Het geheugen van de vakbeweging

Piet Fortuin, aanstaand CNV-voorzitter, op werkbezoek bij fietsenfabriek Van Raam, december 2018, foto website CNV Vakmensen

Bij het aantreden van Piet Fortuin als CNV-voorzitter

Weer een beweging?

Op 1 januari 2020 wordt Piet Fortuin de nieuwe voorzitter van het CNV. Hij gaf in interviews aan van het CNV ‘weer een beweging te willen maken’. Daarmee plaatst hij zich in een oude traditie, want het CNV benadrukt keer op keer ‘een beweging’ te willen zijn. Zo schreef adjunct-secretaris Karst Dijkstra een boek over het CNV onder de titel Beweging in Beweging. Een titel als reactie op een omvangrijk onderzoeksrapport waaruit bleek dat het CNV niet langer een beweging was, maar een gestolde organisatie. Het rapport, dat in 1970 werd gepresenteerd door Henk van Zuthem, droeg als titel Een onbeweeglijke beweging. Piet Hazenbosch kijkt wat nader naar het begrip ‘beweging’, dat overigens niet alleen binnen het CNV wordt gebruikt. Het past in breder verband bij woorden als ‘sociale actie’ en wil toch vooral beklemtonen dat er gestreefd wordt naar maatschappelijke verandering.

De (christelijke) vakbeweging ontstaat in de laatste jaren van de 19e en in de eerste jaren van de 20e eeuw. De grote verschillen in welvaart en welzijn in de 19e eeuw, mede als gevolg van de snelle industrialisatie van Nederland, zijn de basis voor de roep om verandering. Mensen komen in actie. Veranderingen in het kiesstelsel, in de organisatie van het onderwijs, in het gebruik van sterke drank, in de voorziening in huisvesting en in arbeidersrechten. Op tal van manieren zoeken mensen verbinding om een of meer problemen op te lossen.

Impuls

Veelal wordt in dit verband gesproken over ‘sociale actie’ of ‘sociale beweging’ zonder dat dit begrip eenduidig wordt gedefinieerd. Er is al veel geschreven over deze begrippen en in de kern komt het erop neer dat het begrip wordt omschreven aan de hand van een aantal kenmerken.

Ten eerste heeft een sociale beweging een impuls nodig om te ontstaan, om als beweging op gang te komen. Ten tweede heeft een sociale beweging een eigen problematiek nodig om herkenbaar te zijn en om de nodige steun te werven. Ten derde heeft een sociale beweging organisatie nodig, waarbij een organisatie wordt gezien als een geheel van middelen en mensen. Ten vierde moet een beweging beschikken over mensen, in de loop van de tijd telkens over nieuwe mensen, over nieuwe leden, die moeten worden geworven en gebonden. Ten vijfde moet een beweging voldoende coalities sluiten om de eigen doelen te realiseren en daarom moeten contacten worden onderhouden met een breed netwerk van andere organisaties.

 ‘Opgaan, blinken en verzinken is het lot van elke dag’ dichtte de grote Willem Bilderdijk. Maar niet alleen het lot van elke dag, ook van de levenscyclus van producten. Een sociale beweging is te beschouwen als een product van maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen. In die zin is de uit de marketing en economie afkomstige analysemethode ook toepasbaar op een sociale beweging. In het algemeen worden vier fasen onderscheiden: de introductie, de groei, de verzadiging en de terugval. Het is niet zo dat elk product deze vier fasen doorloopt. Het kan immers goed zijn dat na de introductie blijkt dat er geen markt is voor het geïntroduceerde product, waarna het van de markt verdwijnt. En als een product de vier fasen doorloopt dan zegt dat nog niets over de looptijd. Denk aan een rage: de looptijd is heel kort, soms zelfs maar een paar weken, terwijl er ook producten zijn die de tand des tijds lijken te doorstaan. In het perspectief van het begrip ‘sociale beweging’ geldt hetzelfde. Met name bij spontane acties is de levensduur soms erg kort.

