Het geheugen van de vakbeweging

Verzuiling en kostwinnersmodel houden vrouwen lang uit het arbeidsproces

Vrouwen aan het werk

Suze Fokker, Affiche Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, 1898

De cijfers liegen er niet om. De arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland in de twintigste eeuw was laag – een stuk lager dan in omringende landen. Vrouwen werkten hard, maar vooral binnenhuis, en onbetaald. Er is wel verondersteld dat de sterke traditie van het mannelijk kostwinnerschap is terug te voeren tot de zeventiende eeuw. Niets is minder waar. Het sterke beeld van het mannelijk kostwinnerschap vertroebelde lange tijd het zicht op de rijke geschiedenis van vrouwenwerk.

Wetten beperkten de mogelijkheden voor vrouwen om actief te zijn op de arbeidsmarkt. Tot 1956 waren bijvoorbeeld alle gehuwde vrouwen handelingsonbekwaam. Ze konden geen contracten aangaan of grote aankopen doen. En een echtgenoot kon zelfs beschikken over haar inkomsten uit arbeid. Ambtenaressen werden op de dag na hun huwelijk ontslagen. Pas in 1955 nam de Tweede Kamer – met nipte meerderheid – de motie van Corrie Tendeloo aan, die een einde maakte aan deze regel. Daarna mochten gehuwde vrouwen blijven werken, en hun eigen geld verdienen – al was het nog helemaal niet gezegd dat hun loon even hoog als dat van mannen zou zijn. Het verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) uit 1951 dat mannen en vrouwen voor gelijk werk ook een gelijke beloning moesten ontvangen, werd in Nederland pas ruim twintig jaar later geratificeerd. Pas in 1975 volgde de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen.

Bittere noodzaak

Er is wel verondersteld dat de lage arbeidsparticipatie van vrouwen zijn wortels had in de zeventiende eeuw. Nederland maakte een ongekende economische groei door. De welvaart in de Gouden eeuw zou een vroege realisatie van het zogenaamde ‘huiselijkheidsideaal’ mogelijk hebben gemaakt. Veel eerder dan elders konden vrouwen het zich hier permitteren om zich terug te trekken van de arbeidsmarkt om zich volledig te wijden aan het huishouden, en zorg voor man en kinderen – zo was het idee. Maar dat blijkt niet te kloppen. We kunnen zelfs stellen dat vrouwen met hun arbeid hebben bijgedragen aan de rijkdom in de Republiek. Door het gebrek aan bronnen is het echter niet eenvoudig om de arbeidsparticipatie van vrouwen in cijfers uit te drukken. Maar een ding is zeker: er werd hard gewerkt.

Voor de meeste vrouwen was dat natuurlijk bittere noodzaak. Veel vrouwen hadden geen ‘kostwinner’ die voor hen het geld inbracht. Het percentage ongehuwden in de pre-industriële samenleving was hoog. Vanwege het grote belang van zeevaart gingen veel gehuwde vrouwen in de praktijk tijdelijk of voor langere periodes zónder man door het leven. En tot slot leidden de hoge sterftecijfers tot veel weduwen in de samenleving. Zij waren genoodzaakt in hun eigen onderhoud te voorzien. Maar getrouwde vrouwen werkten doorgaans ook. Anders dan in de twintigste eeuw betekende het huwelijk in de pre-industriele periode zeker niet automatisch het einde van (betaald) werk. Al was de burgerlijke status wel degelijk van belang voor het soort werk dat vrouwen uitvoerden – zeker in de traditionele ambachtelijke sectoren.

Gabriël Metsu, De haringkoopvrouw, ca. 1661/2, Rijksmuseum Amsterdam

Verliefd, verloofd, getrouwd, verweduwd

De huwelijkse status had veel invloed op het soort werk dat vrouwen verrichten. In traditionele ambachten was het werk georganiseerd rondom het gezin. Vrouwen waren te vinden in allerhande ambachtelijke beroepen, maar hun betrokkenheid bij de organisatie was gering. Dat begon al in de fase van de opleiding. Meisjes hadden meestal geen toegang tot de opleiding die jongens wel genoten. Als zij zich bekwaamden in het vak dan leerden zij de beginselen thuis, in informele sfeer, in de werkplaats van hun vader. Veel traditionele gilden sloten vrouwen uit van lidmaatschap, en al helemaal van bestuurlijke functies.

