Het geheugen van de vakbeweging

Vrouwen in de katholieke vakbeweging

Organisaties van arbeiders ontstonden al in de 19e eeuw in Maastricht, waar de industrialisatie van Nederland begon (cement, ENCI, porselein, Sfinx). Ook rond Heerlen werd vroeg geďndustrialiseerd, met de bekende wantoestanden: onderbetaling, gevaarlijke werkomstandigheden, drankmisbruik. Katholieke voormannen als Ariëns en Poels, beiden sociaal bewogen priesters, organiseerden de arbeiders, maar het was Henri Poels die hierin arbeidersvrouwen onmisbaar achtte.

Omslag van Edelmoedig, fier en vrij, over Katholieke arbeidersvrouwen en hun beweging Omslag van Edelmoedig, fier en vrij, over Katholieke arbeidersvrouwen en hun beweging

Het standpunt over vrouwen in de katholieke vakbeweging was heel rigoureus. Vrouwen hoorden thuis te zijn en zeker niet de baantjes van jonge huwbare mannen weg te nemen. Die opvatting was zo rigoureus dat er geen vrouwen werkten op de kantoren van de RK vakbeweging.

Organisatie Katholieke arbeidersvrouwen

Op instigatie van de hoofdaalmoezenier Henri Poels, werden in het sterk geďndustrialiseerde Zuid Limburg al in 1919 de eerste arbeidersvrouwen in afdelingen georganiseerd. In de twintiger jaren van de vorige eeuw werden meer afdelingen opgezet, allemaal onderdeel van en betaald door de RKWV (Rooms Katholieke Werknemersvereniging), later KAB (Katholieke Arbeidersbeweging).
Centrale figuren in het daadwerkelijke ontstaan en de snelle groei waren de aangestelde propagandistes of diocesane leidsters. De bisschop van Roermond, Schrijnen, spoorde daartoe aangezet door Poels, het hoofdbestuur van de RKWV (Rooms Katholiek Werklieden Verbond) aan om plaatselijke afdelingen voor arbeidersvrouwen op te richten. De eerste vakbond voor vrouwen werd in 1919 opgericht in Maastricht, een jaar later waren dat er al twaalf.  
De sterke en invloedrijke RKVB verzette zich tegen de bisschoppen die de vrouwen wilden organiseren in standsorganisaties, zij maakte zich sterk voor de vrouwenorganisatie. De gezamenlijke bisschoppen hielden vast aan organisatie volgens de standen.

Discussie rol arbeidersvrouwen

Maar voordat er daadwerkelijk een aparte vrouwenorganisatie ontstond, raakten het RKWV en de RK Vrouwenbond in een langdurige discussie óver de arbeidersvrouwen. Het RKWV vond dat zij deel moesten zijn van de standsorganisatie om vanuit hun rol als vrouwen en moeders bij te dragen aan de ontwikkeling van de arbeidersklasse. De RK Vrouwenbond wilde de arbeidersvrouwen echter ‘helpen’ zich zodanig te vormen dat zij ‘goede’ moeders en huisvrouwen werden die bijdroegen aan een sterke katholieke vrouwenbeweging.
Uiteindelijk won het RKWV: vrouwen waren deel van het katholieke arbeidersgezin en moesten als zodanig gevormd worden. Het RKWV in het bisdom Roermond nam het voortouw. In 1933 werd een ‘propagandiste’ aangesteld en nog hetzelfde jaar was de Katholieke Arbeiders Vrouwen Organisatie (KAVO) een feit.
Het Limburgse voorbeeld sloeg over naar het bisdom Den Bosch, waar in 1935 een Standsorganisatie voor Katholieke Arbeidersvrouwen en Arbeidsters werd opgericht. De leden stroomden toe, na 1945 ook in de bisdommen Breda, Utrecht en Haarlem. Zij kregen een programma, gericht op vorming en ontspanning, dat werd ontwikkeld en begeleid door zogenoemde ‘leidsters’ die in dienst van de katholieke arbeidersbeweging waren. 
Het doel was om vrouwen van katholieke arbeiders bij te staan in de opvoeding van hun kinderen en de ondersteuning van hun echtgenoten. Gaandeweg werd de beweging een plek waar vrouwen leerden zichzelf te ontwikkelen, ontspannen en elkaar te helpen.
In de jaren 30 van de twintigste eeuw werden in de bisdommen Roermond en Den Bosch diocesane KAV’s (katholieke arbeidersvrouwenorganisatie) opgericht die op last van kardinaal De Jong in 1941 voor de duur van de bezetting werden ontbonden. In 1948 had elk diocees een eigen KAV en werden door betaalde leidsters plaatselijke afdelingen opgericht. Op het hoogtepunt, dat rond 1960 lag, telde de KAV 45.000 leden.
In 1965 ging de KAB in NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond) en kwam voor vrouwen de landelijke samenwerking tot stand in de VNKV, de vrouwenbeweging van het NKV. Het duurde nog tot oktober 1979 voor de VNKV landelijk werd gestructureerd, tot die tijd was de VNKV diocesaan georganiseerd.

