Het geheugen van de vakbeweging

Vrouwen binnen het CNV

Binnen het CNV was er lange tijd weinig aandacht en plaats voor vrouwen. Piet Hazebosch schrijft daarover in ‘Voor het volk om Christus’ wil (2009): ‘Weliswaar wordt op papier – zo blijkt uit opeenvolgende Verslagen – aandacht besteed aan de wens vrouwelijke leden te werven, maar daar blijft het in de praktijk bij. De taak van de (gehuwde) vrouw is in het gezin en ligt niet op de arbeidsmarkt. De aandacht voor werving van vrouwelijke leden zakt in de loop der jaren steeds verder weg.

Piet Hazenbosch: Het gelijkheidsbeginsel is in het CNV met pijn en moeite ingevuldPiet Hazenbosch: Het gelijkheidsbeginsel is in het CNV met pijn en moeite ingevuld

Over vrouwen in het CNV schrijft Piet Hazebosch in zijn proefschrift ‘Voor het Volk om Christus’ Wil – een geschiedenis van het CNV; Hilversum 2009.
Onderstaand enkele citaten daaruit.

6.1.3   Vrouwen

Al eerder stelde ik vast dat het CNV een mannenbolwerk is. Weliswaar wordt op papier  – zo blijkt uit opeenvolgende Verslagen – aandacht besteed aan de wens vrouwelijke leden te werven, maar daar blijft het in de praktijk bij. De taak van de (gehuwde) vrouw is in het gezin en ligt niet op de arbeidsmarkt. De aandacht voor werving van vrouwelijke leden zakt in de loop der jaren steeds verder weg. De Verslagen besteden er eerst minder en dan geen aandacht meer aan. Uit de beschikbare ledencijfers is niet te achterhalen hoeveel vrouwelijke leden het CNV in de jaren ’50 kent.

