Het geheugen van de vakbeweging

Van ‘personeelskernen’ naar ondernemingsraden

Harry Peer schetst ontwikkeling medezeggenschap in Nederland

In de VHV Leergang 2015 heeft Harry Peer op 7 maart 2015 de geschiedenis van de medezeggenschap van de werknemers Behandeld. Als voorlopers van de ondernemingsraden noemde Peer de kernen die Van Marken (1878) en Stork (1883) hadden opgericht. Dat kwam Geert Wagenaer bekend voor omdat hij al lang geleden kennis had gemaakt met de handleiding voor kaderleden van de Nederlandse Katholieke Bond van hogere, middelbare en lagere technici en chemici. Dat was een ringband van september 1964 met schriftelijke informatie en directe voorlichting, waarin ook het ‘ontstaan en instelling van de ondernemingsraad’ aan bod kwam.

Harry Peer tijdens zijn college op 7 maart 2015Harry Peer tijdens zijn college op 7 maart 2015

Het was nog maar een begin om kaderleden “bij de tijd” te houden en de bedoeling was meer onderwerpen op deze wijze te gaan behandelen. In principe stond de indeling, inhoud en samenstelling vast. Opmerkingen, suggesties en wensen waren welkom.
Terug naar de les. Harry Peer schetste vervolgens de ontwikkelingen in het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw waarin het aantal (fabrieks- en beambten-) kernen groeide. In de beginperiode namen meerdere werkgever initiatieven met kernen. Opvallend was dat de handarbeiders steeds vaker hun eigen vertegenwoordigers mochten kiezen en dat de bij het kiezen van de beambten- en bediendenvertegenwoordigers de werkgevers veel langer een vinger in de pap hielden. “Baas in eigen bedrijf” was een permanent herkenbare liberale ‘blauwe’ draad.
Beroepsverenigingen en vakbonden stimuleerden de oprichting van kernen door afspraken te maken in de cao’s. Veel werknemers die zitting namen in die kernen waren lid van een vakbond, die vanouds veel aandacht schonken aan scholing en vorming van kaderleden.

Wet op de ondernemingsraden

Na de Tweede Wereldoorlog werd de medezeggenschap van werknemers een belangrijke aangelegenheid. In 1950 kwam de Wet op de ondernemingsraden tot stand waarmee een belangrijk fundament werd gelegd. Ook met de wettelijke bescherming van OR-leden werd feitelijk een begin gemaakt.
De Wet op de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO) zorgde er voor dat door middel van bedrijfschappen en productschappen aan de bonafide vakbonden medezeggenschap werd gegeven. In de Stichting van de Arbeid kregen de centrale organisaties van werk-gevers en werknemers adviserende taken, die later werden overgenomen door de Sociaal Economische Raad (SER). De SER en speciaal gevormde ‘bedrijfscommissies’ werden bij de het OR-werk betrokken bij de goedkeuring van reglementen en het verlenen van uitzonderingen bij speciale situaties.  Er werd heel wat over geschreven en door middel van cursussen werden OR-leden ondersteund. Wat nu normaal is moest destijds nog stap voor stap worden “uitgevonden”.

Uitbreiding bevoegdheden

De Wet op de ondernemingsraden vormde de basis voor verdere invoering en uitbreiding van de medezeggenschap in ondernemingen. In de jaren ’50 werd veel aandacht besteed aan de wettelijke bepalingen, de concept-reglementen, de verkiezingsprocedures en dergelijke. De wet is in de loop van de achterliggende 65 jaar verschillende malen gewijzigd en de bevoegdheden werden steeds verder uitgebreid. Harry Peer zette de belangrijkste op een rij.
Er kwamen concern- en centrale ondernemingsraden, Europese ondernemingsraden. Ondernemingsraadsleden werden geheel of gedeeltelijk ‘vrijgesteld’. Een aantal OR-en  besloten vergoedingsregelingen voor de werkzaamheden vast te stellen. Dat ontlokte wel eens kritiek bij de achterban. Door verschillende ondernemingsraden werden ‘ambtelijk’ secretarissen aangesteld die veel voorbereidende werkzaamheden verrichtten en bij de uitvoering van besluiten een belangrijke rol kregen toebedeeld.
Geert Wagenaer
Maart 2015

VHV Leergang College 3 – Haary Peer – Geschiedenis medezeggenschapp en ondernemingsraad