Het geheugen van de vakbeweging

Vakbeweging en Milieu: haat-liefde verhouding?

Een verkennend historisch overzicht

Met alle voorbehoud dat past bij etiketteren en in hokjes stoppen, zie je binnen de FNV en haar voorganger NVV in verleden én heden vier benaderingen van het onderwerp Milieu en Duurzaamheid.
Allereerst: een FNV die zich vooral richt op directe werknemersbelangen, en dan met name werkgelegenheid, ook in relatie tot milieu. Deze manier van denken over milieu past het meest bij de ‘smalle’ vakbeweging, die zich hoofdzakelijk richt op arbeid en inkomen. Regelmatig defensief: ‘verdedigen wat we hebben’ of ‘repareren wat op ons afkomt’.
De focus ligt overwegend op inkomen, werkgelegenheid, en transitie-effecten daarop. De milieuproblematiek is dan alleen interessant wanneer en voor zover zij dreigt te raken aan deze onderwerpen.

In de tweede benaderingswijze is vakbondsbemoeienis met de milieuproblematiek ook een eigenstandig vakbondsdoel. Deze invalshoek is typerend voor de ‘brede’ vakbeweging: actief op vele maatschappelijke fronten, van vredesbeweging tot, inderdaad, milieu. Bezorgd over de toestand van de aardbol en de mensheid en de toekomst daarvan. Vaak zijn het informele (werk)groepen binnen de FNV die in en om de vakbeweging proberen te timmeren aan meer milieubewustzijn.

Als derde, laverend tussen die twee, gelden ‘de polderaars’: op zoek naar (meest visie- en beleidsmatige) consensus tussen vakbeweging, werkgevers en overheid. Deze derde manier van denken past vooral bij de voormalige vakcentrale FNV en bij hen die sinds de opheffing daarvan het polderstokje hebben overgenomen. Vanuit de SER zijn,  vooral na 1989, tientallen adviezen over milieu en duurzaamheid richting kabinet gestuurd. Opvallend: de Stichting van de Arbeid lijkt er zich tot op heden niet of nauwelijks mee bezig te houden.

Tot slot nummer vier: vakbondsleden en werknemers die van mening zijn dat de vakbeweging zich niet met milieu en duurzaamheid zou moeten bezighouden, en/of vinden dat het met klimaatverandering en andere  milieuproblemen zo’n vaart niet zal lopen.

De vier genoemde stromingen bestaan naast elkaar, strijden soms om de voorrang, en gaan bij tijd en wijle dwars tegen elkaar in. Wat de eerste drie stromingen, ook door de tijd heen, gemeenschappelijk lijken te hebben, is dat de milieuproblematiek zelden gekoppeld wordt aan de heersende maatschappelijke machts- en krachtsverhoudingen. Overigens onderscheidt de vakbeweging zich daarin nauwelijks van de mainstream-milieubeweging.

Alleen in de beginfase – Henri Polak –  en in de ‘antikapitalistiese’ jaren ’70 ligt dit anders, maar dat leidt eerder tot onvermogen om vanuit dit perspectief zinvol milieubeleid te formuleren dan tot een concrete en duurzame aanpak.

Al voor de oorlog vakbondsaandacht voor milieu

De bekommernis met het milieu vanuit de vakbeweging is ouder dan je misschien denkt. Hij gaat terug tot de beginjaren van het NVV, en wel tot oprichter en eerste voorzitter Henri Polak.

Polak ‘gaf… de kapitalistisch georganiseerde industrie de schuld van de afbraak van stedeschoon en milieuverontreiniging. Al in 1909 stelde hij de vraag: ‘Moeten de klare rivieren bestemd worden tot afvoerriolen van het fabriekswater?’ …’ (geciteerd uit het veertiende jaarboek voor het democratisch socialisme, 1993)

In hoeverre deze ideeën van Polak in de NVV-praktijk ook tot werkelijkheid zijn geworden? Misschien kan nader onderzoek daar meer helderheid over geven.