Onvrede

CNV-historicus Piet Hazenbosch, auteur van dit artikel

Een sociale beweging ontstaat uit onvrede; er mist iets in de samenleving of er is iets dat mensen willen veranderen. Vanuit die onvrede komen mensen in actie. Vaak zal die actie niet of slechts in beperkte mate het gewenste effect hebben en zal worden besloten tot het oprichten van een formele organisatie (de introductiefase). Die organisatie moet duidelijk voor ogen hebben welk doel wordt nagestreefd, welke middelen daarvoor worden ingezet en welke mensen daarbij kunnen worden betrokken. Er moet, om de onvrede te doen verdwijnen, dus een zekere mate van institutionalisering plaatsvinden. Om voort te bestaan moet die organisatie een maatschappelijke positie krijgen en dat kan door het realiseren van doelen (de groeifase).

Na verloop van tijd heeft de maatschappelijke organisatie een bepaalde positie in de samenleving verworven. Zij wordt als respectabel gezien en gaat tot het establishment behoren. De algemene acceptatie zal door een deel van de oorspronkelijk verontrusten worden toegejuicht, want het is immers een erkenning van hun onvrede. Maar deze fase houdt ook een risico in: het opheffen van de oorspronkelijke onvrede staat niet meer centraal, maar het in stand houden van de institutie, de eigen organisatie. Deze institutionalisering kan de verzadigingsfase worden genoemd.

De vraag is of de organisatie nog mensen aan zich kan blijven binden. Als dat niet lukt – bijvoorbeeld door het vinden van een nieuwe onvrede – dan zal de organisatie – na langere of kortere tijd – ten ondergaan (de terugval). Het kan ook dat de organisatie zijn oorspronkelijke impuls andere vorm en inhoudt geeft, zijn oorspronkelijke uitgangspunten actualiseert en herdefinieert waardoor als het ware een nieuwe levenscyclus word gestart.

“Wegens succes gesloten”

In het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw, organiseerde het CNV een bijeenkomst met – wat wij tegenwoordig – influencers noemen. Een van hen opende zijn bijdrage aan het gesprek als volgt: Ik ging op jullie uitnodiging in, alhoewel in vreesde dat ik – eenmaal bij de voordeur van het gebouw – een bordje zou aantreffen met de tekst ‘Wegens succes gesloten’. In de beleving van de spreker had de vakbeweging zijn doelen bereikt. Dat er een zekere waarheid schuil gaat in deze benadering, blijkt ook uit het feit dat de Nederlandse vakbeweging niet alleen leden verliest, maar dat ook de organisatiegraad achteruit holt. Aan het begin van deze eeuw organiseerde het CNV circa 350.000 leden; Fortuin spreekt nu over een organisatie van 250.000 mensen. En de organisatiegraad – het aantal mensen dat vakbondslid is in relatie tot de beroepsbevolking – ligt tegenwoordig ruim onder de 20%.

Blijkbaar slaagt de vakbeweging er niet in mensen aan zich te binden en dreigt teloorgang tenzij een nieuw elan wordt geboren en de levenscyclus als het ware opnieuw kan beginnen. Uit de mediaberichten over het voorzitterschap van Fortuin blijkt dat hij dat nieuwe elan zoekt in de onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt. Hij wil een halt toeroepen aan ‘de huidige gekte op de arbeidsmarkt. Er dreigt een nieuwe onderklasse te ontstaan dankzij de doorgeschoten flexibilisering. Twee miljoen mensen hebben een onzeker contract en weten vaak niet hoe ze het eind van de maand moeten halen. Ik maak me hard voor een eerlijke en rechtvaardige arbeidsmarkt waarop het evenwicht tussen werkenden weer is hersteld.’ Daarbij zoekt hij – volgens de berichtgeving – ook naar andere vormen van contact met werknemers, waarbij hij denkt aan huiskamergesprekken en andere vormen van kleinschalige en direct communicatie.

De vraag is of de onbalans op de arbeidsmarkt en kleinschalige vormen van communicatie voldoende zijn om de geïnstitutionaliseerde vakorganisatie te ontstollen en te veranderen in een sociale beweging die mensen verbindt. Het huidige ledenbestand van de vakbeweging bestaat voornamelijk uit oudere werknemers met vast contracten en niet uit de twee miljoen waarover Fortuin spreekt. De vraag naar slaagkans kan niet beantwoord worden. Wel kan worden gezegd dat alleen baron Von Münchhausen erin is geslaagd zich aan zijn eigen haar uit het moeras te trekken. Met andere woorden: Piet Fortuin geeft zichzelf en zijn collega’s een nogal moeilijke opdracht, die wellicht meer vraagt dan een probleem op de arbeidsmarkt en huiskamergesprekken.

Piet Hazenbosch

Oktober 2019