Het geheugen van de vakbeweging

Vergadering van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in de Oude Lutherse Kerk te Amsterdam, 1791


Volksontwikkeling vóór de arbeidersbeweging

Vader en zoon Nieuwenhuyzen – Oprichters van “’t Nut’

In de tweede helft van de negentiende eeuw zijn tal van maatschappijen en genootschappen opgericht die de ideeën van de Verlichting uitdragen. Met behulp van prijsverhandelingen en uitgifte van populair natuurwetenschappelijke lectuur verspreiden zij de nieuwe inzichten onder de ontwikkelde burgerij. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, opgericht in 1785, onderscheidt zich van de andere genootschappen door zich niet op de elite te richten, maar op de ‘gewone man’, zodat die zich beter staande zou kunnen houden in de samenleving. Het Nut is daarmee, zo niet de eerste dan toch één van de eerste organisaties met een brede maatschappelijk-emancipatorische doelstelling. Dik Nas beschrijft de ontstaansgeschiedenis aan de hand van de levensloop van vader Jan en zoon Martinus Nieuwenhuyzen die daarbij een grote rol hebben gespeeld.

Jan Nieuwenhuyzen (1724-1806), geschilderd door Adriaan de Lelie

NIEUWENHUYZEN, Jan, stichter van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, is geboren in Haarlem op 4 september 1724 en overleden in Amsterdam op 24 februari 1806. Hij was de zoon van Maarten Jansz. Nieuwenhuyzen (in het lidmatenregister geschreven als Nieuwenhuijsen), predikant, en Grietje van Daalen. Op 9 mei 1751 trad hij in het huwelijk met Gezina (Geesje) Wijnalda, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Martinus Nieuwenhuyzen (1759-1793), geschilderd door Adriaan de Lelie

NIEUWENHUYZEN, Martinus, medeoprichter en eerste secretaris van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, is geboren in Middelharnis op 9 december 1759 en overleden in Haarlem op 6 maart 1793. Hij was de zoon van Jan Nieuwenhuijzen, predikant, en Gezina Wijnalda. Op 25 augustus 1789 trad hij in het huwelijk met Anna Maria Herdingh, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.

Pseudoniemen: M., Justus Schertsérowitz


Doopsgezinden

De ouders van Jan Nieuwenhuyzen waren doopsgezinden, oorspronkelijk wederdopers of mennonieten genaamd, een radicaal reformatorische stroming binnen het protestantisme. De volgelingen van Menno Simons, de enige kerkhervormer van Nederlandse (Friese) bodem, onderscheiden zich van de andere protestanten door zich pas op volwassen leeftijd en op vrijwillige basis te laten dopen. Vader Nieuwenhuyzen dreef een kruidenierszaak aan de zuidzijde van het Verwulft, waar hij ook olie en kaarsen verkocht. In 1736 vroeg hij een vergunning aan om vet te mogen smelten. Jan werd opgevoed met de regel ‘om af te leeren pracht en kleederen, bruiloften, maaltijden, versieringen der huizen, onmatig gewoel in neringen en koopmanschappen’. Aanvankelijk wezen de doopsgezinde elke overheidsdienst af, maar later alleen militaire dienst en het dragen van wapens. Dat bracht hen menigmaal in conflict met de stedelijke of stadhouderlijke overheden. Ten tijde van de Republiek werden ze gedoogd als zij hun geloof maar niet (te) openlijk beleden. Hun kerkgebouw noemde ze ‘vermaning’, waaruit blijkt hoe serieus doopsgezinde het streven naar een zuiver leven namen. Hun voorganger werd ook wel ‘vermaner’ genoemd. Aan de Bataafse Revolutie van 1795 hadden verhoudingsgewijs veel doopsgezinde een actief aandeel. Deze patriottische gezindheid valt te verklaren uit het streven naar gelijkberechtiging ongeacht de geloofsovertuiging.