Wederopbouw

In de jaren kort na de Tweede Wereldoorlog maken de zorgen van Polak plaats voor een lofzang op de Nederlandse industrialisatie. Typerend is een artikel in het blad ‘De Vakbeweging’ van 1 juli 1952. Auteur is de latere NVV-voorzitter André Kloos. Titel: ‘Chemische Industrie heeft grote kansen’.
‘Wisten ze toen veel’ kun je zeggen. Toch is met name industriële luchtvervuiling ook in die jaren al een bekend probleem. Alleen passen kritische opmerkingen hierover niet in de wederopbouw- en industrialisatiedynamiek. Des te opvallender is de uitspraak van een Inspecteur van de Volksgezondheid, Schuursma, óók in 1952: “Verontreiniging van de lucht wordt vaak beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Maar zij kan ook worden ondervonden als ernstige hinder en zij kan dan ook onaanvaardbare schade toebrengen”.

De wilde jaren 70

‘1968’ werkt door in alle geledingen van de maatschappij. Oude vormen, gedachten en structuren worden maatschappijkritisch opgeschud. Ook het NVV ziet zich geconfronteerd met werknemers die steeds minder tot volgzaamheid geneigd zijn. Niet richting de eigen werkgever, maar ook niet naar de vakbondsbestuurders.

Arie Groenevelt

Dat zien we ook terug in de vakbondsvisie op de samenleving en in de werkwijze van de bonden. Het bedrijvenwerk komt van de grond. Het is de tijd van Arie Groenevelt, van ‘Fijn is anders’ en ‘Breien met een rode draad’. Anders gezegd: de Industriebond NVV (en in iets minder mate óók het NKV) kozen voor de strijd tegen het kapitaal, vaak in de vorm van het conflictmodel.

Anders dan misschien verwacht leidt deze maatschappijvisie niet automatisch tot het omarmen van de milieubeweging. Het spraakmakende rapport van de club van Rome, ‘De grenzen aan de groei’ krijgt bij delen van het NVV een uiterst kritische ontvangst. In een interview met journalist Willem Oltmans horen we enkele radicale vertegenwoordigers van NVV Jongerencontact onder andere zeggen: “Het is een nobel streven, de milieuproblematiek te willen aanpakken, maar de milieuvervuiling is niet een zaak van vandaag of gisteren, ook al wordt die indruk gewekt. De fabrieksarbeiders weten al sinds de opkomst van de industrie wat het is om in een vergiftigd leefklimaat te moeten leven. Het is misschien helemaal niet zo stoutmoedig om te beweren dat hun belangenorganisaties de milieuorganisaties van het eerste uur zijn. Nu de vervuiling en de dreigende uitputting van de grondstoffen zo’n omvang beginnen aan te nemen dat ook het comfort van de bovenlaag wordt aangetast, is plotseling het huis te klein. Nuchter bezien is de verdeling van de milieuvervuiling eigenlijk rechtvaardiger geworden. Maar goed … nu verlangt die bovenlaag weer dat de massa die van hen afhankelijk is soberder gaat leven. Wij zijn daar dan ook nog wel toe bereid, maar dan alleen binnen een maatschappijstructuur die voor ons waard is om in te leven. Niet een maatschappijstructuur waarin 300 000 werkende jongeren onderdrukt worden.”

Radicalisme als middel om daadwerkelijke vakbondsactie op ‘milieu’ naar een zeer verre toekomst te verschuiven?

Toch waren er nogal wat mensen die liever vasthielden aan overleg en samenwerking met werkgevers en overheid binnen instituties als de SER. Die gedachte spreekt ook uit een resolutie van de Verbondsvergadering van het NVV (30 april 1972). Een heel ander type reactie op het rapport van de club van Rome dan NVV-Jongerencontact: het NVV drong bij de overheid aan op een milieubeleidsplan “om het voortschrijdende proces van milieubederf een halt toe te roepen.”

De jaren 80-90: van ‘brede vakbeweging’ terug naar ‘arbeid en inkomen’

De jaren ’80 zijn de jaren van de ‘Brede Vakbeweging’. Het zijn de hoogtijdagen van de grote maatschappelijke bewegingen: Vietnam, kraken, kruisraketten, neutronenbom, kernenergie.
In die maalstroom van acties en demonstraties maakt de FNV de omslag naar Brede Vakbeweging. Ook milieu wordt zo een vakbondsthema. De vakcentrale en de Industriebond FNV, en wellicht ook andere bonden, nemen speciaal voor dit onderwerp beleidsmedewerkers in dienst.
In de brochure ‘Werken in de jaren ’80’ laat de Industriebond FNV er geen twijfel over bestaan: “We willen onze idealen verwezenlijken in een brede vakbeweging. De strijd voor vrede en veiligheid, tegen racisme en milieuvervuiling is daarbij van even groot belang als die voor koopkracht, werkgelegenheid en sociale zekerheid”.

