Het geheugen van de vakbeweging

Willem Jelle Berg: "De nazi-ideologie stond in de zienswijze van het CNV haaks op de christelijk-sociale leer"
Willem Jelle Berg: “De nazi-ideologie stond in de zienswijze van het CNV haaks op de christelijk-sociale leer”


Vakbeweging in oorlogstijd – 2

Welke keuzes moet je maken?

In 1898 ging Antoon Stapelkamp werken bij een knopen- en kammenfabriek. Hij was toen 12 jaar. Na twee jaar werd hij lid van het CNV. Alhoewel ik zeg CNV, hij werd lid van de Nederlandse Bond van Christelijke Fabieks- en Transportarbeiders. Deze bond zou zich later aansluiten bij het CNV. Dat CNV, als koepel van vakbonden van gelijke signatuur, werd pas later opgericht, namelijk in 1909.

Voor deze tijd minder goed voor te stellen, maar om even een beeld schetsen: Het CNV, nu ongeveer 250.000 leden had aan het begin van de oorlog in 1940 ongeveer 120.000 leden, verdeeld over 22 bonden. Eigenlijk was het vakbondslandschap toen ongeveer gelijk aan het huidige. De socialistische vakcentrale NVV was drie keer zo groot met bijna 350.000 leden en de katholieke vakcentrale bijna twee keer zo groot met bijna 200.000 leden. Relatief zijn de verhoudingen ongeveer gelijk gebleven.

Antoon werd actief in de bond en werd bestuurder en in 1931, 45 jaar oud, werd hij lid van het bestuur van de vakcentrale CNV, waar hij in 1935 voorzitter van werd.
Zo begon ik een bijdrage in het onderduikersmuseum bij een regionale bijeenkomst van Nederlandse en Duitse vakbonden in Aalten. Dit was een bijeenkomst over de opvang van Duitse vluchtelingen en vakbondsleiders voor de oorlog. Het mooie was. Stapelkamp kwam uit het oosten, en wel uit Aalten.

CNV vóór de oorlog

Hoe werd er in die tijd omgegaan met de ontwikkelingen bij onze oosterburen in die vakbond? Met name een document uit 1934 is daarin veelzeggend, het CNV wijst fascisme daar onomwonden en om veel redenen af. Overigens, dat ging niet zonder slag of stoot. Stevige discussie tussen bestuurders van de vakcentrale en tussen bonden leidden uiteindelijk tot dit resultaat. Lidmaatschap van de NSB en het CNV was niet verenigbaar. De nazi-ideologie stond in de zienswijze van het Vakverbond haaks op de christelijk-sociale leer. Als je de stukken bekijkt dan is het zo dat CNV het Nationaal Socialisme en het Fascisme afwijst is omdat het systeem het harmoniemodel afwijst, een belangrijk grondbeginsel van het CNV. In de verklaring wordt daarom naast het NSB gedachtengoed ook het communisme afgewezen. Immers beiden zijn totalitaire systemen en wijzen het overleg en het harmoniedenken af. Het CNV ging verder. Leden van de NSB werden geroyeerd. Dit leidde nog tot vrees dat dit veel leden zou kosten, maar het bleken er uiteindelijk maar 73 te zijn. Overigens dat was geen alleenrecht van het CNV. Ook het NVV en de radicalere vakbonden wezen de NSB af en deden veel aan opvang van Duitse intellectuelen en vakbondsleiders.

CNV in de oorlog

Over de rol van het CNV in het opvangen en daarna, het laten onderduiken van Duitse politieke vluchtelingen, heb ik weinig kunnen vinden. Ook in het boek over de geschiedenis van CNV (Voor het Volk, Piet Hazenbosch, 2009, De Banier opnieuw Geheven, van o.a. die Stapelkamp en Doorgeweld gedwonen, van Van Dijk en werkman) kan ik daar niets over terug vinden. Veel van mijn bijdrage vandaag heb ik aan deze bundels te danken en vooral aan de website die Agnes Jongerius in 2009 opende: Vakbeweging in de Oorlog.

