Het geheugen van de vakbeweging

Vrouwenbond CNV

In het kader van een brede maatschappelijke organisatie, die het CNV wil zijn, past ook aandacht voor de huisvrouw, die ‘het centrum van het gezin vormt’. De Vrouwenbond CNV wordt op 2 november 1960 formeel opgericht. Een van de doelen is om vrouwelijke leden en vrouwen van leden zoveel mogelijk bij het werk van de christelijke vakbeweging te betrekken. Een ander doel is ‘de leden te stimuleren tot het verlenen van onderling dienstbetoon’. De Vrouwenbond begint als bond voor vrouwen van mannelijke leden en wordt vooral getrokken door vrouwen van bestuurders en kaderleden. Niet veel vrouwen van gewone leden zijn waarschijnlijk lid geweest. Vrouwen in de christelijke wereld sloten zich eerder aan de bij de NCVB (Nederlands Christelijke Vrouwenbond) dan bij de vakbeweging die zij niet herkende als vrouwgerichte organisatie.

Brochure Vrouwenbond CNVBrochure Vrouwenbond CNV

Piet Hazenbosch schrijft over de Vrouwenbond CNV in ‘Voor het volk om Christus’ wil (2009):
‘In het kader van een brede maatschappelijke organisatie, die het CNV wil zijn, past ook aandacht voor de huisvrouw, die ‘het centrum van het gezin vormt’. ‘De reformatie van het sociaal-economisch bestel die wij beogen, en waarin het gaat om de vrijheid van de arbeidende stand, laat ook het gezin als bouwcel der samenleving niet onaangetast. Hebben wij – zo vraagt het CNV bestuur zich af – niet teveel de arbeiders gezien als losse individuen en te weinig als leden van de organische eenheid, het gezin, waaruit zij niet los te maken zijn? En moeten wij niet pogen de vrouwen onzer leden deelgenoot te maken van onze wensen en activiteiten in deze strijd tot vernieuwing der samenleving?’. Het stellen van zo geformuleerde vragen kan maar tot een antwoord leiden: de vrouwen moeten ook in organisatorische zin bij het werk van de christelijke vakbeweging worden betrokken. Daarom wordt besloten tot ‘het in het leven roepen van C.N.V.-vrouwenclubs, voorshands in die besturenbonden, die daarvoor interesse hebben’. De taken van deze clubs liggen op het gebied van maatschappelijk dienstbetoon, maar ook door het beleggen van vergaderingen waar op ‘geëigende wijze’ sociaal-economische onderwerpen ‘het huishoudboekje rakende’ aan de orde kunnen komen. In De Gids komt ook aandacht voor het gezin en de rol van de vrouw daarbinnen. De Gids wordt meer en meer een blad voor het gezin in plaats van een louter op vakbondswerk gerichte periodiek. Er komt een strip voor de jeugd en er worden kledingpatronen afgedrukt om de huisvlijt de bevorderen. Ook wordt het blad toegankelijker gemaakt door serieuze informatie af te wisselen met luchtiger teksten en door het plaatsen van cartoonachtige tekeningen.
De eerste vrouwenclubs komen in 1957 tot stand als de CNV-vrouwenwerkgroep, ‘zwichtend ook voor de belangstelling die voor dit werk op vele plaatsen bleek te bestaan’, begint met de vorming van vrouwenclubs. De belangstelling voor de oprichting van vrouwenclubs in CNV-verband bestaat niet alleen in de kring van het CNV zelf, maar ‘het waren ook topfiguren uit de christen-vrouwenbeweging, die op de vorming van C.N.V.-vrouwenclubs en van een C.N.V.-vrouwenbond aandrongen. Deze figuren zagen namelijk in een aantal voor het vrouwenwerk belangrijke organen en organisaties wel vertegenwoordigsters van de vrouwenbonden van het N.V.V. en K.A.B., maar zij ervoeren als een pijnlijk tekort het gemis aan een soortgelijke representatie vanuit het C.N.V.’ De christen-vrouwenbeweging krijgt blijkbaar geen aansluiting bij arbeidersvrouwen en daarmee met een grote groep, die deel uit maakt van de protestants-christelijke zuil in ons land. Een CNV-vrouwenbond kan daarin voorzien. Onder druk van de plaatselijke vrouwenclubs, die ‘vragen om een sterker onderlinge band’ en van de christelijke vrouwenbeweging, besluit de Verbondsraad op 16 november 1959 tot de oprichting van een CNV-vrouwenbond. De CNV-Vrouwenbond wordt op 2 november 1960 formeel opgericht. Een van de doelen is om vrouwelijke leden en vrouwen van leden zoveel mogelijk bij het werk van de christelijke vakbeweging te betrekken. Een ander doel is ‘de leden te stimuleren tot het verlenen van onderling dienstbetoon’.

Internationaal Jaar voor de Vrouw

Ans Bakker, voorzitter van de Vrouwenbond NVV van 1968-1978: ‘Destijds werkten de Vrouwenbonden van NVV, NKV en CNV goed samen, maar met name binnen de vrouwenbeweging. In het “Internationale Jaar voor de Vrouw” in 1975 presenteerden de organisaties zich op allerlei wijzen. De drie Vrouwenbonden van de 3 vakcentrales hadden een gezamenlijk emancipatieproject middels een emancipatietentoonstelling. Daar werden enkele maatschappelijke problemen getoond, zoals emancipatie via het onderwijs, gelijke beloning, gelijkwaardigheid op andere gebieden.’

Anders dan de Vrouwenbond FNV lukt het de Vrouwenbond CNV echter niet om een stevige positie binnen het CNV te krijgen. Het ledental, toch altijd al gering, daalt eind 80-er jaren fors.  Piet Hazenbosch schrijft daarover in zijn boek: ‘Een dalend ledenaantal doet aan het eind van de jaren ’80 al een sombere toekomst verwachten. De arbeidsmarktemancipatie van vrouwen, die in de jaren ’60 begon, is de oorzaak van de teloorgang. De Vrouwenbond CNV slaagt er niet in een brug te slaan tussen de huisvrouwenstatus en werkende vrouwen. Daarbij komt dat de bond toch vooral een club was van onbezoldigden met weinig organisatorische kracht die tot het einde werd getrokken door niet-betaald werkende vrouwen.
Een fusiepoging met een voornamelijk Brabantse, katholieke vrouwenorganisatie mislukt in de loop van 1995 definitief. De veranderingen in het denken over de positie van de gehuwde vrouw die betaalde arbeid verricht, leidt tot een klimaat waarin er feitelijk geen of zeer weinig belangstelling meer bestaat voor een organisatie die zich richt op de niet-buitenshuis werkende vrouwen van mannelijke leden. Het financiële draagvlak onder de Vrouwenbond brokkelt af en de vakcentrale moet telkens bijspringen. Als de bereidheid om de tekorten af te dekken vermindert, is dat het einde van een zelfstandige Vrouwenbond. De resterende leden worden bijeengebracht in de Landelijke groep Onbetaalde Zorgarbeid (LOZ) en getalsmatig ondergebracht bij het aantal rechtstreekse leden.’
(Juni 2015)