Al met al blijft het worstelen. Aan de ene kant zijn de klassieke vakbondsuitgangspunten: economische groei, inkomensgroei, werkgelegenheid, herstel van de industrie niet opgedoekt maar evenwaardig verklaard aan het milieubelang. Aan de andere kant heeft de milieubeweging niet altijd zoveel boodschap aan deze begrippen. Grenzen aan de groei, versobering, terugdringen van vervuilende economische activiteiten zijn daar de kernbegrippen.

Toch doet de FNV zeer haar best om het spanningsveld tussen vakbondsdoelen als economische groei en werkgelegenheid enerzijds en het milieu anderzijds te overbruggen. Zo lezen we in de brochure ‘De Industriebond FNV en het Milieu’ uit 1991: “Het milieu vormt het draagvlak voor alle economische bedrijvigheid… Daarom ook staat aantasting van het milieu gelijk met aantasting van het economische draagvlak“. De Industriebond schuwt daarbij stevige taal niet:  “Pijnlijke keuzes zullen nodig zijn. Het uit de weg gaan van die keuzes onder verwijzing naar de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse industrie zal niet helpen.”

 Maar in de jaren 90 is van massale maatschappelijke beweging weinig sprake meer. Het in de slipstream van het neoliberalisme verder oprukkende individualisme en consumentisme verminderen de brede belangstelling voor de milieuproblematiek, of bewerken dat milieuactivisten zich terugtrekken in kleinschalige projecten. ‘Een beter milieu begint bij jezelf’  wordt de op individuele verantwoordelijkheid gerichte slogan. De teloorgang van het Oostblok, maar óók de ‘ingroei’ van de milieubeweging in allerlei overlegorganen, hebben daar ongetwijfeld toe bijgedragen.

Voor de vakbeweging zijn de ontwikkelingen van de jaren ’80, naast een dalend ledental en een daarmee samenhangende forse inkrimping van het personeelsbestand, mede aanleiding om zich weer terug te trekken in de wereld van arbeid en inkomen. Die wordt begin- en eindpunt van vakbondshandelen. Dat gebeurt in combinatie met een dubbele accentverschuiving: richting de polder – het Akkoord van Wassenaar – én richting individuele belangenbehartiging: de sociale ANWB-gedachte die eind jaren ’90 oprukt.

Toch is het niet gedaan met de vakbondsaandacht voor milieu. Ondernemingsraden – toentertijd nog voor ruim 60 procent bestaand uit vakbondsleden – breiden juist in de jaren 90 hun aandachtsgebied uit. De Commissie Veiligheid, Gezondheid, Welzijn (VGW) van de or wordt de commissie Veiligheid, Gezondheid, Welzijn en Milieu (VGWM). De vakbeweging, waaronder de Industriebond FNV, neemt het onderwerp dan ook op in haar scholingsprogramma’s voor kaderleden en ondernemingsraden.

Dit alles leidt in 1998 ook tot wijziging van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). De ondernemingsraad krijgt adviesrecht over milieuaangelegenheden in het bedrijf (artikel 25 WOR) en een taak in het bevorderen van de naleving van milieuregels (artikel 28 WOR).

1995-2010: Milieu in de polder

Het lukt uiteindelijk niet om ‘milieu’ in de FNV echt vaste grond onder de voeten te geven. Beleidsmedewerkers Milieu verdwijnen uit de fusiebond FNV Bondgenoten, en later, 2004,  ook uit de vakcentrale.

We zien sinds de jaren 90 een toenemend ‘ver van mijn bed’-karakter in de beleving van veel werknemers, ook van actieve vakbondsleden. De ‘M’ van VGWM-commissie in bedrijven en instellingen blijft dan ook vaak een dode letter. Ook de teruggang in het bedrijvenwerk van de bond, gepaard met verminderende invloed in medezeggenschapsorganen en het volledig onderbrengen van or-scholing bij het op groeiende afstand van de FNV opererende FNV Formaat helpen zeker niet.