CNV’ers in Sint-Michielsgestel

Het CNV als organisatie werd in 1941 gedwongen zich op te heffen en onderdeel te worden van het al eerder onder Duits gezag gestelde NVV. Bestuurders van het CNV weigerden dit, hieven het CNV op en daarmee was het CNV ten einde. Leden werd opgeroepen hun lidmaatschap op te zeggen. In 1942 werden 460 Nederlandse bestuurders en intellectuelen als gijzelaars vastgehouden in interneringskamp Sint Michielsgestel. Vele CNV Bestuurders, zoals Antoon Stapelkamp en CNV-secretaris H. Amelink, die al voor 25 juli 1941 waren opgepakt en onder meer enige tijd in het concentratiekamp Buchenwald hadden vastgezeten, behoorden tot de gijzelaars. Een aantal van hen heeft de oorlog niet overleefd.

De brede vakcentrales

Vakcentrales, vakbonden, bestuurders en leden. Ze werden door de bezetter als vijandig gezien. Stap voor stap palmde de bezetter de vakbeweging in. Een directe, eensgezinde reactie vanuit de vakbeweging bleef uit. Steeds weer stonden de vakbondsmensen voor de keuze: in de moeizaam opgebouwde organisaties blijven, of die verlaten. De bezetter verbood al snel alle links radicale vakcentrales. In de grootste vakcentrale, het socialistische NVV, zag de bezetter de eenheidsorganisatie waar uiteindelijk alle andere vakorganisaties in moesten opgaan. De confessionele vakbeweging kon in eerste instantie onafhankelijk, maar onder toezicht voortbestaan.

Bestuurders en leden

Vakbondsbestuurders en –leden kwamen voor moeilijke keuzes te staan. De één koos een principiële houding, de ander had een meer praktische benadering. Allen moesten zij bepalen of zij de lijn van hun organisatie zouden volgden of hun eigen weg gaan. De verdeeldheid was groot en zorgde ervoor dat de vakbeweging niet één front vormde.  Alle maatschappelijke organisaties werden tijdens de bezetting naar Duits voorbeeld onder nationaalsocialistisch gezag geplaatst. Het doel was het hele maatschappelijke leven te beheersen. Ook wel gelijkschakeling genoemd. In etappes, want anders zou er te veel verzet ontstaan.

Overname van het NVV

Marxistische organisaties en organisaties onder invloed van de vrijmetselarij of ‘angelsaksische elementen’ waren een eerste doelwit. Vakorganisaties vielen hier ook onder. Op 16 juli 1940 ontbood Werner Hellwig, vertegenwoordiger van het Deutsche Arbeitsfront, het bestuur van de vakcentrale NVV en de voorzitters van de aangesloten bonden bij zich. NSB-er Hendrik Jan Woudenberg zou als commissaris de controle over het NVV overnemen. Zijn doel was het gelijkschakelen van de vakcentrale en het samenbrengen van alle Nederlandse arbeiders in één organisatie. De voorzitters werden gesommeerd door te werken. Over het besluit kon niet worden gediscussieerd en bezwaar maken werd door de Duitsers als een vijandige daad beschouwd. De reacties van de bondsbestuurders liepen uiteen. Hendrik van den Born, voorzitter van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond, stelde tijdens een overleg voor om gezamenlijk te weigeren.

Na de overname van het NVV verschenen Hellwig en Woudenberg die middag op het NVV-kantoor. Voorzitter Kupers en secretaris Simon de la Bella werden op staande voet ontslagen. Op zaterdag 20 juli kwamen de andere bestuurders in het gebouw van de Metaalbewerkersbond bijeen. Moesten zij het werk neerleggen? De meerderheid vond van niet. Het bleef niet bij ontslagen, want diezelfde avond werd de joodse De la Bella gearresteerd. Hij kwam in juli 1942 in concentratiekamp Dachau om het leven. Ook NVV-oprichter Henri Polak, eveneens joods, werd in die dagen door de Duitsers opgepakt. In totaal ontsloeg Woudenberg die weken 15 vakbondsbestuurders. De verslagenheid was groot.