KAV en VNKV

Voor de vrouwen die zich in de bisdommen Roermond en Den Bosch bij de KAV aansloten, woog de katholieke identiteit zwaar. Het was hun opdracht die identiteit in hun gezin door te geven en te bewaken en de KAV hielp hen daarbij. Er waren cursussen vergaderen, notuleren en veel vormingswerk. Zowel de KAB als de daaruit voortgekomen KAV waren een belangrijke stimulans van de brede emancipatie van het Nederlandse katholieke volksdeel, waarvan de arbeiders het sluitstuk vormden. In 1964 werd het plan geopperd om de diocesane KAV’s te verenigen in een landelijke stichting VNKV.
De onderlinge verschillen tussen de 5 diocesane KAV’s waren groot, zowel in aantal leden als in de inhoud van het werk. Van daaruit is ook te verklaren waarom er uit de achterban zo’n verzet kwam tegen landelijk samengaan. In 1982 telde de VNKV 40.000 leden, waarvan er 20.000 in Brabant woonden. De onderlinge verschillen liepen zo hoog op dat in 1983 Brabant zich afscheidde en zelfstandig verder ging onder de naam KVB, Katholieke Vrouwenbeweging. In dat proces bleven 1.200 leden trouw aan de VNKV. Daarna ging het snel met de verdere afkalving.

Federatie VNKV en Vrouwenbond CNV

In 1990 vertegenwoordigden de voorzitters van de VNKV en de Vrouwenbond CNV de werknemersvrouwen in het toen opgerichte Convent van Christenvrouwen (CCV). Uit dit contact ontstond al gauw het samengaan van beide organisaties en in januari 1992 ondertekenden beide vrouwen hun protocol van samenwerking. Niet voor lang, al in 1993 ontstond onrust binnen de Vrouwenbond CNV en brokkelde de samenwerking van beide kanten verder af. In april 1995 besloot het bestuur van de VNKV dat het genoeg was geweest en werd de organisatie opgeheven. 
Meer  over RKVK, KAV en VNKV is te lezen in Edelmoedig, fier en vrij.

Belangrijke voorvrouwen

Florentine Steenberghe Engeringh (1875 – 1952) was vanaf 1919 voorzitster van de Rooms Katholieke Vrouwenbond (RKVB), de landelijke federatie van de diocesane RK Vrouwenbonden die sinds 1912 in de Nederlandse bisdommen waren opgericht. Daarnaast zat ze ook de Internationale unie van (katholieke) vrouwenbonden voor.
Maria Reijntjes werd door het RKWV aangesteld als diocesaan leidster voor het bisdom Den Bosch. De bisschop had gezien waar het werk van Mia Schmitz in Limburg toe leidde en gaf toestemming ook in zijn diocees de katholieke arbeidersvrouwen en –meisjes te organiseren in een aan het RKWV gelieerde organisatie. Net als Mia Schmitz ging Maria Reijntjes eerst in de leer in Brussel, waarna ze vrouwen benaderde die ze eerst op hun taak ging toerusten.
Mia Schmitz, studeerde in 1933 af aan de RK School voor maatschappelijk werk in Sittard. Voor haar afstudeerproject was zij in de leer gegaan bij de Belgische katholieke vrouwenorganisatie (KAV) in Brussel en was daarmee voorstander geworden van een standsorganisatie voor arbeidersvrouwen. Zij werd prompt door het Rooms Katholiek Werkliedenverbond (RKWV) aangesteld als diocesaan leidster voor het bisdom Roermond.

Miet van Puijenbroek (Tilburg 1914 – Tilburg 1999) trad in 1955 aan als diocesaan leidster van de KAV in het bisdom Den Bosch. Zij kwam niet zoals haar collega’s uit de middenklasse, Maria (Miet) was de dochter van een textielarbeider, een wever en had vijf broers en drie zusters.
Hiervoor geraadpleegd:
Brouns, Els, “Wij worden toch geen FNV …”, Een speurtocht naar de oorzaken van de moeizame communicatie tussen katholieke en socialistische arbeidersvrouwen, Tilburg 1986 (niet gepubliceerd doctoraalscriptie aan de Theologische Faculteit Tilburg)

Derks, Marjet en Huisman, Marijke, ‘Edelmoedig, fier en vrij’, Katholieke arbeidersvrouwen en hun beweging in de twintigste eeuw, Hilversum, Verloren 2002

Met toestemming verkregen informatie uit het archief van de KAV/VNKV in Nijmegen.