Gehuwde vrouwen waren formeel uitgesloten van de meeste traditionele gilden, maar niet van werk. Het was gebruikelijk dat gehuwde vrouwen hun man in diens werk ‘assisteerden’. In feite betekende dit nogal eens dat het gehuwde koppel sámen het ambacht of de werkplaats runde die op zíjn naam stond geregistreerd. Na de dood van een echtgenoot veranderde de formele status van de meewerkende echtgenote. Veel gilden kenden namelijk het zogenaamde ‘weduwenrecht’. Dit stelde vrouwen in staat om na het overlijden van hun man het ambacht voort te zetten, al dan niet voor een bepaalde tijd, en al dan niet bijgestaan door een meesterknecht.

Mannengilden – vrouwengilden

In veel traditionele ambachten hadden vrouwen een belangrijke rol als meewerkende dochter of echtgenote. Maar de groei van loonarbeid verschafte vrouwen ook toegang tot de arbeidsmarkt buiten het gezin om. De opkomst en groei van exportindustrieën was daarbij belangrijk. De vraag naar goedkope arbeid was groot. En dat verruimde de beroepsmogelijkheden voor vrouwen. Het bekendste voorbeeld is ongetwijfeld de textielindustrie. Duizenden vrouwen sponnen het garen voor de lakense stoffen die vanuit Leiden via Amsterdam over de hele wereld werden geëxporteerd. Maar ook in bijvoorbeeld de lijndraaierij,  pijpmakerij, zoutziederij, knoopmakerij,  diamantslijperij, katoendrukkerij, bierbrouwerij, distilleerderij, op papiermolens of bleekvelden werkten vrouwen.

Zo mans- als vrouwen-werk, van kunstenaars, ambachtsliên, / En winkeliers, kunt gy, ô kinderen! hier zien, Hermanus Numan, 1806 – 1830 (detail) Rijksmuseum

De organisatiegraad onder vrouwen was doorgaans gering. Soms vielen beroepen waarin vrouwen werkten onder een (mannen-)gilde. Zo waren naaisters vaak aangesloten bij de kleermakers en werd bijvoorbeeld het werk van (mannelijke én vrouwelijke) koekjesverkopers door bakkersgilden gecontroleerd. Een uitzondering was het gilde van de hekelaarsters in Gouda, die vlas en hennep kamden voor de lijndraaierij. Het was werk dat vooral door vrouwen werd gedaan. En hoewel de gildebrief uit 1655 bepaalde dat zowel ‘Baesen ende Vrouwen’ zich moesten aansluiten, is dit ‘Heeckelsters Gilde’ als een zeldzaam voorbeeld van een vrouwengilde de geschiedenis in gegaan.

Aantrekkingskracht van de stad

De grote variatie in het werk dat vrouwen in Nederland verrichtten hangt sterk samen met de sterk gecommercialiseerde economie en de verstedelijking. In Holland woonde in de achttiende eeuw maar liefst zo’n zestig procent van de bevolking in de stad. Dat had belangrijke gevolgen voor de arbeidsmarkt. De landbouw was gespecialiseerd. Boer en boerin werkten op het agrarisch bedrijf, samen, maar wel met elk met hun eigen taken. Want het werk was duidelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen. Meiden woonden in en werkten mee. En, afhankelijk van het soort landbouw, was er meer of minder werk voor de landarbeidsters. Het werk in loondienst op de boerderij was vaak seizoensgebonden. Met extra werk als spinnen, breien, wassen of naaien moest het inkomen worden aangevuld.

In de stad waren perspectieven ruimer. Het spectrum aan beroepen was er veel groter dan op het platteland. De productie van allerhande goederen, de uitgebreide handel, de vele markten en winkeltjes en de groeiende dienstensector genereerden werk. Voor mannen én voor vrouwen. De vraag naar dienstboden groeide met de uitbreiding van de stedelijke burgerij. Talloze jonge vrouwen en meisjes trokken naar de stad op zoek naar een baantje als meid. De uitgebreide dienstensector voorzag vrouwen van ander werk. Ze verdienden de kost als logementhoudsters, tapsters en herbergiersters, als (vaak slecht betaalde) arbeidsters, of ze gingen als handelaarsters – ambulant, op de markt of in winkels – aan de slag.

Binnenmoeders, bewaarvrouwen en bruggenwachters

De stad was ook zelf als werkgever van belang. Steden boden hun inwoners voorzieningen en de stedelijke bureaucratie breidde zich uit. Sociale zorg, medische zorg en onderwijs groeiden. Samen met de toename aan allerhande controlerende en coördinerende taken door de stedelijke overheid zorgde dit voor werk: hoge ambten, lage ambten, betaalde functies en onbetaalde functies, gespecialiseerde taken en baantjes waar maar weinig scholing voor nodig was. Uit stadsrekeningen, eedboeken en ambtenlijsten kunnen we opmaken dat ook vrouwen een aanzienlijk deel van dit werk verrichten.