Voor de vakbeweging leiden al die ontwikkelingen in de jaren ’90 tot de ‘verpoldering’ van het onderwerp Milieu. Vooral in het kader van de Sociaal Economische Raad krijgen milieu en Duurzaamheid nog aandacht. Tussen 1989 en 2018 heeft de SER meer dan 30 adviezen hierover uitgebracht.

Niet onvermeld mag blijven het milieuconvenant dat Johan Stekelenburg in 1989 met VNO-topman Cees Van Lede sluit. Een nogal vrijblijvende ‘geloofsbelijdenis’, die bovendien als een duveltje uit een (geheim) doosje komt. Het convenant raakt korte tijd later los van zijn fundament door de val van het kabinet Lubbers II, de voornaamste beoogde partner bij de uitvoering ervan.

Opvallend is wél het statement in het SER-advies ‘Our Common Future’ uit 1989: ‘…zowel op de korte als de langere termijn tegenstellingen tussen milieu en economie moesten en konden worden vermeden.’  Het verzet tegen een ‘kapitalistische economie’ is daarmee óók voor de FNV-inbreng in het milieudossier verleden tijd.

In de polder lijkt de in de jaren ’90 door de FNV gekozen focus op ‘arbeid en inkomen’ door te werken. De  FNV stelt zich binnen SER en Star vooral op als hoeder van directe werknemersbelangen, met name van werkgelegenheidsgerelateerde aspecten.

Recent verleden: 2010 tot 2018

Sinds enkele jaren herpakt milieu zich in de FNV als breder levend issue. Klimaatakkoord en energietransitie blijven niet meer hangen in vergaderzalen maar worden deel van het maatschappelijk debat. Ook al is er van een massabeweging zoals in de jaren 70 en 80 (nog) geen sprake, milieu wordt weer een vakbondsitem.

Kijkend naar het recentere verleden lijkt het zeer de vraag in hoeverre de hernieuwde FNV-aandacht voor milieu en duurzaamheid gaat doorwerken naar praktische vakbondsactiviteiten in bedrijven en sectoren, zoals dat in de jaren 80 en 90 is geprobeerd. De signalen zijn niet altijd hoopgevend. In 2010 wordt het FNV-project ‘Duurzaam Werken’, waaraan or-leden en kaderleden van 15 bedrijven hebben gewerkt, afgerond met een ‘Inspiratieboek’.

Dit Inspiratieboek Duurzaam Werken vormt het sluitstuk van een pilotproject, zoals dat heet. Maar alle sporen van dit initiatief lijken 8 jaar later binnen de FNV gewist. Tot vervolgactiviteiten heeft dit proefproject niet geleid. Misschien neemt de in 2015 opgerichte FNV Werkgroep Klimaat, grotendeels bestaande uit (kader)leden het stokje over?

Al met al is de nieuwe toenadering van de FNV tot milieu en duurzaamheid nog erg omzichtig en terughoudend. Het antwoord op de vraag ‘wordt het haat of wordt het liefde’ tussen vakbeweging en milieu blijft nog even in de lucht hangen…

De hernieuwde belangstelling van de FNV voor milieu blijft, net als overigens bij het CNV, dicht aansluiten op de wereld van arbeid en inkomen. Het overwegend accent in plannen en beleidsnota’s ligt op een ‘sociaal-rechtvaardige oplossing voor de gevolgen van het mondiale milieubeleid op arbeid’. Werkgelegenheid en banen oogsten het leeuwendeel van de vakbondsaandacht. Verder valt op dat wát er over dit onderwerp anno 2017-2018 in de FNV wordt besproken een sterk ‘polderkarakter’ heeft. Maar dat valt verder buiten het bestek van dit artikel.

Jan Verhagen

Oktober 2018

(Een uitgebreidere, op onderdelen nauwkeuriger opgestelde en van voetnoten voorziene versie van dit artikel staat op https://www.verhagen-bakker.nl/milieu/Vakbeweging en Milieu-historisch.pdf )