Ook de andere vakcentrales en vakbonden kregen met maatregelen van de bezetter te maken. Eind 1940 koos de neutrale Nederlandse Vakcentrale (NVC) zelf voor fusie met het NVV. Maar de christelijke vakcentrales ontsprongen voorlopig de dans. Een paar uur nadat Woudenberg de leiding over het NVV had overgenomen deelde hij aan de voorzitters van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) en het Rooms-Katholiek Werklieden Verbond (RKWV) mee dat zij in plaats van een nieuwe leiding alleen een Duitse waarnemer toegewezen zouden krijgen. De Duitsers verwachtten te veel moeilijkheden met de kerken als zij de confessionele vakcentrales onder leiding van een NSB-er zouden plaatsen.

Voorlopig doorwerken

Op de maatregelen van de bezetter kwamen weinig reacties en de vakbeweging was verdeeld. Hoewel sommige vakbondsbestuurders wilden opstappen was ‘Voorlopig doorwerken’ het parool. Ook het NVV en de bij haar aangesloten bonden werkten door. Toen het oude NVV-bestuur een paar weken na de overname de situatie besprak, vonden zij het onbegonnen werk om de vakbondsleden tot algemeen verzet aan te sporen. Volgens de bestuurders was het onjuist om zomaar terug te treden.

Langzaam draaide Woudenberg in die beginperiode van de bezetting de duimschroeven aan. Joodse bestuurders werden ontslagen. Bovendien werd in de laatste maanden van 1940 een reorganisatie ingezet. De onrust in de bonden groeide. Ondanks het uitblijven van groot verzet zag de bezetter in dat de Nederlandse vakbeweging nog niet voor de nationaalsocialistische zaak was gewonnen en een volgende stap nodig was op weg naar de gelijkschakeling van de vakbeweging.

In het eerste jaar van de oorlog was de economische omstandigheid er ook naar, net als nu in crises. Werkloosheid stijgt en de bonden waren eigenlijk blij met een redelijk goede werkloosheidsregeling die de nieuwe machthebbers hadden ingericht. Ook gingen, net als voor de oorlog, vele Nederlandse werknemers, bijvoorbeeld in de seizoensgevoelige landbouwsector, werken in Duitsland, net als voor de oorlog.

De nieuwe orde

Met propaganda voor de grootse mogelijkheden van de ‘nieuwe orde’ en de successen van het Deutsche Arbeitsfront (DAF) wilde de bezetter de harten van de vakbondsbestuurders winnen. In november 1940 maakte een aantal vakbondsbestuurders na aandrang van de bezetter een studiereis naar Duitsland, om te zien wat daar ‘bereikt’ was. Anderhalve week reisde het gezelschap door Duitsland, kreeg de antisemitische film Jud Süss te zien en bezichtigde Duitse fabrieken. Dit leidde in een enkel geval tot positieve reacties. Zo was RKWV-voorzitter De Bruijn erg te spreken over de geest van kameraadschap in Duitsland. Veel van de economische maatregelen van de Duitsers vond hij vanuit vakbewegingsoogpunt positief. Voor sommigen waren maatregelen als een ontslagverbod, een verbod op prijsverhogingen en het reguleren van lonen goede ontwikkelingen.

Dit betekende niet dat de vakbondsbestuurders en -leden sympathie hadden voor de bezettingsmacht. Bijeenkomsten van de bezetter werden slecht bezocht en de bezetter werd hier en daar tegengewerkt. Hoe is het te verklaren dat de vakcentrales en bonden toch doorwerkten? De bezetting van Nederland en de overname van het NVV door Woudenberg hadden de vakorganisaties overrompeld. Bovendien leek het in 1940 nog mee te vallen met de bezetting. Het leek mogelijk om het leven zo veel mogelijk op de vertrouwde manier te laten verlopen. Bovendien verklaarden veel vakbondsbestuurders tijdens en na de oorlog dat zij zich verantwoordelijk voelden voor de opgebouwde organisaties en al het personeel dat in dienst was. Sommigen hoopten dat het eindelijk mogelijk zou zijn om eenheid in de vakbeweging te bewerkstelligen.

