Het geheugen van de vakbeweging

Rien van Ostaijen: … Als de mensen niet meer naar jou toe komen, moet je zelf in beweging komen…

Onder Dak! – FV Bouw 1982-2017

Rien van Ostaijen:

‘IK WIL MENSEN HET GEVOEL GEVEN DAT ZE ER NIET ALLEEN VOOR STAAN’

‘Alles!’ Zo luidt het korte, maar krachtige antwoord van Rien van Ostaijen (72) op de vraag welke kaderfuncties hij zoal in de afdeling heeft vervuld. ‘Voorzitter, vicevoorzitter, vraagbaak, penningmeester, lid van de busploeg en zo kan ik nog wel even doorgaan’, soms hij vervolgens na enige aandrang op. Van Ostaijen is het type van ‘geen-woorden-maar-daden’ en met zijn lange staat van dienst loopt hij liever niet te koop. ‘Ik wil de mensen helpen’, verklaart hij zijn drijfveer. ‘Dat doe ik waar ik kan. Ik wil de mensen het gevoel geven dat ze er niet alleen voor staan.’

NOODLOT

Wanneer Van Ostaijen als tiener niet toevallig naast de afdelingsvoorzitter had gewoond, had z’n leven er heel anders uitgezien. ‘Op m’n veertiende werd ik metselaar’, vertelt hij. ‘De voorzitter van de afdeling Roosendaal van de bouwbond was onze buurman. Die zei dat ik lid moest worden, dat heb ik toen maar gedaan.’ Het werd een band voor het leven, want bijna zestig jaar later is Van Ostaijen nog vrijwel dagelijks te vinden in het afdelingskantoor van de FNV. Slapend lid is hij nooit geweest. Eerst werd hij actief in de jeugdafdeling van de Bouw- en Houtbond NKV en dat bleek het voorportaal voor vele bestuursfuncties. In 1987 sloeg het noodlot toe en kon hij zijn vak van metselaar niet langer uitoefenen. Van Ostaijen: ‘Na dertig jaar op de steiger waren mijn ruggenwervels helemaal versleten, dus werd ik afgekeurd en kwam ik in de WAO terecht. Ik was toen amper 44 jaar, dus m’n wereld stortte in.’ Gelukkig wist Van Ostaijen zich snel te herpakken en maakte hij van de nood een deugd door zich fulltime aan het kaderlidmaatschap te wijden. ‘Ik pakte alles op wat zich aandiende en er was genoeg te doen. Op een gegeven moment werd het zelfs te veel, daarom ben ik in 2000 gestopt als vraagbaak.’

BLOEMETJE

Dag in dag uit staat Van Ostaijen klaar om de leden te helpen, ook in de avonduren en de weekends. Hij heeft er nooit een cent voor betaald gekregen, maar daar gaat het hem ook niet om. ‘Ik krijg er zoveel voor terug’, vindt hij. ‘Soms nemen ze een bloemetje mee, maar het gaat mij om de waardering. Dat betekent veel voor mij, daarom doe ik het nog altijd met plezier.’ De laatste jaren richt Van Ostaijen zich vooral op leden die arbeidsongeschikt zijn geraakt en in de bureaucratie van keuringen en herkeuringen gemangeld dreigen te worden. ‘Dan heb je zoveel vragen’, weet hij uit eigen ervaring. ‘Ik weet soms ook niet overal een antwoord op, maar ik kan wel die hand op de schouder zijn die ze dan zo hard nodig hebben. Dat is mooi werk. Ze blijven me ook opzoeken. “Ik moet herkeurd worden”, zeggen ze dan, “ga je alsjeblieft mee?”’

EEN ANDER MENS

Tientallen cursussen en trainingen heeft Van Ostaijen bij de bond gevolgd, rekent hij voor. ‘Minstens drie per jaar en dat zeker vijftig jaar lang. Vorige maand heb ik nog een cursus Intervisie gedaan.’ Door al die scholing is hij gaandeweg een ander mens geworden. ‘Het heeft m’n leven echt verrijkt. Mijn vrouw zegt dat ik heel erg veranderd ben sinds ik in 1992 de Voortgezette Kaderopleiding heb gedaan. Daar heb ik geleerd om me een eigen mening te vormen, daar heb ik heel veel aan gehad. Ik had alleen de ambachtsschool, daar leer je dat soort dingen niet.’

DIGITALISERING

De vakbond anno 2016 lijkt in weinig op de bond waar Van Ostaijen in 1960 lid van werd. ‘Toen kwam de penningmeester de contributie persoonlijk ophalen’, herinnert hij zich. ‘Later kwamen de leden naar de bond, bijvoorbeeld voor de vakantiebonnen. Dan stonden er zo honderd man buiten in de rij te wachten. Er was altijd wel een contactmoment, maar dat is er nu niet meer.’ Hij is realistisch genoeg om te beseffen dat je de ontwikkelingen nu eenmaal niet tegenhoudt. ‘De digitalisering is niet te stoppen’, zegt hij berustend, ‘maar ik ben bang dat de bond langzaam uitsterft. Het ledental daalt en er komen geen nieuwe kaderleden bij. Toen ik in het afdelingsbestuur kwam was ik met m’n 23 jaar de jongste, nu ben ik 72 en ben ik hier nog steeds een van de jongste kaderleden. Dat zegt genoeg.’ Om het tij te keren zoekt Van Ostaijen steeds meer de samenwerking met de gemeente. ‘Samen organiseren we informatieavonden, bijvoorbeeld over de bijzondere bijstand of de WMO. Dan heb je de leden tenminste iets te bieden.’ Bovendien verhuist het kantoor van FNV Lokaal binnenkort van een buitenwijk naar het centrum van Roosendaal. ‘Als de mensen niet meer naar jou toe komen, moet je zelf in beweging komen’, aldus Van Ostaijen. ‘Dan krijgen we wellicht wat meer aanloop’, hoopt hij. ‘Dan kan ik misschien nog tien jaar door, want ik zou dit werk niet graag opgeven.’