7.1.4   Vrouwen

In het vorige hoofdstuk werd de oprichting van de CNV Vrouwenbond beschreven, mede als gevolg van de gedachte dat de vrouw de kern van het gezin vormt. De Vrouwenbond is dan ook geen vakbond, maar een vereniging van vrouwen van (mannelijke) leden. Het CNV maakt daarmee duidelijk een eigen zienswijze – overigens passend binnen de protestants-christelijke zuil – te hebben op de maatschappelijke positie van de gehuwde vrouw.
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt dwingen het CNV echter na te denken over het daar heersende schaarsteprobleem. De economische ontwikkeling leidt niet alleen tot groei, maar ook tot een grote vraag naar arbeidskrachten. De spanning op de arbeidsmarkt, die de bijl aan de wortel van de geleide en gematigde loonpolitiek legt, doet ook een aanslag op het denken over de positie van de gehuwde vrouw in het arbeidsproces.
Er zijn in het algemeen drie mogelijkheden om aan de stijgende vraag naar arbeid te voldoen: het opvoeren van de productiviteit door investeringen in arbeidsbesparende machines, het aantrekken van buitenlandse arbeidskrachten of het inschakelen van nieuwe groepen in het arbeidsproces. De eerste mogelijkheid, die overigens niet gestimuleerd wordt door de geleide loonpolitiek, kost tijd en stelt eisen aan de technologische ontwikkeling. Op korte en middellange termijn is hier slechts een beperkte oplossing te vinden. Het aantrekken van buitenlandse arbeidskrachten kan vooral als aan de beheersing van de Nederlandse taal en het opleidingniveau niet al te hoge eisen worden gesteld. Dat aantrekken van buitenlandse arbeidskrachten gebeurt dan ook, maar biedt voorshands onvoldoende soelaas. De derde mogelijkheid is het inschakelen van nieuwe groepen, i.c. het aantrekken van gehuwde vrouwen. Tot het begin van de jaren ’60 is het gebruikelijk dat vrouwen hun beroepsarbeid beëindigen als zij in het huwelijk treden en dat zij in een latere levensfase in het algemeen niet weer aan het werk gaan. Er komt met andere woorden een aanmerkelijk potentieel beschikbaar als vrouwen na hun huwelijk wel doorwerken of – na het opvoeden van hun kinderen – terugkeren naar de arbeidsmarkt. Langer doorwerken heeft als belangrijk voordeel dat bijscholing niet nodig is – het gaat immers om ervaren arbeidskrachten. De komst van nieuwe anticonceptiva maakt dit doorwerken overigens ook praktisch gemakkelijker.
De beroepsarbeid van de gehuwde vrouw stelt het CNV voor lastige keuzes. De bijbelse boodschap ‘spreekt over de gelijkheid van man en vrouw in Christus, over hun verantwoordelijkheid en zelfstandigheid’. De beroepsarbeid van de gehuwde vrouw is dan ook niet zonder meer af  te wijzen. Het is immers haar persoonlijke keuze. Maar het accepteren van die keuze is vanuit de CNV-traditie niet eenvoudig. Bij de vaststelling van het nieuwe sociaal-politiek program ontstaat in 1963 in de Verbondsraad een debat dat typerend is voor de gevoelde spanning. Het debat ontrolt zich in hoofdlijnen als volgt’.
Mulder –hoger personeel- merkt op, dat gehuwde vrouwen vaak alleen maar gaan werken omdat het niet anders kan. Hij acht het daarom niet juist, te stellen dat ondernemingen speciale regelingen moeten treffen voor gehuwde werkende vrouwen. (…)
Van der Leij –bouw- meent, dat er wel principiële bezwaren tegen de arbeid van de gehuwde vrouw zijn aan te voeren, dit in tegenstelling tot wat [in de nota, ph] wordt gesteld. Vroeg trouwen vergroot de woningnood. Blijft de vrouw in haar huwelijk werken, dan wil zij vaak voorlopig geen kinderen. (…)
Van Stapele –metaal- sluit zich aan bij Van der Leij. Door de krappe arbeidsmarkt zijn we echter wel gedwongen het vraagstuk onder ogen te zien.
Nieuwenhuis –textiel- legt er de nadruk op, dat het bedrijfsleven terughoudendheid in acht moet nemen bij het in dienst nemen van gehuwde vrouwen met kinderen. De gezinnen lijden eronder.
De voorzitter (Van Mastrigt) is van oordeel, dat er tegen de bestaande formulering geen bezwaar kan bestaan. Er is gesteld, dat tegen de arbeid van gehuwde vrouwen geen algemene bezwaren kunnen worden aangevoerd, dat de betrokkenen zelf moeten beslissen en dat de bedrijven er rekening mee moeten houden dat bijzondere maatregelen nodig kunnen zijn als ze gehuwde vrouwen in dienst nemen.
Peters –metaal[ix]– (…) weet geen principiële bezwaren tegen de beroepsarbeid van de gehuwde vrouw aan te voeren.
Van Stapele –metaal- acht dat wel het geval als de vrouw een gezin met jonge kinderen heeft. In dat geval gaat zij werken ten koste van haar gezin. (…)
Meijer –landbouw- is van opvatting, dat de zaak aan de verantwoordelijkheid van het gezin overgelaten moet worden. (…)
Peters –metaal- vraagt, of het wel nodig is, deze paragraaf in het program te handhaven. Als dat wel zo is, zou er in elk geval moeten staan, dat de beroepsarbeid van de gehuwde vrouw die van anderen niet in de weg mag staan.
Bakker (CNV) meent, dat men uitgaande van de rechtsgelijkheid van man en vrouw dit niet mag stellen.
De voorzitter (Van Mastrigt) wijst er op, dat ook in het vorige program een paragraaf gewijd was aan dit onderwerp. (…) Beroepsarbeid van de gehuwde vrouw moet mogelijk zijn. Wij moeten echter aangeven dat er bepaalde sociale bezwaren aan verbonden zijn, in verband waarmee het bedrijf, dat gehuwde vrouwen in dienst heeft, regelingen moet treffen.
Van Stapele –metaal- is van oordeel, dat wij een heilloze weg opgaan als we ons stellen achter de beroepsarbeid van de gehuwde vrouw, die uit andere motieven dan nood wordt aangevat. (…)
Nieuwenhuis –textiel-  vindt, dat we geen struisvogelpolitiek moeten voeren. Veel gehuwde vrouwen zullen zonder enig bezwaar een werkkring aanvaarden.
De voorzitter (Van Mastrigt) erkent dat. De verantwoordelijkheid moet echter bij het gezin blijven. (…)
Van Eibergen –bouw- stelt (het volgende voor): ‘Hoewel tegen de beroepsarbeid door de gehuwde vrouw in bepaalde gevallen bezwaren aangevoerd kunnen worden, is het Verbond van oordeel dat de beslissing, of de gehuwde vrouw beroepsarbeid zal verrichten alleen door haarzelf en haar gezin genomen kan worden met inachtneming van haar verantwoordelijkheid ten opzichte van gezin en samenleving.’ (…)
De Verbondsraad verenigt zich daarmee.’