Verzet: de Februaristaking

Vanaf eind 1940 verkilde het klimaat en nam de bezettingsdruk toe. In februari 1941 vond de Februaristaking plaats. Deze eerste grootschalige verzetsdaad was een reactie op het antisemitische geweld van de Duitse bezetter in Amsterdam. Groeiende onvrede spoorde de stakers aan. Géén van de vakcentrales was bij de staking betrokken. Uiteraard keurde het nieuwe NVV-bestuur onder leiding van Woudenberg de staking af. Maar ook het oude bestuur, dat voor zover dat mogelijk was nog bijeenkwam, distantieerde zich van de staking. De Nederlandse arbeiders moesten het kruit droog houden. Staken was pas aan de orde als de bevrijding nabij was.

Twents verzet

Begin 1941 besloten Hellwig en Woudenberg dat er drastische maatregelen moesten worden genomen om de hele vakbeweging gelijk te schakelen. Met een volgende stap in de reorganisatie van het NVV hieven zij de 271 besturenbonden van het NVV op en vervingen deze door 72 districtskantoren. Bijna alle voorzitters van de aangesloten bonden protesteerden tegen de reorganisatie, maar in Twente was het verzet het sterkst. Al vanaf de zomer van 1940 voerden de Twentse NVV-bestuurders oppositie tegen het besluit om door te werken onder nationaalsocialistische leiding.

Stap voor stap werd de Nederlandse vakbeweging door de Duitse bezetter gelijkgeschakeld. De christelijke vakcentrales hadden een ‘beobachter’ in huis gekregen. Dat de confessionele bonden nog niet onder centraal gezag stonden was de bezetter een doorn in het oog. Voor de Duitsers was het in de zomer van 1941 tijd een volgende stap te zetten. Hellwig besloot per  25 juli 1941 het RKWV en het CNV gelijk te schakelen en deze vakcentrales onder te brengen in het NVV van Woudenberg. Deze maatregel hield direct verband met de inval in Rusland van het Duitse leger. De oorlog vergde een enorme inspanning, waardoor het voor de bezetter van groot belang was dat het achterland meewerkte. Op 30 juni waren alle politieke partijen, waaronder de Rooms-Katholieke Staatspartij en de Anti-Revolutionaire Partij, al verboden. De CNV-bestuurders H. Amelink en A. Stapelkamp, beiden actief in de ARP, werden gearresteerd. Tot eind 1942 werden zij gevangen gehouden, onder meer in concentratiekamp Buchenwald.

Toen op 22 juli werd aangekondigd dat Hellwig en Woudenberg op 25 juli bij de vakcentrales langs zouden komen, zagen de vakbondsbestuurders de bui al hangen. Ze hadden van de gebeurtenissen bij het NVV geleerd. Onmiddellijk werden de afdelingen, de confessionele besturenbonden en de leden opgeroepen het lidmaatschap op te zeggen als Woudenberg als commissaris zou worden aangesteld.

Mislukte overname

Op 25 juli 1941 maakte Woudenberg zijn opwachting bij het RKWV en het CNV. De vakcentrales werden ingelijfd bij het NVV en vertegenwoordigers van Woudenberg namen het bestuur over. Tot verbijstering van hun CNV- en RKWV-collega’s namen NVV’ers nu de boel over. Een traumatische ervaring voor de confessionele vakbondsmensen en iets dat zij het NVV nog lang zouden nadragen. Zowel bij de vakcentrales als bij de aangesloten bonden ondervond Woudenberg grote weerstand. Alle voorzitters van de confessionele bonden lieten aan Hellwig en Woudenberg weten dat zij niet onder Woudenberg door zouden werken. De voorzitter van de Nederlandse Rooms-Katholieke Metaalbewerkersbond J.G. van den Brink: ‘Als dr. Hellwig mij voor de keus stelt: medewerken of naar het concentratiekamp, dan kies ik het laatste. En als hij zegt: medewerken of anders de kogel, dan kies ik nog het laatste.’