Jan Nieuwenhuyzen ging in 1735 in de leer bij Jan Bosch om opgeleid te worden tot boekverkoper. In 1743, nadat hij zijn meesterproef had afgelegd, vestigde hij een boekhandel aan het Verwulft in Haarlem en sloot zich aan bij het boekverkopersgilde. Hij gaf onder meer een gedichtenbundel uit van de hand van zijn vrouw onder de titel: Verzaameling van Zeede- en Stichtelijke Haarlemmerhout en Tuin Gezangen (Haarlem 1756). Het uitgavefonds van Jan Nieuwenhuyzen is bescheiden en omvat slechts 19 titels. De overige door hem aangeboden titels zijn boeken die elders zijn uitgegeven en ook bij andere boekhandels te verkrijgen zijn. Het merendeel van de door hem uitgegeven boeken hebben een religieus karakter.

Midden jaren vijftig volgde hij een opleiding aan het Doopsgezind Seminarium in Amsterdam en deed zijn boekhandel van de hand nadat hij in 1758 in Middelharnis tot predikant was beroepen. In 1763 werd hij beroepen in Aardenburg en vanaf 1771 tot aan zijn dood was hij predikant te Monnikendam. Nieuwenhuyzen maakte veel werk van zijn preken die steeds berustten op een gedegen theologische en historische studie. Hij was een sociaal bewogen man die de beginselen van de Verlichting was toegedaan, maar zich onthield van elke partijkeuze. Niet de politieke strijd stond bij hem voorop, maar de aandacht voor de levensomstandigheden van mensen. In Monnickendam was hij lid van een kleine gesprekskring die wekelijks voornamelijk godsdienstige onderwerpen bespraken. In deze kring opperde hij het idee om een genootschap voor volksontwikkeling te stichten met het doel mensen, die daartoe zelf geen kans zagen, te helpen kennis te verwerven door het uitgeven van in begrijpelijke taal geschreven boekjes.

Praktijkopleiding apotheker

Martinus Nieuwenhuyzen groeide op in Middelharnis en Aardenburg. In Aardenburg bezocht hij de lagere school. De later bekend geworden dichteres Petronella Moens was een klasgenoot, met wie hij ook later contact bleef houden. Op zijn twaalfde ging hij in Leiden bij zijn tante Sanneke Nieuwenhuyzen wonen die gehuwd was met de Doopsgezinde predikant Daniël Hovens. Het echtpaar Hovens was niet onbemiddeld, hadden zelf geen kinderen en wilden hem graag in huis hebben om te zorgen voor zijn verdere opleiding. Hij ging naar de Latijnse School en bekwaamde zich door zelfstudie in de Franse en Engelse taal. Het was de bedoeling dat hij opgeleid zou worden tot predikant, maar hij kreeg interesse voor botanisch en farmaceutisch onderzoek, wat resulteerde in een praktijkopleiding tot apotheker. Na een opleiding van vier jaar legde hij de proeve van bekwaamheid af en ontving zijn gildebrief. In 1780 ging hij naar Harderwijk om geneeskunde te studeren, wat spoorde met de doopsgezinde traditie van vermaners als ‘geneesmeesters van lichaam en ziel’. In december 1783 promoveerde hij te Franeker. Zijn opleiding tot apotheker klonk door in zijn proefschrift, waarin een van de stelling luidde: ‘Zonder ervaring van Chemie & Pharmacie zal een dokter dwaze recepten voorschrijven’. Na zijn afstuderen vestigde hij zich als geneesheer te Edam, waar hij inwoonde bij de doopsgezinde predikant Joännes Hoekstra. Hier werkte hij het idee van zijn vader om een opvoedkundig genootschap te stichten concreet uit. Op 16 november 1784 vond in de woning in Edam de oprichting plaats van het Genoodschap van Konsten en Wetenschappen, onder de zinspreuk: Tot Nut van ’t Algemeen. Naast de Nieuwenhuijzens waren aanwezig: Hoekstra, Jan Roos, opziener van ’s lands zegel, Johannes Lukas Loggen, luthers predikant en H. Bakker. Martinus, die de naam van het genootschap had bedacht, werd secretaris, Hoekstra voorzitter en Roos penningmeester. De oprichters waren zich bewust dat de animositeit tussen de gereformeerde staatskerk en de ‘dissenters’, onder wie de doopsgezinden, een gevaar kon zijn voor het nieuwe genootschap. Daarom vroegen zij gereformeerde predikanten zitting te nemen in het bestuur. Allen weigerden, de Edamse predikanten zelfs op onbeleefde wijze. Er werd vervolgens aan de ‘Burgemeesteren’ van Edam om protectie gevraagd en verkregen, zij het dat het beschermheerschap voor de duur van een jaar werd verleend en elk jaar opnieuw moest worden aangevraagd.

