Het geheugen van de vakbeweging

Louis Groen: “In de jaren zeventig, tachtig paste aandacht voor vakbondsgeschiedenis in de grote maatschappelijke interesse voor de vakbeweging. Mannen als Arie Groenevelt, Leo Brouwer, Cees Schelling, Wim Kok schreven toen ook elke dag nieuwe geschiedenis.” Foto: Jacques van Gerwen


Louis Groen over de oprichting van de Vakbondshistorische Vereniging

‘Van syndicalen tegen modernen’

“Na drie jaar werken in de bouw kwam ik in 1972 als jongeren medewerker bij de Katholieke Bond van Bouw en Houtarbeiders St. Joseph te werken. Drift 8, in Utrecht. En leerde ik over het verleden van de bond. Ruim daarvoor had mijn vader mij al geïnspireerd bij de bond te gaan. Je was ten slotte in katholiek verband altijd bij een organisatie aangesloten. Hij als tuinder bij de LTB. Ik bij Sint Joseph, niet geheel toevallig ook een timmerman.

“Begin januari 1972 was een gedenkwaardig moment, want tegelijk met het begin van mijn vakbondscarrière als jongerenmedewerker, werd de eerste paal geslagen voor een nieuw kantoor voor de in lichte federatievorming verkerende Bouw en houtbonden van NKV en NVV. Pas toen ik in 1974 in dat kantoor in Woerden ging werken, merkte ik pas goed dat er soorten vakbondsgeschiedenissen waren. Het NVV zat nu naast ons, we werkten er zelfs mee samen. Ik begreep dat beide verankerd waren in een eigen zuil en geschiedenis.

Dit zijn mijn beren

“Toen ik scholingsmedewerker werd in 1976 en Jeroen Sprenger er bij kwam, was er de grote ontdekking van het interessante van geschiedenis. Jeroen had en heeft wat met de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Had zelfs al een boekje geschreven, Dit zijn mijn beren, over een opstand in mei 1823 van werkers bij de aanleg van het Groot Noordhollands kanaal. Van enige vorm van vakorganisatie was toen in de verste verten nog geen enkele sprake.

“Mijn belangstelling groeide voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Die, werd mij uitgelegd, breder was dan die van de vakbeweging. Ook de politieke bewegingen van arbeiders hoorden daarbij. Voor kaderavonden van de Federatie van Bouw en Houtbonden NVV-NKV maakte de afdeling Scholing en Vorming een fraaie diaserie, met een zo gelijk mogelijke aandacht voor beide bondsgeschiedenissen. Districtsbestuurders vertoonden die daarna op kaderscholingsavonden overal in het land. Om zo op plaatselijk afdelingsniveau elkaars geschiedenis beter te leren kennen. Immers  straks moesten ook de afdelingen fuseren. Afgezien van een kleine tot mislukking gedoemde oprisping van een districtsbestuurder, tevens hoofdbestuurder van de Bouw en Houtbond NKV, over een vermeende historische onjuistheid, ging de diaserie er in als Gods woord in een ouderling.

“‘Scholing en Vorming’ kreeg de smaak te pakken en zette vervolgens een meerjarige kadercursus op, naar analogie van die van de Industriebond NVV. En ook daarin werd ruim baan gegeven aan de geschiedenis van de vakbeweging.

Projectgroep Vormingswerk en Vakbeweging

“Vanuit al die interesse, was deelname aan de bijeenkomsten van de studenten van de ‘Projectgroep Vormingswerk en Vakbeweging’, een studiegroep van de subfaculteit Andrago(lo)gie van Jelle Visser en Albert Benschop, een kleine stap. Regelmatig kwamen die bij elkaar en ook scholingsmedewerkers van de bonden waren welkom. Studenten liepen ook stages bij bonden en zo leerde ik Karin Adelmund, Wim Sprenger, Wouter Waleson, Folkert Catz en en Iske ter Haar kennen.