Gasthuizen en weeshuizen boden werk aan binnenmoeders die samen met de binnenvaders, bijgestaan door een team van zaalmoeders, dienstbodes en keukenmeiden, en onderworpen aan het gezag van regenten en regentessen, het aan hun toevertrouwde grote huishouden bestierden. Bewaarvrouwen, of (kost)schoolhoudsters konden na een licentie van de stad aan de slag. Vroedvrouwen die na een periode van zelfstandige vestiging een betrekking in dienst van de stad konden bemachtigden, wisten zich verzekerd van een relatief redelijk basisinkomen.

Niet alle vrouwen stonden op de loonlijst van de stad. Soms voerden zij het werk uit voor eigen rekening. De inkomsten waren meestal schamel. De status van het werk was laag. Vrouwen hadden bovendien nauwelijks toegang tot bestuurlijke taken. Toch is de uitdijende bureaucratie voor werkende vrouwen zeker belangrijk geweest. Vrouwen waren niet gebonden aan het werk van een echtenoot, maar konden zelfstandig – bijvoorbeeld-  als turftonsters, zoutmeesters, steendraagsters, bruggenwachtsters of marktopzichtsters enig geld verdienen.

Consumptie

Consumptiepatronen veranderden in de achttiende eeuw. Er kwamen nieuwe producten op de markt. Vanuit de Oost en de West werden koffie, thee, suiker en cacao aangevoerd. Ze vonden hier gretig aftrek. Het aantal winkeltjes nam toe, evenals het aantal vrouwelijke handelaarsters. Mode werd belangrijk en trends volgden elkaar in korte tijd op. De diversiteit aan goederen die je kon kopen werd steeds groter. Al die nieuwe producten moesten worden gemaakt en worden verhandeld. Er was misschien enig, maar niet al teveel kapitaal nodig om een klein handeltje te beginnen. Producenten zochten goedkope arbeidskrachten. Dat bracht werk voor naaisters, hoedenmaaksters, breisters, kantwerksters, kantverkoopsters, verkoopsters van goedkope stoffen, linnen, katoen, accessoires, fournituren, koffie, thee, cacao met zich mee.

Waarom is die rijke geschiedenis van werkende vrouwen in ons collectieve geheugen zo vervaagd? De ontwikkelingen uit de negentiende en twintigste eeuw hebben daaraan bijgedragen. Volgens de officiële cijfers daalde het aantal vrouwen dat betaald werk verrichte sterk. Nu zeggen die cijfers niet alles. Vrouwen die meewerkten in het bedrijf van hun man, op de boerderij of in de detailhandel, werden bijvoorbeeld niet tot de beroepsbevolking gerekend. Ook beroepen in de categorie huiselijke diensten, waarin juist veel vrouwen werkten, werden niet altijd meegeteld. Toch nam het werkelijke aandeel van vrouwen wel af.

Gezin van een turfsteker in Overijssel

Nederland industrialiseerde pas laat, rond 1870. De omvang van de industriesector bleef lang relatief beperkt. Vrouwen vonden wel emplooi in industrieën. In sommige bedrijfstakken domineerden vrouwen, die dan ook al snel als ongewenste concurrentes werden gezien. Het werk was duidelijk gescheiden naar sekse en ook leeftijd speelde een rol. Het werk in fabrieken werd vooral verricht door meisjes en jonge vrouwen. De verandering in huwelijkspatronen speelde vermoedelijk mee in de veranderende arbeidsparticipatie. Meer vrouwen trouwden. En juist voor gehuwde vrouwen vond men betaald werk ongepast.

Een dwingend ideaal

Het idee dat mannen de kost verdienden en vrouwen zich om huis, haard, man en kinderen dienden bekommerden is geen uitvinding van de negentiende eeuw. Zorg voor huishouden en (kleine) kinderen was altijd vrouwenwerk geweest. Maar eerder belemmerde het vrouwen niet of veel minder om betaald werk te verrichten. Andersom was ook in de negentiende eeuw de thuisblijvende huisvrouw voor veel gezinnen financieel gezien nog geen haalbare kaart. Toch werd het mannelijk kostwinnerschap wél steeds meer de norm. Doordat vrouwenlonen zo laag waren, was de bijdrage van werkende moeders aan het gezinsinkomen vaak maar beperkt. Haar inzet als huisvrouw in de zorg en opvoeding van kinderen en goed bestier van het huishouden kon meer opleveren.