Jan Nieuwenhuijzen stond voor ogen het genootschap kennis onder minvermogenden te laten verspreiden, maar op voorstel van zijn zoon, die zich bewust was van de erbarmelijke staat van het onderwijs, was ‘verbetering van het schoolwezen en de opvoeding der jeugd, als de voornaamste grondslag zijnde ter vorming, verbetering en beschaving van den burger’ aan de doelstelling toegevoegd. Uit naam en doelstelling van het genootschap blijkt dat de oprichters de Verlichting aanhingen en daarin stonden ze niet alleen. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden tal van maatschappijen en genootschappen opgericht die de ideeën van de Verlichting uitdroegen. Met behulp van prijsverhandelingen en uitgifte van populair natuurwetenschappelijke lectuur verspreiden zij de nieuwe inzichten onder de ontwikkelde burgerij. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen onderscheiden zich van de andere genootschappen door zich niet op de elite te richten, maar op de ‘gewone man’, zodat die zich beter staande zou kunnen houden in de samenleving. Het Nut is daarmee, zo niet de eerste dan toch één van de eerste organisaties met een brede maatschappelijk-emancipatorische doelstelling. Een week na de oprichting van het Nut zond Martinus Nieuwenhuijzen een circulaire rond, waarvan het begin luidde:

Elke weldenkende Nederlander, die een wezenlijk belang in de bloei en de welstand van zijn vaderland stelt: die overweegt, wat een mensch een christen aan zijne natuurgenooten, aan zijn medechristenen verschuldigd is, moet een teeder medelijden over den staat des gemeene mans in ons vaderland gevoelen. Onkunde in verscheiden nuttige wetenschappen heeft onder veelen onzer handwerkende landgenooten plaats. Veelen van hen zullen mogelijk niet in staat zijn, om de eenvoudige bewijzen voor de aanwezigheid van god en de waarheid van den christelijke godsdienst voor te stellen, noch hun pligt als mensch, als christen te beseffen, noch kennis hebben van andere kunsten en wetenschappen die hen tot nuttige leden der maatschappij, tot braave opvoeders en verzorgers hunner kinderen en huisgenooten kunnen maken.

