Het geheugen van de vakbeweging

Verborgen of vergeten geschiedenis – Matrozenbond

Voor de BVMMP, de Bond voor Minder Marine-Personeel, in de volksmond Matrozenbond genoemd, is 1914 een bijzonder jaar. Zo verbiedt minister J.J. Rambonnet alle activiteiten van de bond aan boord van de schepen. Maar ook wordt het nieuwe bondsgebouw De Burcht in Den Helder geopend.

De Burcht van de Matrozenbond in Den HelderDe Burcht van de Matrozenbond in Den Helder

Vanwege het uitbreken van de oorlog vaart de bond al welbewust een rustiger koers. Rambonnet heeft daar geen boodschap aan. De repressie wordt voortgezet. Bondsblad Het Anker is verboden lectuur. Wat niet wil zeggen dat het bondsblad niet gelezen wordt. 
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog organiseerde de bond ruim tweederde van alle manschappen, ongeveer drieduizend personen. De korporaals en de onderofficieren hadden eigen bonden. Deze waren, gelet op het verleden van de leden, sterk sociaaldemocratisch gezind.
De marineleiding grijpt de kans om hem en de bond dwars te zitten. In 1916 worden bondsvoorzitter Toering en de bondssecretaris vanwege een oproep om een handtekening te zetten voor een bepaalde actie oneervol ontslagen. Toering stond vier jaar voor zijn pensioen en had er een diensttijd van ruim 25 jaar opzitten. De verontwaardiging is groot. Het herinnert de leden aan de tijd van minister Ellis twaalf, dertien jaar daarvoor. Deze potentaat ontsloeg in een tijdsspanne van nog geen twee jaar tot driemaal toe het complete hoofdbestuur van de Matrozenbond. 

Socialisten

De vakbeweging bij de marine ontwikkelt zich op een vergelijkbare wijze als de vakorganisaties in het bedrijfsleven. Aanvankelijk organiseerden schepelingen zich naar hun vak (matroos, torpedomaker, stoker, monteur, konstabel, marinier), stand (de ongegradueerden van derde tot en met eerste klasse) of rang (korporaal/kwartiermeester, sergeant/bootsman, sergeantmajoor/ schipper en adjudant-onderofficier of opperschipper). Na de opbouwfase bundelen ze zich in grotere verbanden. 
Het zijn socialisten die als eersten het initiatief tot vakorganisatie nemen. Deze maritieme vakbondspioniers moeten niets hebben van collega-schepelingen die, gesteund door kerk en geestelijk adviseur, zich in een wat latere fase gaan organiseren. Daar zijn vermakelijke anekdotes van bekend. In 1910 deed de eerste vlootpredikant zijn intrede. De bond keek in de kerk en oordeelde. Het aantal schepelingen werd geteld en juichend werd verslag gedaan van het geringe aantal bezoekers. 

De eerste vlootaalmoezenier H.A.M. Alink die in november 1914 werd aangesteld, geeft in zijn dagboek zijn indrukken van een kerkbezoek: “De grootste narigheid is het, als je de gedwongen kerkgangers mopperend in de kerk ziet zitten, iedereen in de omtrek tot last.” De confessionele verenigingen blijven klein van omvang, de leden zijn gezagsgetrouw en de minister van marine heeft een makkie aan ze.

Gedenkboek

Ter lering voor de nieuwe leden kwam de bond al bij zijn tienjarig bestaan in 1907 met een gedenkboek uit. Het werd door de marineleiding meteen op de zwarte lijst geplaatst. Naast Terugblik, de autobiografie van matroos Meijer, en de jaargangen van Het Anker is het gedenkboek een zeer informatieve en lezenswaardige bron over het vakbondswerk van een unieke beroepsgroep.
Momenteel overweegt een werkgroep sociale geschiedenis in Den Helder in 1997, honderd jaar na de oprichting van de bond, tot een herdruk van het gedenkboek te komen. In de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam liggen bovendien de dagboekaantekeningen van een reis die Meijer in het begin van deze eeuw aan boord van Hr.Ms. pantserschip ‘NoordBrabant’ naar Batavia maakte. Het is een verslag van en over het leven van een zeeman, een beroepsmilitair die tevens sociaaldemocraat is en zich scherp bewust is van de koloniale verhoudingen in Indië. Het is een uniek egodocument dat je niet zonder ontroering vasthoudt en leest. Zeker waard om in 1997 naast het gedenkboek uitgegeven te worden.
Het zijn twee schriften over het leven aan boord, de avonturen onderweg, reisimpressies, intieme onthullingen over drankmisbruik en seksualiteit. In zijn beschrijvingen klinken zijn linkse stellingname en openhartige opvattingen over politiek en gezagsverhoudingen door. Meijer had ervoor in de boeien geslagen kunnen worden. 
Overdag had Meijer geen tijd om zijn indrukken neer te pennen. Hij moest het bovendien doen buiten het gezichtsveld van de officieren. Zijn collega’s kon hij vertrouwen. Dus schreef hij ’s nachts onder buitengewoon moeilijke omstandigheden zijn verhaal, terwijl om hem heen zijn medematrozen aan het werk waren. Aan boord waren maar twee plaatsen met elektrische verlichting. In het verblijf van de officieren en in de ruimte waar de matrozen ’s nachts de aardappels moesten jassen. 
Een reis naar Indië betekende dat men jarenlang buiten Nederland zat. Meijer beschrijft op humoristische wijze tot in detail hoe moeilijk het was om al je persoonlijke bezittingen in een plunjezak te stouwen. Je kon niet erg veel meenemen, maar deze marineman slaagde er toch nog in een boek van Marx mee te smokkelen. 