“In die – inderdaad goede – tijd, paste de vakbondsgeschiedenis heel wel in de grote maatschappelijke interesse in de vakbeweging en haar verleden. Mannen als Arie Groenevelt, Leo Brouwer, Cees Schelling, Wim Kok schreven toen ook elke dag nieuwe geschiedenis. Die in krant en op TV ruim werd uitgemeten. De Haagse Post kon nog niet uit zijn of iedereen wierp zich weer op een nieuw bondsartikel of diepte interview en al niet vermeende verschillen van opvatting.

Dromen van een vakbondsmuseum

“Er was dus een grote maatschappelijke aandacht voor de vakbeweging en daarbinnen ook voor de geschiedenis. Binnen de eigen gelederen maar ook daarbuiten waren er dromen over een vakbondsmuseum.

“Tegelijk bleek dat veel oud vakbondsmateriaal verdween of ternauwernood van de teloorgang werd gered. In dat verband noem en roem ik Fred Roco, NVV/FNV districtsbestuurder in Amsterdam. Want deze eigenzinnige Fred – met zijn voor anderen volstrekt onduidelijke, uit allerlei uitlosse velletjes bestaande agenda systeem met allerlei kleurtjes, dikke en dunne letters – gaarde allerlei vakbondsspullen, die realia heten in museale taal, leerde ik later, bij elkaar. Vaandels, vlaggen, notulenboeken, beeldjes, speldjes, jubileum boeken. Noem maar op. Het lag daar net zo ongeordend en chaotisch als de bewaarder zelf af en toe was.  Maar het was er wel en het groeide. Want zo’n beetje ieder kaderlid van welke bond dan ook kende Fred en velen leverden spullen van pa en ma en overgrootvader af op Vondelstraat 70 in Amsterdam. Fred hield ook regelmatig bijeenkomsten, schonk daarbij thee uit een pot die hij in hooi warm hield, om nieuwe aanwinsten te tonen en over een museum te dromen.

“Terwijl Fred Roco verzamelde, dachten Dick Visser en Wout Tuinenburg, samen met Eric Fischer van het IISG na over een vakbondsmuseum. Dat zou moeten komen in De Burcht, toen nog in gebruik als districtskantoor van de Industriebond.”

“Terwijl Fred verzamelde, dachten Dick Visser en Wout Tuinenburg, samen met Eric Fischer van het IISG in onderling overleg na over een vakbondsmuseum. Dat zou dan moeten komen in De Burcht, toen nog in gebruik als districtskantoor van de Industriebond.

“Na een bijeenkomst op de universiteit, waar ik Selma Leidesdorff en haar broer Loet ontmoette en nog enkelen onder wie Carry van Lakerveld, adjunct directeur Amsterdams Historisch Museum, was er discussie over de vraag of er geen vereniging tot oprichting van een museum moest komen.

“Wat was wijsheid?

  • Er was een basis-initiatief bij Fred Roco.
  • Er werd gefluisterd dat Dick Visser met het IISG ook bezig was.

“Wat was dus wijsheid? Kon je, waar Dick Visser bezig was, ook een vereniging oprichten die primair beoogde realia voor teloorgang te behoeden en die mogelijk nadien een vakbondsmuseum voorstond. Omdat van enige concreetheid van Visser / Tuinenburg / Fischer niets bekend was, durf ik wel te stellen dat ik de stoute schoenen heb aangetrokken en na wat overleg hier en overleg daar, heb gezegd: Dan richten we toch en vereniging op?

“Met een aantal mensen werd een werkgroepje in elkaar gezet. Fred Roco, Wim Rotermundt, Wietske van Agtmaal en Wim de Vrind.

Parallel

“Bij het schrijven van dit verhaal zag ik in de ontstaansgeschiedenis van een vakbondsmuseum een parallel met  de situatie in 1904, toen na het echec van de spoorwegstaking er twee elkaar bestrijdende groepen, de modernen en de syndicalen tegenover elkaar stonden.