Prinsgezinde burgemeesteren

Het idee van een genootschap sloeg aan, want reeds 1785 werden in Amsterdam, Bodegraven en Rotterdam afdelingen (departementen genaamd) opgericht. Bijna veroorzaakten de woelingen tussen patriotten en prinsgezinden in 1787 dat het nog jonge Genootschap ten onder ging. De overwegend patriottische departementen voelden er niets voor de derde algemene vergadering, die in Edam plaats zou vinden, te bezoeken. Zij wensten geen vergadering in aanwezigheid van de overwegend prinsgezinde burgemeesters, die kort daarvoor vergaderingen van de patriotten in Edam hadden verboden en de uitgave van een patriottisch blad hadden geweerd. De departementen belegden de vergadering in Amsterdam. Het deels prinsgezinde hoofdbestuur te Edam verdacht Martinus ervan de aanstichter van dit onheil te zijn en wilde van hem af. Het stadsbestuur liet merken dat hij Edam beter kon verlaten. Hij werd lastiggevallen en in zijn broodwinning bedreigd en nam daarop de wijk. Hij nam het archief mee en vestigde zich in Amsterdam. De algemene ledenvergadering in Amsterdam besloot de zetel van het hoofdbestuur naar de hoofdstad te verplaatsen en de naam van het genootschap te wijzigen in Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Jan Nieuwenhuyzen, die op de vergadering aanwezig was, stemde met deze besluiten in. Martinus Nieuwenhuyzen werd opnieuw tot secretaris gekozen en ontving voortaan een jaarlijkse bezoldiging van 500 gulden. Omdat hij tevens de geneeskundige praktijk van de Amsterdamse doopsgezinde gemeenten Het Lam en De Zon verwierf, had hij geen financiële zorgen meer. Ondanks de vooruitstrevendheid was het Nut ook een kind van zijn tijd. De algemene christelijke beginselen waren uitgangspunt. Vrouwen en niet-christenen, zoals Joden, waren van het lidmaatschap uitgesloten, maar konden wel als toehoorder bij belangrijke bijeenkomsten aanwezig zijn. In de Oude Lutherse Kerk, nu de Aula van de Universiteit van Amsterdam, werden vanaf 1790 de Algemene Vergaderingen van het Nut gehouden. Op bewaard gebleven prenten zijn op de balkons in de kerk vrouwen en ander toehoorders te zien. Het Nut stond open voor eenieder, ongeacht rang, staatkundige opvatting of gezindte. Zo kon men aanhangers van het Ancien Regime tegenkomen, zoals de Leidse conservatieve publicist Elie Luzac. Patriotten en disenters vormden echter de meerderheid. Onder leiding van Martinus Nieuwenhuijzen werden de activiteiten voortdurend uitgebreid en maakte het Nut de verbetering van het onderwijs tot een volkszaak. Enige voorzichtigheid was daarbij wel geboden want ook in Amsterdam moest hij zich houden aan de regel politiek en volksontwikkeling streng gescheiden te houden. Nog voor het einde van de eeuw telde het Nut 27 departementen met circa 4000 leden. Deze groei zette zich gestaag door: in 1820 waren er 137 departementen, in 1845 273, waarmee het Nut al vroeg over een omvangrijk netwerk beschikte om zijn onderwijskundige ideeën te verbreiden. Nieuwenhuyzen was ondernemend, voortdurend bezig met het maken van plannen en met schrijven. Hij produceerde schoolboekjes, publiceerde gedichten en verzorgde bloemlezingen en schreef ook voor toneel. In 1789 