Onder aanvoering van aartsbisschop De Jong keerde het bisschoppencollege zich openlijk tegen de beperkende maatregelen van de bezetter. Dat het RKWV onder een NSB’er was geplaatst was voor hem de druppel. Met een ‘mandement’ protesteerden de bisschoppen tegen de ‘ongehoorde gewetensdwang’ en ze verklaarden dat katholieken geen lid mochten blijven van een organisatie die onder nationaalsocialistisch bewind was geplaatst. Het mandement werd ondanks een verbod van de Rijkscommissaris in alle katholieke kerken voorgelezen. De bezetter ging tot de tegenaanval over. Als straf legden de Duitsers de kerk nieuwe beperkingen op. Om negatieve reacties te voorkomen kondigden zij tegelijkertijd ook verbeteringen in de sociale wetgeving aan.

Leegloop van de bonden

Na het mandement liepen de katholieke bonden snel leeg. Wie lid bleef, werd de heilige sacramenten onthouden. Om de gevolgen te verzachten richtte de katholieke kerk het Fonds Bijzondere Noden op, waar bijstand kon worden aangevraagd. Enkele weken na het mandement was aan katholieke zijde van de 180.000 leden van het RKWV nog maar 4% over. Voor de protestants-christelijke vakbonden was het moeilijker om zo krachtig op te treden. Door het ontbreken van een kerkelijke hiërarchie zagen de kerken het niet als hun taak om een officiële verklaring uit te brengen. Leden moesten zelf bepalen of zij de oproep van het CNV zouden volgen. Toch gaven ook de CNV-leden massaal gehoor aan de oproep van 25 juli om de bonden leeg te laten lopen. Rond de 80% van de CNV leden bedankte binnen enkele weken of staakte domweg de betaling van de contributie. Tegelijkertijd gaven steeds meer leden van het gelijkgeschakelde NVV uiting aan hun onvrede over de gang van zaken door hun lidmaatschap op te zeggen. Hierdoor daalde het ledental van bijna een half miljoen in juli 1941 naar ongeveer 230.000 eind oktober van hetzelfde jaar.

Kinnesinne binnen de vakbeweging

Nadat de confessionele bonden door de Duitsers aangepakt waren, ontstond binnen het NVV opnieuw verdeeldheid over de vraag of de bestuurders van het NVV door moesten blijven werken. De aangebleven NVV-bestuurders kregen van verschillende kanten felle kritiek. Een groep rond H. Oosterhuis van de Fabrieksarbeidersbond vond dat men zich solidair moest verklaren met de confessionele bonden. SDAP-voorman Koos Vorrink schreef in verschillende illegale publicaties dat de NVV’ers af moesten treden. Maar bij een aantal NVV’ers leefde al lang en heel sterk de behoefte om alle arbeiders in één vakcentrale onder te brengen. Bovendien was er oud zeer tussen de confessionele en de socialistische vakbeweging. Dat NVV’ers als gemachtigden voor de bezetter optraden is het NVV nog lang nagedragen. De opheffing van de confessionele bonden had niet het door de bezetter gewenste effect. Een arbeidsfront naar Duits model moest uitkomst bieden. Begin 1942 besloten de meeste bestuurders van het NVV dat zij zouden opstappen als er zo’n arbeidsfront zou komen.

Bij decreet van 30 april 1942 van rijkscommissaris Seyss-Inquart werd op de symbolische Dag van de Arbeid door de bezetter het Nederlands Arbeidsfront (NAF) opgericht. De NSB-er H. Woudenberg was als commissaris van het gelijkgeschakelde Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) de aangewezen nieuwe Arbeidsfrontleider. Naar Duits voorbeeld had het NAF als doel alle werkgevers en werknemers lid te maken van één en dezelfde organisatie. Het NAF kreeg de beschikking over alle bezittingen en vermogens van de opgeheven bonden en vakcentrales. Dit gold ook voor de 22 werklozenkassen die op 29 juni 1942 werden samengevoegd tot één werklozenkas.

