Het geheugen van de vakbeweging

Van oorlog, vluchtelingen, emancipatie en bloeiende bloemen

Het jaar 1916

Op het moment dat ik dit schrijf vergaderen de leiders van de EU-landen in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. De traditionele financieel-economische en sociaal-politieke onderwerpen zijn wat op de achtergrond geraakt. De politici buigen zich over het welzijn van hun burgers in samenhang met de opvang van de vluchtelingen uit het Midden-Oosten.

Notenkraker, 18 april 1916Notenkraker, 18 april 1916

Hadden we honderd jaar geleden maar zo’n samenwerkingsverband gehad als de Europese Unie. Nu is er oorlog en ellende in het Midden-Oosten en kunnen de Europese landen gezamenlijk hun houding daar tegenover bepalen. In 1916 waren de Europese naties in een bloedige strijd met elkaar verwikkeld.

Slachtpartijen

Twee slachtpartijen staan in het geheugen gegrift. De Slag bij Verdun tussen de Duitsers en de Fransen duurde bijna het hele jaar 1916, van 21 februari tot 18 december, met een schatting van 700.000 doden en een miljoen gewonden.  
De Slag aan de Somme vond plaats van 1 juli tot 18 november. Al op de eerste dag vielen aan de Somme 60.000 Britse doden, gewonden en vermisten te betreuren. Tegen het verlies van honderdduizenden soldaten veroverden de Britse en Franse soldaten aan de Somme in 4˝ maand tijd circa 10 kilometer grond op de Duitsers.  
Met veel diplomatiek kunst- en vliegwerk slaagde het kabinet-Cort van der Linden (1913 -1918) er destijds in Nederland neutraal te houden. Dat betekende niet dat Nederland helemaal buiten de Groote Oorlog bleef. We hadden er op veel manieren mee te maken. Er werden bijvoorbeeld een miljoen Belgische vluchtelingen opgevangen en veel mannen werden aan het arbeidsproces onttrokken en gemobiliseerd. Op allerlei plekken werden soldaten in grote gebouwen ingekwartierd. Op 13 en 14 januari 1916 verdronken bij een stormvloed  19 mensen in de provincie Noord-Holland en kwamen er voorts nog 32 personen door scheepsrampen om het leven.