Gelijkheidsbeginsel met pijn en moeite ingevuld

Voor eigen gevoel is het CNV er in geslaagd het gelijkheidsbeginsel op het gebied van betaalde arbeid in te vullen, maar het is met pijn en moeite. De ontwikkelingen staan echter niet stil. Het kabinet vraagt om advies aan de SER en dat leidt tot een interim-advies, dat in januari 1965 aan de orde komt in de Verbondsraad. Veel van de argumenten uit het debat in 1963 komen ook in deze ronde terug. Maar de SER wil verder gaan dan het schroomvallig accepteren van beroepsarbeid door gehuwde vrouwen.
In de Verbondsraadsvergadering van januari 1966 – waarin het SER-advies wordt besproken – herinnert Lanser –metaal- er nog eens aan dat de vakbeweging er in het verleden voor geijverd heeft ‘dat het inkomen van de man zo zou worden dat de vrouw niet buiten de deur hoeft te gaan werken. Nu wordt er alles aan gedaan om het werk in het bedrijfsleven voor de gehuwde vrouw zo aangenaam mogelijk te maken’. A. Niemantsverdriet –diensten- wijst er op dat vrouwen vooral gaan werken om het gezinsinkomen te verhogen, als dat hoog genoeg is dan trekken zij zich weer van de arbeidsmarkt terug, zo ‘blijkt uit berichten uit Duitsland en met name uit Frankrijk’. De wens moet hier wel heel erg de vader van de gedachte zijn. De discussie draait feitelijk om het woord ‘bevorderen’. De Verbondsraad is unaniem in zijn oordeel dat ‘alle stimuleren van arbeid van gehuwde vrouwen buitenshuis afgewezen (moet) worden’. Tjeerdsma, die namens het CNV in de commissie van voorbereiding zitting heeft, meldt dat hij zich in dat verband verzet heeft tegen andere openingstijden van winkels en tegen het inrichten van crčches.[x] De beslissing om buitenshuis te werken is weliswaar de verantwoordelijkheid van de gehuwde vrouw en haar gezin, maar dat wil nog niet zeggen dat de keuze gemakkelijk gemaakt behoeft te worden.
In de SER gaat de discussie verder en in december 1966 wordt het advies vastgesteld.[xi] De Verbondsraad gaat unaniem akkoord en in het 31ste Verslag wordt nauwelijks stilgestaan bij alle overwegingen, die de Verbondsraad bezighielden. Het Verslag meldt dat het advies in overeenstemming is met het sociaal-politiek program uit 1963, waarin staat dat ‘de beslissing tot de uitsluitende beslissing van man en vrouw samen behoort’. Dat er ook bezwaren zijn geopperd tegen het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw is blijkbaar op een zijspoor in de vergetelijkheid geraakt.
De deelname van gehuwde vrouwen in Nederland is in de jaren ’60 laag in vergelijking met andere Europese landen en zal nog lang laag blijven. Het kostwinnerbeginsel is stevig verankerd in de Nederlandse cultuur en het CNV heeft duidelijk moeite met die culturele verandering. Een verandering, die tot op zekere hoogte het gevolg is van het eigen streven naar goed opgeleide en mondige burgers. De opvattingen in de samenleving veranderen onder invloed van de ‘tweede feministische golf’, maar het CNV – dat altijd ijverde voor een samenleving waarin de man de kost verdient voor vrouw en kind – verzet zich, maar zal in de loop van de jaren merken dat de organisatie zich wellicht kan verzetten, maar dat de leden dat niet doen. De vraag naar beroepsarbeid door de gehuwde vrouw komt in de jaren ’70 en ’80 opnieuw aan de orde als de werkloosheid sterk stijgt. Het debat laat zien dat de cultuuromslag een pijnlijk en moeizaam proces is, waarbij lang niet alle argumenten rationeel kunnen worden genoemd.
De discussie richt zich zó op de vraag of betaalde beroepsarbeid voor vrouwen wel kan, dat verzuimd wordt na te denken over de gevolgen voor de vakbeweging. Het werven van vrouwelijke leden – in de vooroorlogse jaren regelmatig een zaak van aandacht en zorg – speelt geen rol. Uit de beschikbare ledencijfers is overigens niet te achterhalen hoeveel vrouwelijke leden het CNV in de jaren ’60 heeft.
_____

 Noot:

Op internet is een integrale versie te vinden van het boek van Piet Hazebosch ‘Voor het volk om Christus’ wil’(2009): Zie https://books.google.nl/books?id=X8MuILQv9QEC&pg=PA848&dq=Piet+Hazenbosch+Om+Christus+wil&hl=nl&sa=X&ei=SiiTU_PeCajiywPBzIFA&ved=0CDsQ6AEwAA#v=onepage&q=Piet%20Hazenbosch%20Om%20Christus%20wil&f=false