Voor de meeste ‘oud’-bestuurders en leden van het NVV was met de oprichting van het NAF een grens overschreden. Eerder was afgesproken, dat men zijn functie zou neerleggen, zodra een Nederlands Arbeidsfront opgericht zou worden. De NVV-bestuurders hielden woord en dienden hun ontslag in. Maar nog altijd gingen 100.000 NVV-leden over naar het NAF. Onder hen verhoudingsgewijs veel landarbeiders: 25.000 van de 35.000 leden van de moderne Landarbeidersbond. Door seizoensarbeid was voor veel landarbeiders de kans op werkloosheid groot en een werkloosheidsuitkering onmisbaar. Het verklaart waarom eerder in 1941 ook bij Nederlandse Christelijke Landarbeidersbond (NCLB) ook relatief veel leden overstapten naar het NVV.

Het NAF was vanaf het begin een mislukking. Voor de bezetting hadden de bonden gezamenlijk 700.000 leden gehad; het NAF van Woudenberg slechts 100.000. Alleen al hierdoor was het NAF absoluut niet representatief voor de vakbeweging van vóór mei 1940. De functionarissen, voor drie kwart NSB-er, waren bovendien nauwelijks vertrouwd met het vakbondswerk. Uiteindelijk heeft de bezetter gefaald in zijn nazificatie van de vakbeweging. De Nederlandse vakbeweging werkte niet mee aan de volledige gelijkschakeling en werd daarmee een politieke tegenstander van de bezetter.

Illegaliteit: vakbeweging na de overname

Welke rol speelden de vakbondsmensen daarna nog in bezet Nederland? Was dit echt het einde of speelden zij een rol in het verzet? Op 4 mei 1941, werden 800 Nederlanders gearresteerd, onder wie bestuurders van de vakbeweging. In gijzelaarskamp Sint Michielsgestel onderhielden zij contact met elkaar en voerden gesprekken over de toekomst van de vakbeweging. Ook buiten het gijzelaarskamp bleven vakbondsmensen bij elkaar komen. Voor personeelsleden die hun functie hadden moeten neerleggen werd op verschillende manieren geld ingezameld. De katholieken richtten illegaal een Fonds voor Bijzondere Noden van het Episcopaat op, NVV-bestuurders konden rekenen op bijdragen uit het Kupersfonds en ook voor personeelsleden van het CNV werd geld opgehaald. Dat het geld voor deze doeleinden werd gebruikt moest strikt geheim blijven.

Illegale pers

Ook voor de vakbondsbladen was de opheffing van de vakorganisaties niet het definitieve einde. Een aantal vakbondsbladen ging in de illegaliteit verder. Andere illegale bladen waren vaak kritisch ten opzichte van de oude vakbeweging en ageerden tegen bestuurders die meenden na de oorlog de touwtjes weer in handen te kunnen nemen. De meeste vakorganisaties bleven illegaal bestaan. Bestuurders en leden bleven bijeen komen, er werd geld opgehaald en een klein aantal vakbondsbladen bleef illegaal verschijnen. Maar ze vormden geen haarden van ondergronds verzet. Dat resulteerde in verwijten vanuit het verzet, waar vergelijkingen werden gemaakt met landen als Frankrijk, waar vakbonden uitgroeiden tot onderduik- en verzetsorganisaties.

April-mei stakingen

In april 1943 maakte de bezetter bekend dat militairen die in mei 1940 gemobiliseerd waren geweest, zich moesten melden voor krijgsgevangenschap. Ondertussen eiste de arbeidsinzet steeds meer slachtoffers. Hierdoor braken de april-mei stakingen uit. De stakingen begonnen in de Twentse fabrieken en op het platteland van Noord- en Oost-Nederland en verspreidden zich vervolgens over het land. Na de Februaristaking was dit de tweede grote staking tijdens de bezetting. Bovendien was deze staking veel omvangrijker. De Duitsers traden hard op tegen de stakers. In Twente speelden voormalige bestuurders van het NVV een stimulerende rol bij het besluit tot staking over te gaan.