werd zijn treurspel Desdemona gepubliceerd, een bewerking van het toneelstuk Othello van William Shakespeare. Voor de doopsgezinde gemeente De Zon schreef hij gezangen samen met Bernardus Bosch, met wie hij ook het blad De Menschenvriend uitgaf dat zij elke twee weken om beurten met kopij vulden. Ook werkte Nieuwenhuyzen mee aan Bijdragen tot het Menschelijke Geluk en andere bladen. In lijn met de ideeën van de Verlichting trachtte hij nieuwe denkbeelden over openbaar onderwijs en de algemene ontwikkeling van volwassenen ingevoerd te krijgen. Het Nut schreef prijsvragen uit voor leermethodes voor taal en rekenen en investeerde in de opleiding van onderwijzers. Nieuwenhuyzen stelde een plan op voor een schoolbibliotheek in de vorm van een serie boekjes met de gehele leerstof van de lagere school. Het Nut zag bibliotheken als een nuttig en logisch verlengstuk van het onderwijs. In 1791 was in Haarlem de eerste uitleenbibliotheek in Nederland tot stand gekomen, gevolgd door andere plaatsen. In 1810 waren er al 50 en in 1890 340. Menige openbare bibliotheek is als Nutsbibliotheek begonnen. De boekjes van Nieuwenhuyzen voor het lager onderwijs waren in een voor kinderen begrijpelijk Nederlands geschreven en vrij van de gezwollen taal en stijl eigen aan die tijd. In 1791 nam het Nut op voorstel van het departement Utrecht het besluit om ‘leerzame prentjes voor de jeugd’ te laten vervaardigen. Deze zogenaamde ‘handplaten’ waren voorlopers van de latere schoolwandplaten. Het Nut gaf in de loop der jaren drie series schoolprenten uit. Deze zetten een traditie van volks- en kinderprenten voort, maar geschikt voor kinderen tussen de vijf en tien jaar en in een gekuiste versie. Pikant is dat Jan Nieuwenhuyzen in de tijd dat hij in Haarlem boekhandelaar en uitgever was, kinderprenten verkocht die het Nut later als ongeschikt zou bestempelen. Martinus Nieuwenhuyzen oordeelde in 1791 over een reeks prenten over de Franse veldtochten in de Zuidelijke Nederlanden in 1690, die zijn vader enkele decennia eerder had uitgegeven onder de titel Franse Tyranny, ‘onwaardig om op scholen te gebruiken’. Het Nut veroordeelde onware geschiedenissen, zoals fabels en sprookjes, en afbeeldingen met oorlogsgeweld. Martinus hield regelmatig lezingen in Felix Meritis en de sociëteit Doctrina et Amicitia in Amsterdam. In 1793 werd hij, nog maar 33 jaar oud, tijdens een bezoek aan Haarlem plotseling ernstig ziek en overleed binnen enkele dagen aan typhus. M.C. van Hall merkte bij de begrafenis op dat ‘Nieuwenhuyzen een voorgevoel bezat dat zijn leven kort zou zijn en dat hij hierom met verdubbelde schreden de hem voorgeschreven loop voleindigde’. De Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen schonk aan zijn weduwe een dubbele gouden medaille en aan zijn kinderen ieder een zilveren als blijk van hoogachting voor de overledenen. Jan Nieuwenhuyzen, die zijn zoon dertien jaar overleefde, heeft tot aan zijn dood in 1806 zitting gehad in het hoofdbestuur. Hij speelde geen rol op de voorgrond, maar was binnen het Nut een zeer geziene figuur. Reeds in 1787 was hem een plaats voor het leven in het hoofdbestuur toegekend en ontving hij een gouden erepenning.