Fabrieksarbeidsters in de schoenenfabriek van Jan van Arendonk in Tilburg

Het mannenloon werd steeds meer gezien als loon waarvan men een gezin moest kunnen onderhouden. En vakbonden deelden dat idee. Socialistische vakbonden waren tegen een beroepsverbod voor gehuwde vrouwen en vrouwen staakten voor hoger loon. Maar belangen van georganiseerde mannen en vrouwen waren in de praktijk nogal eens tegengesteld. Een werkende vrouw bezette de arbeidsplaats van een werkende man. Het kunnen onderhouden van een gezin was voor vakbonden een argument vóór hoge(re) mannenlonen.

Zicht op arbeid

Het dwingende ideaal had nadelige gevolgen voor ongehuwden. Het versterkte immers het idee dat vrouwen toch vooral thuis hoorden te zijn. Zoals gezegd konden lang niet alle vrouwen zich een bestaan zonder werk veroorloven. Verenigingen als Tesselschade en Arbeid Adelt die kort na 1870 werden opgericht, trokken zich het lot van onvermogende vrouwen uit de gegoede stand aan. Ze stimuleerden de ‘kunst- en arbeidszin’ van vrouwen. Ze moedigden vrouwen ook aan om de producten van hun arbeid te verkopen om in de financiële nood te voorzien.

Kansen waren gekeerd. Het ideaal van het mannelijk kostwinnerschap zorgde er in elk geval voor dat het zicht op vrouwenarbeid verminderde – althans bij de gegoede burgerij. Dat wordt duidelijk uit het doel waarmee in 1898 de Nationale tentoonstelling van Vrouwenarbeid ter gelegenheid van de troonsbestijging van de jonge koningin Wilhelmina werd georganiseerd. De organisatrices wilden – betaalde en onbetaalde – arbeid van vrouwen zichtbaar maken. Voor veel vrouwen was werk gewoon noodzakelijk gebleven. In tentoonstellingszalen werden de industriële, maar ook andere ‘producten’ van vrouwenarbeid gepresenteerd.

De geschiedenis van vrouwenarbeid in de twintigste eeuw laat zich lastig in een paar zinnen samenvatten. De beroepsarbeid van vrouwen was gevarieerd, het ritme werd evenwel sterk door leeftijd en levensfase gedicteerd. Vrouwen stopten met werken als zij trouwden – dat werd de norm. De weinige vrouwen die rond 1950 in loondienst werkten waren vaak jong en hadden geen gezin. De hardnekkigheid van het kostwinnersideaal hangt zeker ook samen met de verzuiling. Zuilen beconcurreerden elkaar in zedelijkheid en hielden daarmee de norm van de thuisblijvende huisvrouw stevig in stand.

Huisvrouwenland

Prent, uitgegeven door de Katholieke Arbeiders Beweging (K.A.B.), 1950

Het was de eeuw waarin Nederland bekend stond als ‘huisvrouwenland’, later als ‘deeltijdbanenland’. Nederland had het patent op parttime werk. Het duurde lang voordat de arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen die in omringende landen evenaarde. Maar hard gewerkt werd er wel – betaald, onbetaald én ook aan de verbetering van de arbeidspositie.

Werk en opleiding voor vrouwen waren, naast kiesrecht, belangrijke strijdpunten geweest in de eerste feministische golf. Het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid dat na de tentoonstelling in 1898 was opgericht pleitte voor hogere lonen voor vrouwen en betere arbeidsomstandigheden. Vrouwen begonnen zich te organiseren. Ze veroverden geleidelijk een plaats binnen de vakbeweging, streden soms samen met mannen en organiseerden zich soms in afzonderlijke bonden.

Na de eerder genoemde afschaffing van beperkende wetten, ging de strijd voort. Tijdens de tweede feministische golf stonden het recht op betaald werk, kinderopvang om dit mogelijk te maken én een eerlijke verdeling van zorgtaken hoog op de agenda. Inmiddels zijn man en vrouw voor de wet gelijk. In de afgelopen decennia groeide het aandeel van vrouwen op de arbeidsmarkt en evenals het aantal economisch zelfstandige vrouwen. Toch zijn deze twee zaken – toename van betaald werk en economische zelfstandigheid – nog steeds kerndoelen van het huidige emancipatiebeleid. En, ook de mogelijkheid om betaald werk met onbetaalde arbeid te combineren staat nog altijd hoog op de agenda. Want als er iets constant is gebleven in de lange geschiedenis van vrouwenarbeid, dan is dat het wel: huishoudelijk werk was vrouwenwerk.

Ariadne Schmidt

April 2017