Raad van Vakcentralen

Voormalige vakbondsbestuurders hielden zich voornamelijk bezig met wat er na de oorlog zou moeten gebeuren. Hierover werd met de wettige regering in Londen contact gehouden en belangrijke documenten werden door de geheime berichtendienst naar Londen overgebracht. In ondergrondse bijeenkomsten spraken vertegenwoordigers van de voormalige vakcentrales en van de werkgevers over de opbouw van de naoorlogse samenleving. Uit gesprekken over mogelijke eenheid in de vakbeweging kwam in 1943 de Raad van Vakcentralen voort. De vakcentrales en bonden zouden hun autonomie behouden, maar wel nauwer samenwerken. Voor het vormgeven van het sociaal-economisch beleid na de oorlog werd een overlegorgaan met vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers voorbereid, de Stichting van de Arbeid.

In september 1944 riep de regering vanuit Londen op tot een derde grote staking: de spoorwegstaking. Een meerderheid van het spoorwegpersoneel gaf gehoor aan de oproep van de regering, waardoor de staking een groot succes werd. Verschillende voormalige bestuurders van de Nederlandse Vereniging voor Spoor- en Tramwegpersoneel speelden een belangrijke rol bij de voorbereiding en financiële ondersteuning van de staking. Ook werd er contact onderhouden met het oude Dagelijks Bestuur van het NVV.

EVC

Er werd door vakbondsmensen veel over eenheid in de vakbeweging gesproken. De Eenheidsvakbeweging (EVB), na de oorlog Eenheidsvakcentrale (EVC), voegde na de bevrijding van zuidelijk Nederland de daad bij het woord. Deze nieuwe vakcentrale, waarin leden van de ondergrondse communistische partij het voortouw hadden genomen, streefde een brede vakbeweging na en wilde de verdeeldheid van voor de oorlog doorbreken. Pogingen tot samenwerken mislukten echter door het radicalisme van de EVC. Dit versterkte met de aanvang van de Koude Oorlog. In plaats van een éénheidsbeweging werd de EVC onderdeel van de communistische beweging. Op 18 september 1944 werd Eindhoven bevrijd. Maar het einde was nog niet inzicht. De bevrijding stokte en het westen van Nederland ging een zware winter tegemoet, de Hongerwinter. Na de bevrijding lag Nederland in puin. Er was een oorlogsschade van 25 miljard gulden. Te midden van alle verwoestingen, evacuaties en bombardementen begon de vakbeweging aan de wederopbouw.

De vakbeweging kwam voor een dilemma te staan. Moesten de oude structuren terugkeren of was nu het moment aangebroken om tot eenheid te komen? Toch was de wederopbouw van de oude organisaties al snel een feit. Eind 1944 waren alle drie de vakcentrales heropgericht. Er werd begonnen met het publiceren van vakbondsbladen en het herwinnen van de leden. Gezamenlijk publiceerden NVV, CNV en RKWV korte tijd het blad Herrijzing. In het voorjaar van 1945 verschenen de oude vertrouwde bladen De Vakbeweging, Herstel en De Gids opnieuw. Ook richtten zij een Raad van Overleg op.

Liquidatie van het NAF

Er werd het Buitengewoon Besluit Verenigingen van Werkgevers en Werknemers afgekondigd. Dit besluit regelde de liquidatie van het NAF. Woudenberg had tijdens de oorlog ongeveer 800 verenigingen en organisaties geliquideerd, waarvan het vermogen naar het NAF was overgeheveld. Deze instellingen eisten na de oorlog hun deel op. Het duurde jaren voor alle claims waren afgehandeld.

