Het geheugen van de vakbeweging

Vrouwenstakingen sinds 1830

In de periode 1830 tot 2008 vonden er 524 stakingen plaats met uitsluitend vrouwelijke deelnemers. In een veelvoud daarvan participeerden vrouwen en mannen tezamen, maar in deze 524 gevallen was slechts of in overwegende mate sprake van staaksters. Meer dan de helft daarvan betrof stakingen van jonge vrouwen.

Politieke vrouwenstaking tegen de abortuswet 1981Politieke vrouwenstaking tegen de abortuswet 1981

Dit grote aandeel van meisjesstakingen is een gevolg van het feit dat tijdens een groot deel van de periode betaalde, loonafhankelijke vrouwenarbeid vaak meisjesarbeid was. Het is nog niet zo lang geleden dat in Nederland vrouwen zich na hun huwelijk terugtrokken in het gezinsleven en nog steeds stoppen veel vrouwen na de geboorte van hun eerste kind met werken. Het was zelfs tot 1957 gebruikelijk dat vrouwen die voor de overheid werkten, na hun huwelijk werden ontslagen.
Een aanwijzing voor het feit dat vrouwenarbeid grotendeels meisjesarbeid was, is dat in 1980 bijna de helft van de vrouwen tussen 15 en 24 jaar tot de beroepsbevolking behoorde, maar van de vrouwen tussen 25 en 50 jaar bedroeg dit percentage nauwelijks veertig. Bij de mannen waren deze aandelen respectievelijk de helft en 95 procent.

Ongewenste intimiteiten

Een derde deel van alle vrouwenstakingen zijn stakingen voor hoger loon geweest en bijna vier-vijfde van de stakingsactiviteit betrof de primaire arbeidsvoorwaarden. Klachten over ongewenste seksuele intimiteiten zijn van alle tijden, al werden ze vroeger anders benoemd. Een vrouw die in de jaren dertig als meisje bij Jamin in Rotterdam had gewerkt, vertelde een halve eeuw later het volgende: “En dan over die heren, want dat waren ook van die ‘mooie’. Als ze zo’n meid aan de haak konden slaan, dat je met ze meeging naar de kleedkamer of de kelder. Ik heb het zelf ook meegemaakt, nou dan was je de beste hoor, dan kreeg je wel opslag en dan kreeg je een schort voor niks of een goud ringetje.”
Hoewel het verschijnsel ongewenste seksuele intimiteiten dus ook vroeger bekend was, zijn mij geen stakingen bekend die uitbraken om daar een eind aan te maken. Elf vrouwenstakingen waren gericht tegen het optreden van bepaalde personen en bij drie stakingen werd deze eis als tweede gesteld. Als we de stakingen niet meetellen waarin de persona-non-grata een vrouw of bijvoorbeeld de bedrijfseconoom was, dan blijven er in totaal zeven stakingen over waarin seksuele intimidatie een rol kan hebben gespeeld. Een van die gevallen betreft een staking bij het kartonnagebedrijf van Mortelmans in Den Haag. Daar vond in 1903 een staking plaats van 49 jongens en meisjes en de stakers wezen onder andere op het ‘minder kies’ optreden van een onderbaas.

Gelijk loon voor gelijk werk

De tweede specifieke vrouweneis is die van ‘gelijk loon voor gelijk werk’. Deze is in totaal tien keer gesteld, hetzij als eerste, hetzij als tweede eis. In 1896 staakten de vrouwen van de Schiedamse glasfabriek Apollo omdat ze eenzelfde loonsverhoging wilden als de mannen hadden gekregen, wat niet helemaal hetzelfde is als ‘gelijk loon voor gelijk werk’, maar wel nauw daaraan verwant is. In 1946 werd die eis voor het eerst wel gesteld. Zes keer legden in de eerste vijf jaar na de oorlog vrouwen het werk neer om dit te bereiken en daarna duurde het weer een hele tijd.
In 1969 staakten vijftig vrouwen drie weken lang in Nieuwe Pekela bij een sigarenfabriek. Als woordvoerder trad overigens een man op, het latere CPN-kamerlid Fré Meis. In 1973 streden 180 vrouwen met steun van de Industriebond NVV twee weken lang bij het Winschotense ritssluitingbedrijf Optilon. De steun werd niet van harte gegeven, want de bond vond de eis overdreven en schrok terug omdat de staking ook werd ondersteund door radikaal-feministische groeperingen. De laatste keer dat vrouwen voor deze eis staakten was in 1989 toen 22 vrouwen bij balpennenfabriek Bic in Roosendaal de strijd aangingen.
Van de meer dan vijfhonderd stakingen door vrijwel uitsluitend vrouwen waren er slechts 21 met specifieke vrouweneisen. De andere stakingen betroffen gewone arbeiderseisen, zoals arbeiders die ook in de 14.000 andere stakingen stelden. Voor de eerder genoemde politieke staking in 1981 vanwege de abortuswetgeving geldt dit laatste uiteraard niet.

