het korenveld’, maar ‘een structuur welke een waarachtige afspiegeling is van onze wezenlijke volksaard en ons wezenlijk volkskarakter’.