Het geheugen van de vakbeweging

Willem Jelle Berg: Het dilemma was aanblijven of opstappen?
Willem Jelle Berg: Het dilemma was aanblijven of opstappen?

Vakbeweging in oorlogstijd – 1

Het eigen gezicht van Twente

De regio Twente met een goed ontwikkelde metaal- en textielnijverheid werd verrast door de Duitse inval. Het duurde maar kort voordat de ernst van de zaak bij de vakbondsbestuurders binnenkwam. Duitsland was voor veel Twentse werknemers altijd al dichtbij. Zelfs na de inval bleven veel Tukkers dan ook gewoon in Duitsland werken. Binnen de regio zelf rechtten de vakbondsbestuurders, nadat de bezetter zijn ware gezicht had laten zien, hun rug en betaalden daar uiteindelijk ook een dure prijs voor. Tot de grote verzetsacties behoorde de staking van mei 1943 die door de bezetters hard de kop werd ingedrukt.

In een bijzondere bijeenkomst(zie kader 1) op initiatief van de VHV-werkgroep Twente blikten Willem Jelle Berg, lid dagelijks bestuur CNV Vakcentrale, en VHV-werkgroepslid  Henk Grooters terug op die bezettingsjaren.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zag het Nederlandse vakbewegingslandschap er verhoudingsgewijs ongeveer uit als nu maar dan toch anders. Het CNV telde circa 120.000 leden, het NVV 350.000 leden en het Rooms Katholiek Werkliedenverbond (RKWV) 200.000 leden. NVV en RKWV (later NKV) zijn in de jaren zeventig van vorige eeuw samengegaan en van vakbonden voor hoger- en middelbaar personeel was in oorlogstijd nog geen sprake.

De bezetter keek na de inval maar kort de kat uit de boom. Bekend was dat de NSB door de vakbeweging werd afgewezen. Al snel na de bezetting werd, aldus Willem Jelle Berg, het NVV direct onder Duits gezag gesteld. Het CNV en de RKWV  werden niet opgeheven maar kregen een Duitse Beobachter  (toezichthouder) toegewezen. Zelfstandige vakbonden  waren  vijandige organisaties in de ogen van de bezetter. Dat was immers een ongewenste hindernis voor een noodzakelijk goed draaiende oorlogsindustrie. NSB-er Woudenberg werd door de bezetter aangesteld als commissaris van de vakbeweging. De bedoeling was op den duur alle arbeiders in één nationale organisatie onder te brengen. Die snelle aanstelling en drijfveer verraste de vakcentrales. Al waren er ook vakbondsbestuurders die zich wel konden vinden in meer eenheid in de vakbeweging.

Willem Jelle Berg: dilemma aanblijven of opstappen?

Volgens CNV-bestuurder Berg (zie bijlage) stonden vakbondsmensen voor de keuze: in de moeizaam opgebouwde organisaties te blijven of die verlaten. Die keuze pakte per vakcentrale en -organisatie verschillend uit. Veel bestuurders voelden zich medeverantwoordelijk voor het overeind houden van hun organisatie om de belangen van de leden zo goed mogelijk te kunnen waarborgen. ‘Voorlopig doorwerken’ gold voor die bestuurders als parool. Volgens hen was het onjuist zo maar terug te treden.

In juli 1941 1941 kregen CNV en RKWV te horen dat ze ondergebracht zouden worden bij het NVV waar Woudenberg inmiddels de dienst uitmaakte. Tot verbijstering van hun CNV- en RKWV-collega’s namen NVV’ers nu de boel over. Een traumatische ervaring voor de confessionele vakbondsbestuurders.

Bisschoppen protesteerden tegen deze machtswisseling met een mandement. Met name de katholieke bonden liepen snel leeg, na een paar weken was er slechts 4% van de leden over. Maar ook 80% van de leden van het CNV zegde het lidmaatschap op. Het CNV wees het nationaalsocialisme af en hield vast aan het harmoniemodel, een belangrijk grondbeginsel voor de vakcentrale.

De leiding van het NVV bleef verdeeld.  In april 1942 kwam het decreet van de bezetter tot oprichting van het Nationaal Arbeiders Front (NAF). Voor veel NVV-bestuurders ging dit echt te ver. Ze dienden hun ontslag in. Het NAF telde circa 100.000 leden, voor een flink deel uit de landbouwsector. De nieuwe functionarissen, voor driekwart NSB’ers, waren nauwelijks vertrouwd met het vakbondswerk. De bezetter faalde volgens Berg in zijn opzet tot nazificatie van de vakbeweging.

Reorganisaties, intimidatie en het in gevangenschap nemen waren wapens waarmee de bezetter zijn zin doordreef. De aanvankelijk aarzelende en verdeelde leiding van de vakbeweging was niet in staat het tij te keren. Echter in Twente was de situatie anders. Al vanaf de zomer van 1940 voerden de Twentse NVV-bestuurders oppositie tegen het besluit door te werken onder nationaalsocialistische leiding.

In april 1943 maakte de bezetter bekend, dat militairen die in mei 1940 gemobiliseerd waren geweest, zich moesten melden voor het krijgsgevangenschap. Er kwam veel verzet tegen deze maatregel. De Duitsers traden hardop tegen de stakers. Vakbondskaderleden speelden een stimulerende rol bij het besluit om tot staken over te gaan. Op de Twentse situatie wordt hierna ingegaan.

Aan het eind van de oorlog in 1944 – Eindhoven was al bevrijd – werden de vakcentrales heropgericht. De oude structuren werden uit de kast gehaald, opgepoetst en weer in ere hersteld. Alsof er geen vijf jaar bezetting was geweest met een ten dele functionerende vakbeweging, aldus CNV-bestuurder Willem Jelle Berg. Nog lang na de oorlog bleven frustraties aanwezig over de rol die de vakbeweging – het NVV met name – had  gespeeld.