Een moderne vakbond

De BVMMP had zijn eigen culturele en politieke identificatie- en demonstratiesymbolen. Het mooie en stijlvolle bondsgebouw drukte het politieke zelfbewustzijn van de matrozen uit. Zoals Meijer het schrijft, “een heerlijk monument van eenheid, offervaardigheid en solidariteit”. De Algemeene Bond voor Nederlandsche Marine-Matrozen, vanaf 1908 de Bond voor Minder Marine-Personeel, kunnen we beschouwen als een moderne vakbond. Hij behartigt de belangen van de schepelingen, een categorie werknemers bij de rijksoverheid.  Hij komt op voor zowel een verbetering van de arbeidsvoorwaarden als de politieke, zedelijke en culturele verheffing van de matroos.
De materiële belangenstrijd wordt geplaatst in een breder maatschappelijk, emancipatorisch perspectief. Het is een vakorganisatie met vrijgestelde bestuurders (ontslagen schepelingen), eigen bondsblad, bondsgedenkboek en een op manifestaties en demonstraties trots meegedragen bondsvaandel, waarbij de schepelingen hun eigen bondslied zongen:
“Werkers, waar g’ook zwoegt en lijdt,
Zijn wij niet van enen bloede?
Striemt ons niet dezelfde roede
Welker scherpte gij ook lijdt?
Hebben wij soms ruimer recht,
Minder plichten, groter vrijheid?
’t Zonnelicht van levensblijheid
Is ‘t niet ons, als u ontzegd?
Janmaat voelt het en verstaat:
Eén is ‘t juk dat w’allen dragen,
Eén de strijd die heeft te wagen
’t Ganse proletariaat!”
Het lied getuigt van het klassebewustzijn van de matrozen. De voortdurende uitingen van klassestrijd – dat was overigens alles wat maar naar belangenbehartiging zweemde – zijn een bron van irritatie en woede voor de marine-autoriteiten. Om die reden wordt de bond in 1904 de rechtspersoonlijkheid ontnomen. De marineleiding hoopte dat het gevoel lid te zijn van een verboden vereniging de matrozen zou doen afhaken.

Rode naam

Na de opwindende gebeurtenissen in de maand november 1918, de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog, veranderde er veel bij de zeemacht. Het revolutionaire tij leidde tot een aantal maatregelen die gunstig waren voor de vakbeweging en de positie van het marinepersoneel. Na een reeks van beroepsmilitairen werd H. Bijleveld jr. burgerminister van marine in april 1919. Een maand na zijn aantreden bracht hij al een werkbezoek aan het bondsgebouw. De bond herkreeg zijn rechtspersoonlijkheid en Het Anker mocht weer aan boord verschijnen.
Bovendien kwam er overleg over de arbeidsvoorwaarden door de instelling van het Georganiseerd Overleg Zeemacht. Bij de marine verenigden de drie neutrale bonden zich in 1920 in tot het Comité tot behartiging van de Algemene Belangen van het Marinepersoneel beneden den Rang van Officier, kortweg CAMBO genoemd. Voor de vertegenwoordigers van de CAMBO-bonden was het een bron van frustratie dat zij op gelijke voet werden behandeld als de vertegenwoordigers van de Christelijke Bond en St. Christophorus die veel minder leden telden.
Net als voor andere categorieën overheidspersoneel viel er voor de marinemensen op arbeidsvoorwaardelijk vlak vanaf 1922/1923 niet zo veel meer binnen te halen. Soms werden ze zelfs overvallen door een forse salarisvermindering. Schorsing van het Georganiseerd Overleg, soms maanden achter elkaar, deelname aan protestbetogingen, het hielp allemaal niet zo veel. 
Een motie van het SDAP-kamerlid F.W.N. Hugenholtz, een paar jaar na de oorlog om de liquidatie van de vloot voor te bereiden, moet vele SDAP-marinemensen in politieke verwarring hebben gebracht. De strijd om de Vlootwet in 1923, waar nog een kabinet op sneuvelde, zal de onzekerheid vergroot hebben. Het neemt niet weg dat het grootste deel van het lagere marinepersoneel de SDAP trouw bleef. Versterkt door gebeurtenissen in Indië bleven de CAMBO-bonden een rode naam houden. Twee van de drie CAMBO-bonden, de BvMMP en de Bond van Korporaals verenigden zich in 1931 in de Bond van Marineschepelingen.