Na de oorlog barstte de kritiek op een aantal NVV-bestuurders los. Een ereraad moest bepalen welke vakbondsbestuurders niet mochten terugkeren in hun oude functie. In een rapport oordeelde de Ereraad: ‘Er komt een ogenblik, dat gewettigd optimisme en wil tot volhouden overgaan in opportunisme en meegaandheid.’ Als peildatum werd de oprichting van het Nederlands Arbeidsfront gekozen. De bestuurder die daarna nog meewerkte met de bezetter mocht na 1945 niet meer terugkeren in een bestuursfunctie. Zo wilde het NVV schoonmaken in eigen huis en de kritiek het hoofd bieden. In totaal beoordeelde de ereraad 150 personen in 105 zaken. Gezien het andere verloop van de overname van de confessionele bonden werd door het CNV en het RKWV geen ereraad ingesteld.

Nasleep

Ook na de liquidatie van het NAF en de heroprichting van de vakcentrales bleven de ervaringen van de vakbeweging in de oorlog doorwerken. Tijdens jubilea en herdenkingen laaiden de discussies weer op. De frustratie over de rol die NVV’ers hadden gespeeld bij de liquidatie van de confessionele bonden op 25 juli 1941 zat diep. Voor veel vakbondsmensen was de Tweede Wereldoorlog een uiterst traumatische ervaring, omdat de vakbeweging niet de rol had gespeeld die achteraf het beste leek.

Persoonlijk

De oorlog is mijn familie ook niet onopgemerkt voorbijgegaan. Dat is misschien ook de reden dat ik iets heb met geschiedenis en graag bijdraag aan de onderwerpen geschiedenis, herdenking en viering. Zo mogelijk ieder jaar ben ik bij de Dodenherdenking in Norg. Vanwege die oorlogsgeschiedenis waren mijn ouders een paar jaar geleden uitgenodigd door de Duitse zustergemeente Sögel, om daar aanwezig te zijn bij de herdenking van de doden daar. Zowel de weggevoerde als zij die vielen in de jaren 39-45. Mijn ouders zijn iets ouder, en mijn moeder vroeg mij of ik hen wilde rijden. Daardoor ben ik ook op bezoek geweest in een van de veenlagers, de Emslander Lager. Namelijk lager 7 Esterwegen. Een concentratiekamp avant la lettre, waar al vanaf 1933 tegenstanders van het nazi regime werden geïnterneerd, ‘heropgevoed’. In werkelijkheid was het dwangarbeid en kwamen er veel vakbondsleiders, socialisten en christen-radikalen om in het veen.

De gevangenen moesten soms op enkele honderden meters van de Nederlandse grens werken. Regelmatig trachten de gevangenen de Nederlandse grens over te vluchten. Bij die vluchtpogingen werd er gericht op hen geschoten. Toch zijn er enige tientallen ontsnappingen gelukt. Niet iedereen vond dan direct een onderduikplek. Nederland stuurde de asielzoekers in de meeste gevallen terug. Vaak betekende dat alsnog de dood van de vluchteling. Eigenlijk wilden de Nederlanders er niet van weten. Wellicht ook daarom dat de vakcentrales overvallen waren door de voortvarendheid van de Duitse bezetters.

Stapelkamp

Ik begon mijn verhaal met Stapelkamp. Hij was geboren in 1886 en op twaalfjarige leeftijd ging hij werken bij de sinds 1872 gevestigde knopen- en kammenfabriek Ten Dam en Manschot in Aalten. De man die het CNV ophief, maar eerder wel op een reis door Duitsland op uitnodiging van het nieuwe gezag is geweest. Die aan de wieg heeft gestaan van de nieuwe Stichting van de Arbeid, maar die niet de actieleider was van de stakingen. Dat gold voor velen binnen de vakbeweging, maar eigenlijk binnen heel Nederland. Welke keuzes moest je maken?

 

Willem Jelle Berg
maart 2020

Zie 00k:

Dick Boer – Het eigen gezicht van Twente

Henk Grooters Vakbeweging in Twente tijdens de Tweede Wereldoorlog