Belangrijke vrouwenstakingen

Aan de hand van de jaren waarin de stakingsactiviteit van uitsluitend vrouwen slechts meer bedroeg dan vijf procent zal ik hier de belangrijkste vrouwenstakingen de revue laten passeren.
In 1899 legden driehonderd koffieverleesters van de Amsterdamse firma Jonker het werk neer. Ze protesteerden tegen het feit dat ze een uur extra werk niet uitbetaald kregen. Met steun van het NAS hielden ze het drie weken vol. Het NAS was er overigens niet over te spreken dat de vrouwen zonder overleg met de organisatie in staking waren gegaan.
Elf jaar later staakten in hetzelfde Amsterdam 33 vrouwelijke edelsmeden drie maanden lang. In 1914 legden in Almelo en Deventer de vrouwen van de kledingbedrijven Bendien en Smits het werk gedurende ruim vijf maanden neer en in 1919 vond in de provincie Groningen een wel zeer bijzondere staking plaats. Duizend dienstboden weigerden vijftig dagen lang in de huishoudens van de Groningse boeren te werken. Ze deden dat uit solidariteit met de stakende landarbeiders.
In 1933 werd in Amsterdam door de arbeidsters van kledingbedrijf Emil Hayn ruim een maand lang gestaakt tegen loonsverlaging. Drie jaar later was er weer een grote staking tegen loonsverlaging toen drieduizend Brabantse erwtenpluksters het werk neerlegden in een staking, waar de fascistische organisatie Zwart Front tevergeefs leiding aan probeerde te geven. In dat zelfde jaar legden de arbeidsters van Bendien in Almelo het werk neer om te protesteren tegen het opgevoerde arbeidstempo.
De jaren 1948-1950 geven een groot percentage vrouwenstakingen te zien. Het waren de topjaren van ‘gelijk loon’-stakingen en van de stakingen tegen tijdmetingen. Daarna is er nog slechts één jaar geweest dat het aandeel vrouwenstaken boven de vijf procent uitkwam. Dat was 1988 toen leidsters van Amsterdamse crčches streden voor gelijk loon voor gelijke arbeid. Nu echter niet tussen mannen en vrouwen, maar tussen leidsters en assistent-leidsters.

Vrouwenstakingen verdwenen

Het staken van uitsluitend vrouwen lijkt vrijwel te zijn verdwenen. Dat heeft te maken met veranderde omstandigheden. Vanaf 1955 werden de arbeidsverboden voor gehuwde vrouwen geleidelijk afgeschaft en in 1976 kwam een wettelijk verbod op ontslag bij huwelijk, zwangerschap of bevalling tot stand. Het jaar daarvoor was een wet in werking getreden waarin gelijke beloning voor mannen en vrouwen werd geregeld, maar in CAO’s was dit meestal al afgesproken.
In 1980 ten slotte trad de Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen met betrekking tot het werk in werking.
Ook is het aantal beroepen waarin vrijwel uitsluitend vrouwen werken afgenomen. Dit had bijvoorbeeld tot gevolg dat de stakingen die aan het eind van de onderzoeksperiode in de verpleging plaatsvonden gerekend zijn tot de ‘gemengde’ stakingen.

Dit artikel is met toestemming ongewijzigd overgenomen uit: Stakingen in Nederland, Arbeidersstrijd 1830-2008, pagina 75 en 76. Tweede herziene versie door Sjaak van der Velden, Rotterdam 2009. Copyright 2009
De tussenkoppen en foto zijn van de redactie van de website.
Sjaak van der Velden: Stakingen in Nederland

Ga voor een totaal overzicht naar Tabel Vrouwenstakingen 1850-2009 (excelformaat)