Henk Grooters: in één dag heel Twente plat

Henk Grooters over de april-mei-stakingen van 1943: in één dag heel Twente plat
Henk Grooters over de april-mei-stakingen van 1943: in één dag heel Twente plat

Twente behoort tot de regio’s die tijdens de bezetting een eigen gezicht hebben laten zien. VHV-werkgroepslid Henk Grooters (zie bijlage) memoreerde het begin van de Duitse inval met een merkwaardige anekdote. Aan het begin van zijn verhaal vertelt hij over het  75-jarig bestaan van de Kon. Ned. Katoenspinnerij in Hengelo. Op 10 mei 1940 zou bij de Kon. Ned. Katoenspinnerij in Hengelo het 75-jarig jubileum worden gevierd. Bij de ingang van de fabriek was een erepoort van bloemen gemaakt. Een foto hiervan werd in de Duitse kranten gepubliceerd met als onderschrift: Met deze erepoort verwelkomen  de Nederlanders de Duitse soldaten. Dus toen ook al nepnieuws.

Volgens Grooters keren NVV-bonden in Twente zich van het begin af aan tegen het fascisme. Er ontstaat een ondergronds netwerk van bestuurders. Ook de confessionele bonden gaan ondergronds.

Twente kent in bezettingstijd een aantal stakingen. Zo vond in 1942 een staking plaats van Nederlandse fabrieksarbeiders die minder verdienden dan hun Duitse collega’s in een textielfabriek in Burg Steinfurt, in Duitsland dus. De Nederlandse grensgangers verdienden veel minder en werden ook nog eens  beboet als ze te laat op het werk kwamen, wat nogal eens voorkwam omdat de treinen door de oorlogsomstandigheden  onregelmatig reden. De staking had succes. Alle eisen van de grensgangers werden ingewilligd.

In april 1943 maakt de bezetter bekend dat militairen die in mei 1940 gemobiliseerd waren geweest, zich moeten melden voor krijgsgevangenschap. Ondertussen eist ook de Arbeitseinsatz – het verplicht moeten werken in Duitsland – steeds meer slachtoffers. Dat leidt tot grote – landelijke – stakingen waarbij Twente een belangrijke rol heeft gespeeld. Stork ging spontaan in staking toen bekend gemaakt werd, dat dienstplichtige militairen zich moesten melden voor dwangarbeid in Duitsland. De telefonistes van Stork  belden de andere bedrijven en vroegen  hen mee te doen. In één dag  ging heel Twente plat.  Twintigduizend van de 25.000 arbeiders staakten.

Volgens Henk Grooters vragen velen zich af hoe het toch kon dat dergelijke massale stakingen zich voordeden juist in Twente, terwijl de Twentenaren toch zo’n rustige volksaard hebben. Volgens hem was er een groeiende onvrede onder de Twentenaren door de vele razzia’s  waarbij de Duitsers steeds weer arbeiders nodig hadden voor werk in Duitsland. In mei 1943 was de maat vol. De Duitsers braken die staking met grof geweld en straften met harde hand. Met standrecht worden zeven arbeiders van Textielfabriek Jordaan, Haaksbergen ter dood veroordeeld en vermoord. Ook op andere plaatsen werden mensen die vaak nauwelijks iets met de staking te maken hadden, doodgeschoten. Vanwege de grote represailles en het ontbreken van de steun van de spoorwegen liep de staking na een paar dagen af.

In 1944 vindt dan de landelijke spoorwegstaking plaats. Er is een actieve rol van vakbondskaderleden, zoals Jo Niks om de personeelsadministratie van de spoorwegen te laten verdwijnen zodat het spoorwegpersoneel veilig kon onderduiken. Personeel van de Nederlandse Spoorwegen in Hengelo speelt een belangrijke rol bij de spoorwegstaking. Hengelo was een knooppunt voor het spoor. De rol van Jo Niks wordt beschreven in het boek van de VHV-werkgroep ‘Het gezicht van de vakbeweging – Twente’.

Ook vinden er in 1944 grote razzia’s plaats om in het tekort aan arbeidskrachten in Duitsland te kunnen voorzien. Zevenduizend arbeiders uit Enschede worden gevangen genomen en in Duitsland te werk gesteld.

Het (vakbonds)verzet tegen de bezetter in Twente  is stevig geweest en heeft veel slachtoffers gekost. Vakbondsbestuurders kwamen in concentratiekampen terecht en werden vermoord: Kees van Es (Almelo), Klaas Tabak (Enschede) en Gerrit Visser (Hengelo). Alleen Van Es zou overleven. Zowel door Dik Nas in ‘Het Twentse Model’ als door Andreas Pflock in ‘Gerrit Visser: Van Hengelo naar Wewelsburg’ wordt  hier aandacht aan besteed.

Henk Grooters sluit deze themabijeenkomst af met de vraag of het slagen van het verzet in Twente te maken heeft met vakbondsbestuurders die  in Twente niet bereid waren de opdrachten van de Duitse bezetter uit te voeren en daartoe veel verzet boden? Het karakter van de bijeenkomst is leren uit het verleden. Onderstreept wordt, dat het fascisme niet verdwenen is maar steeds weer de kop opsteekt.

Dick Boer

mei 2020

 

Zie 00k:

Willem Jelle BergCNV en vakbeweging in oorlogstijd

Henk Grooters Vakbeweging in Twente tijdens de Tweede Wereldoorlog