  • Fred Roco c.s. als de syndicalen, weinig structuur, geen kassen / geld, geen gebouw.
  • Dick Visser c.s. als modernen met kassen / kapitaal, met een gebouw en veel structuur en relaties met onder meer het IISG en de Centrale Verzekeringsmaatschappij.

En, net als in 1904, hielden de partijen elkaar scherp in de gaten!

“Om niet hard met de ‘modernen’ in aanvaring te komen, brachten we veel structuur aan.

  • Het moest een vereniging worden. Betalende en besluitende leden. Dat de VHV nu een Stichting is past ook weer in de huidige situatie, maar toen waren we daar absoluut niet voor.
  • In de naam zou geen verwijzing naar een museum komen, maar wel werd aangeven dat het om vakbondshistorie ging.
  • De vereniging zou geen eigen verzameling aan leggen. Het materiaal dat we in bezit kregen zou naar IISG en vergelijkbare instituten gaan. We spraken niet over de wens op langere termijn een museum te willen stichten.
  • We zouden ons richten op de hele vakbeweging, NVV en NKV = FNV, CNV en MHP
  • Om ons clubje ‘syndicalen’ enige status te geven zorgden we ook voor een heuse Raad van Advies, waarin directeuren van bijvoorbeeld het IISG moesten komen, vertegenwoordigers van de drie vakcentrales, Jan Schaefer en Wil Albeda.
Ondertekening VHV-oprichtingsakte, 15 oktober 1983, vrnl Wim Rotermundt, Wietske van Agtmaal, Louis Groen en notarissen.

“Nadat zo alle zorgvuldigheid aan de dag was gelegd om enerzijds wel een officiële club het licht te doen zien en anderzijds geen ruzie te forceren met de ‘modernen’, kon dus de stap naar de notaris worden gezet. En dat was op 15 oktober 1983, 35 jaar terug.

De eerste activiteiten

“Al snel timmerde de VHV aan de weg:

  • met een tentoonstelling in de Meervaart. Met die tentoonstelling is denk ik wel een zodanig visite kaartje afgegeven dat later een hele grote permanente tentoonstelling in het gebouw van FNV Bouw in Woerden mocht worden gemaakt.
  • Het door Fred Roco verzamelde materiaal bleef nog geruime tijd bij hem, want ja van wie was dat eigenlijk? Hij was niet happig dit uit handen te geven, maar uiteindelijk is dat met wat duwen en trekken toch gebeurd. Daarna lag ons materiaal opgeslagen op Plein ‘40 – ‘45 waar Wietske, die in dienst van de VHV was gekomen, kantoor hield en de VHV activiteiten organiseerde.
  • Na eerst nog op de Vondelstraat te hebben vergaderd, mochten we later vergaderen in De Burcht en hadden we daar ook wat opslagruimte.

“De VHV kreeg veel waardering en ook aanhang, wat leden opleverde. Ik weet nog dat er in het begin heel wat werk zat in het handmatig bijhouden van ledenbestand, betalingen en vervolgens het maken van de Jaarstukken. En ja, na enkele jaren kwamen na ons als syndicalen met hun VHV, de modernen met hun museum. En wat voor een en wat jammer dat hij ook weer gesneuveld is.

“Bij de gratie van de oprichters mocht de VHV een bescheiden plaatsje hebben in het museum en werden we de vrienden van het vakbondsmuseum. Maar dat heb ik als VHV bestuurder allemaal niet meegemaakt. De VHV bestond en draaide, ik was als districtsbestuurder druk bezet en had in Tom Simonis een waardig opvolger gevonden als penningmeester. Ik meen dat ik een gezonde kas en ruim 200 leden over droeg.

Louis Groen

Mede-oprichter van de VHV

Eerder uitgesproken bij de VHV Vriendenbijeenkomst, 3 november 2018