Grote invloed op verbetering van het onderwijs

Jan en Martinus Nieuwenhuyzen legden de basis voor een duurzame organisatie met een grote invloed op de verbetering van het onderwijs in de negentiende eeuw. Martinus Nieuwenhuyzen heeft nog het genoegen mogen smaken van een organisatie die zich snel ontwikkelde. Toen hij overleed, bestonden er 14 departementen, waren de eerste schoolboekjes verschenen, was de eerste bibliotheek opgericht en was een aanvang gemaakt met het oprichten van de eerste Nutsscholen. Het huis van Joännes Hoekstra en Martinus Nieuwenhuyzen te Edam, waar de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd opgericht, is honderd jaar na de oprichting door haar aangekocht. Van 1981 tot 2010 was het secretariaat van de Maatschappij er gevestigd. Een bronzen gedenkplaat aan de gevel herinnert eraan dat daar de oprichting van ’t Nut plaatsvond. In de Grote Kerk van Monnikendam bevindt zich een grafgedenkteken voor Jan Nieuwenhuijzen en in Edam is een plein naar hem genoemd.

Dik Nas

maart 2018

Geraadpleegde literatuur

Martinus Nieuwenhuyzen: Het nadeel der onachtzaamheid. Een brief van M. aan Jan (z.pl. 1781);
(idem) De Apotheek in vraagen en antwoorden, voor Eerstbeginnende (Leiden 1782);
(idem) ‘Aan Lucinde’ in: Tael en Dichtlievende oefeningen. Deel IV (Leiden 1783);
Gezangen (Haarlem 1784);
(idem) Spel- en Leesboekje voor Eerst Beginnende (Edam en Haarlem 1785);
(idem) De dood van Jezus, eene cantate, gevolgt naar ’t Hoogduitsch van C.W.Ramler (z.pl. 1786);
(idem) Verhandeling over Kunstmaatig leezen (Edam 1786);
(idem) Leeslesjens, bij ’t Kunstmaatig leezen behoorende (z.pl. 1787);
(idem) Trap der Jeugd (z.pl. 1787);
(idem) met A. Loosjes Pzn., Levensschetsen van Vaderlandsche Mannen en Vrouwen. Eerste en Tweede stukjen (z.pl. 1787);
(idem) met B. Bosch, De Geest der Nederlandsche Dichters (Amsterdam 1788);
onder pseudoniem Justus Schertsérowitz, Het leven van Richard (Amsterdam 1788);
(idem) Schoolboekjen van Vaderlandsche Deugden, met 6 koperen Plaatjens (Amsterdam 1788);
(idem) Geschenk voor Nederlands Jufferschap (Amsterdam 1789);
(idem) Desdemona. Treurspel (Amsterdam 1789);
(idem) De Mensch. Een Gezang, uitgesproken in de Maatschappij Felix Meritis (Amsterdam 1789);
(idem) Volks-liedjens. Vier stukjens (Amsterdam 1789-1791);
(idem) Lettergeschenk voor de Nederlandsche Jeugd (Amsterdam 1790);
(idem) Verhandeling over het onderwijs in spellen, leezen en schrijven (Leiden en Deventer 1791).

G. Brender à Brandis, Lijkrede op Martinus Nieuwenhuijzen, medeoprichter en secretaris der Maatschappij: Tot Nut van ‘t Algemeen (Amsterdam 1793);
Gedenkschriften der Maatschappij: Tot Nut van ’t Algemeen voor de eerste 25 jaren van haar bestaan (Amsterdam 1809);
P.G. Witsen Geysbeek, Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 4 JAC-NYV (Amsterdam 1822) 473;
Gedenkschriften der Maatschappij: Tot Nut van ’t Algemeen voor de tweede 25 jaren van haar bestaan (Amsterdam 1834);
Dr. G.W. Kernkamp, Jan Nieuwenhuijzen herdacht. Historisch gedenkschrift, ter gelegenheid van den 100-jarigen sterfdag van den stichter (Amsterdam 1906);
P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2 (Leiden 1912) 993-994;
L.C.I. Bigot, ‘Het Nut en het Onderwijs’ in: 1784-1934 Gedenkboek Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Amsterdam 1934) 86-87;
Th. Jorissen, ‘Het genootschap van kunsten en wetenschappen, onder de zinspreuk: Tot Nut van ’t Algemeen, te Edam, (1784-1787)’ in: 1784-1934 Gedenkboek Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Amsterdam 1934) 27-43;
J.E. van der Pot, Het departement Rotterdam der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Rotterdam 1960);
N. Kreuwels en G. Janssen, ‘De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Tweehonderd jaar jong’ in: AO 2037 (Lelystad 1984);
W.W. Mijnhardt en A.J. Wichers, Om het algemeen volksgeluk: twee eeuwen particulier initiatief 1784-1984: gedenkboek ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Edam 1984);
P.N. Helsloot, Martinus Nieuwenhuyzen; pionier van onderwijs en volksontwikkeling (Amsterdam 1993);
J. Thijssen, ‘Leerzaame prentjes voor de jeugd’. Schoolprenten van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Utrecht 2009) 7, 11-23;
M. Smolenaars, ‘Wat hebben Haarlemse lantaarnvullers, een doopsgezinde predikant en een doolhof met elkaar te maken?’ in: Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 23 (Den Haag 2016) p. 74-76