‘Bijzondere’ overledenen

Er overleden in Nederland in 1916 zes personen die we vanwege hun emancipatorische inzet voor het volk in het algemeen en hun achterban in het bijzonder naar voren halen. Ik geef hieronder van hen een korte beschrijving.
Op 25 januari stierf in zijn geboortestad Amsterdam Mattijs Willem Smit, bestuurder van de Christelijke Typografenbond in Nederland en van het Christelijk Arbeidssecretariaat en het Christelijk Nationaal Vakverbond.  Aanvankelijk was de jonge letterzetter Smit lid van de Algemeene Nederlandsche Typografenbond. Maar aangezien bij Smit de gedachte postvatte dat hij als christen niet met hele en halve socialisten kon samenwerken richtte hij met andere christelijke arbeiders een afzonderlijke vereniging op. Daarmee begon zijn vakbondsleven.  
We maken een stap in de tijd van ongeveer 15 jaar. In 1909 werd Smit bij de oprichting van het CNV tweede voorzitter, een bestuursfunctie die hij combineerde met het voorzitterschap van de typografenbond en van de afdeling Amsterdam van die bond. Grote bewondering komt op als je erbij stil staat dat Smit zijn vakbondswerk verrichtte naast een 10-urige werkdag als letterzetter, waarbij hij ook nog vaak moest overwerken.
Van zijn tijd als ‘vrijgestelde’ in dienst van de bond vanaf november 1914 heeft Smit niet lang kunnen profiteren. Alhoewel vurig van geest stierf Smit moe en versleten op 49-jarige leeftijd.
Op 16 februari verdronk Jan Ligthart, 57 jaar oud, in het Kanaal bij Laag-Soeren. Net als Smit geboren in een arm gezin in de Jordaan verdiende Ligthart zijn sporen als voorman in de onderwijzers(vak)beweging (het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap) en maakte hij internationaal naam als onderwijsvernieuwer. Van 1885 tot zijn dood was Ligthart hoofd van de Openbare School voor Onvermogenden in de Haagse Tullinghstraat.
Ligthart kon zijn ideeën op onderwijsgebied kwijt in tijdschriften die hij mede zelf oprichtte en waarmee hij als redacteur en auteur een groot publiek bereikte. Ligthart schreef samen met de Groninger kweekschoolleraar Scheepstra ruim dertig schoolboekjes voor het lees-, taal- en biologieonderwijs.
Alhoewel geen partijman, had Ligthart duidelijk socialistische sympathieën en had goed onderwijs voor arbeiderskinderen extra zijn aandacht.
Jeltje de Bosch-Kemper overleed net als Ligthart op 16 februari 1916, met 79 jaar wel een stuk ouder dan hem. Haar wieg stond eveneens in de hoofdstad, maar wel in een totaal ander milieu dan de twee voorgaande personen. Zij werd geboren in een deftige sociaalvoelende juristenfamilie, haar vader was jonkheer, advocaat-generaal en hoogleraar in de rechtswetenschap. Moeder overleed toen Jeltje acht jaar was.
Jeltje zette zich op vele manieren in voor de emancipatie van vrouwen. Zo was ‘de Freule’ bijvoorbeeld 25 jaar voorzitter van het hoofdbestuur van de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging ‘Tesselschade’,  die zich inzette voor economische zelfstandigheid van vrouwen.
Als vierde noemen we Dirk Bos, hij overleed op 53-jarige leeftijd op 6 mei 1916. Bos is geboren en getogen in Groningen waar hij wis- en natuurkunde studeerde en in 1888 promoveerde. In 1883 kreeg hij een aanstelling als leraar aan een gymnasium in Winschoten waar hij zich ook vestigde.
Vanaf dat jaar werd Dirk Bos op vele terreinen politiek en maatschappelijk actief.  In 1893 kwam hij voor de liberale kiesvereniging in de gemeenteraad en gaf hij bovendien zijn leraarschap op om medefirmant van een groothandel in koffie en thee te worden. Hij bleef zich zijn hele leven voor volksontwikkeling inzetten, via openbare bibliotheken, musea en een goede dag- en weekbladpers.  
Als actief lid van de Liberale Unie moest hij steeds zijn houding bepalen ten opzichte van de Sociaal-Democratische Bond en de SDAP. Vanwege de kiesrechtkwestie trad Bos in 1901 uit de Liberale Unie en kwam in hetzelfde jaar voor de mede door hem zelf opgerichte Vrijzinnig-Democratische Bond in de Tweede Kamer.
In 1913 bood Bos als kabinetsformateur de SDAP regeringsdeelname aan. De mislukking van de formatie ervoer Bos als een nederlaag. Bos was voorzitter van de commissie die in maart 1916 een ontwerp voor financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs presenteerde.  
Het rooms-katholieke volksdeel wordt in dit verhaal vertegenwoordigd door Willem Passtoors. Hij werd op 17 november 1856 geboren in een gegoede boerenfamilie in Zundert en overleed net als Dirk Bos, die hij zeker zal hebben gekend, op 6 mei 1916. Hans van den Eeden heeft onlangs een mooie biografie over hem geschreven waarvan de titel zijn levensloop goed typeert: Willem Passtoors. Vakbondspionier, parlementariër en burgemeester van Ginneken en Bavel.  
Het gezin Passtoors verhuist in 1878 naar Amsterdam. Willem Passtoors werkt daar onder andere als behanger en grossier in sigaren en tabak. Hij krijgt bekendheid tot ver buiten eigen kring wanneer hij in 1888 de Nederlandsche R.K. Volksbond opricht. De aanleiding is de verontwaardiging over de uitsluiting van de katholieke kleine man van de viering van het tienjarig pontificaat van paus Leo XIII. De R.K. Volksbond was bedoeld als een brede organisatie, zowel middenstanders, ambachtslieden als industriële arbeiders konden zich erbij aansluiten. Passtoors zou er voorzitter van blijven tot 1908.  
Passtoors kwam in 1901 voor het kiesdistrict Beverwijk in de Tweede Kamer.  Hij was de eerste ‘arbeiders’- vertegenwoordiger voor de katholieken. Hij ging zich steeds meer roeren binnen de opkomende katholieke vakbeweging waarbij hij een houding moest bepalen tot de bisdommen. Schaepman, voorzitter van de deftige Katholieke Kamerclub, kon de populaire Passtoors luchten noch zien. In 1908 werd Willem Passtoors benoemd tot burgemeester van het Brabantse Ginneken en Bavel.
Als laatste in deze opsomming noemen we A.S. Talma.  Lammert de Hoop en Arno Bornebroek hebben een zeer geprezen biografie over ‘de leeuw van Patrimonium’ geschreven De rode dominee A.S. Talma (2010).  Aritius Sybrandus Talma is geboren te Angeren op 17 februari 1864.
Nadat hij theologie had gestudeerd in Utrecht was hij tussen 1888 en 1901 als Nederlands-Hervormd predikant werkzaam in opeenvolgend Heinenoord, Vlissingen en Arnhem. Daar maakte hij kennis met het zware werk en het beroerde leven van arbeiders wat hij zich sterk aantrok. Het zette hem aan tot veel activiteiten op het sociale vlak, onder andere in Patrimonium en vanaf 1901 als Anti-Revolutionair Kamerlid. Als minister van Handel, Nijverheid en Landbouw tussen 1908 en 1913 legde Talma met allerlei wetten de basis voor het sociale zekerheidsstelsel. Hij overleed te Haarlem op 12 juli 1916.

Deze tekst mag niet blijven staan als een overlijdensadvertentie. Er bloeien ook mooie bloemen op in 1916 (hiernaast de Waterlelies van Monet uit dat jaar). In dat jaar werden mijn moeder en schoonmoeder geboren in respectievelijk Didam en Den Haag. Oost en West kunnen elkaar best vinden.

Harry Peer
Januari 2016
 Bron: voor de gegevens van de zes genoemde personen is gebruik gemaakt van delen van het Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Stichting Beheer IISG, Amsterdam.