Niet bij het NVV

We krijgen de indruk dat de Matrozenbond zich vooral om tactische redenen niet heeft aangesloten bij het NVV. Er zijn duidelijke, politieke en ideologische banden tussen bond en centrale. Al voordat het NVV werd opgericht, spiegelde de Matrozenbond zich aan de Diamantbewerkersbond die de spil zou worden van het NVV. Op 12 december 1898 hield Jan van Zutphen voor een groot aantal matrozen in Den Helder een inleiding over “Nut en noodzakelijkheid der Vakbeweging”. W.H. Meijer is er zeer over te spreken: “Hij deed het zó goed, zó eenvoudig en algemeen menselijk, dat van die tijd af het ledental met sprongen omhoog ging.” 
Bij de opening van De Burcht houdt Jan Oudegeest, voorzitter van het NVV, een redevoering waarin hij de Matrozenbond dankt voor de vele strijders die hij heeft geleverd voor de arbeidersbeweging. In het feestnummer van Het Anker dat ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan in 1927 wordt uitgegeven, zinspeelt Evert Kupers (NVV-voorzitter) op een mogelijke aansluiting van de Matrozenbond bij het NVV. Het is er niet van gekomen.

Een eigen gebouw: De Burcht

Niet zomaar een gebouw

Jaren is er voor gespaard. Duizenden marinemensen hebben er centen en dubbeltjes van hun traktement voor opzij gelegd. Op een mooie zaterdag in de maand juni van het jaar 1914 is het dan zover. Op uitbundige wijze wordt het imposante kantoor van de bond in Den Helder in gebruik genomen. De pers staat er uitgebreid bij stil. Het Volk, waar de meeste schepelingen op geabonneerd zijn, wijdt er een enthousiast artikel aan. De marineleiding schittert door afwezigheid. Wél aanwezig zijn kopstukken uit de sociaaldemocratische beweging, onder wie Kamerleden en het bestuur van de SDAP. De opening is een hoogtepunt in het arbeidsleven van de voorzitter van de Matrozenbond Hilbert Toering.

Het kantoor is niet zomaar een gebouw. Het wordt De Burcht genoemd. Deze scheppingvan architect Piet Kramer wordt al meteen vergeleken met die van zijn collega Berlage, het paleis van de Diamantbewerkersbond in Amsterdam. Architectonische vakbladen spreken zich waarderend uit over Kramer’s eerste grote werk. De Burcht groeit uit tot het bolwerk van de sociaaldemocratie in Den Helder.
W.H. Meijer blikt in zijn autobiografie trots terug: “Op 26 October 1913 werd de eerste steen gelegd en op Zaterdag 20 en Zondag 21 Juni 1914 vond de feestelijke opening plaats, onder zéér grote, ja overweldigende belangstelling van geheel de Nederlandse arbeidersbeweging. Namens de oudgasten was, voor de monumentale ingang van het gebouw, een door Hildo Krop ontworpen gedenksteen ingemetseld van ongeveer één bij twee meter, voorstellende een matroos, die een anker (symbool van “Het Anker”) door een stormachtige zee in veiligheid brengt. Namens de oud-leden en vrienden van de Bond, heb ik deze steen, met een kort toepasselijk woord, overgedragen. Het waren voor ons allen een paar onvergetelijke dagen.”
Harry Peer
Bronnen:
– W.H. Meijer, Terugblik. Herinneringen van een sociaal-democraat. Van Gennep Amsterdam 1981.
– J.L. Swarte, Spreekpunt 1971. 25 Jaar VBZ en wat daaraan vooraf ging. VBZ Den Helder 1971.
– J.R. Bruijn, Marinevakbonden tussen wereldoorlog en muiterij (1914-1933), In: Tijdschrift voor zeegeschiedenis, jaargang 9, 1990, nummer 2.
– L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 1 Voorspel. Staatsuitgeverij, ‘s-Gravenhage 1969.
Dit verhaal is een enigszins bewerkte versie van het artikel van Harry Peer dat verscheen in Solidariteit nr. 65, februari 1994.