Het geheugen van de vakbeweging

Iconische prent van Albert Hahn (1907) die jarenlang symbool stond voor de gewenste dagindeling

1 Mei – Dag van de Arbeid

Symbool van strijd voor behoorlijke arbeidsvoorwaarden, werkzekerheid en fatsoenlijk loon

‘Een dag is ’t van vreugde een dag is ’t van strijd’, zo vatte de Amsterdamse kroegbaas en gelegenheidsdichter P.H. v.d. Wal eind 19e eeuw zijn gevoelens over 1 mei samen. Sinds de Socialistische Internationale in 1889 in Parijs een resolutie had aangenomen om op 1 mei 1890 in zoveel mogelijk landen manifestaties voor de 8-urige werkdag te organiseren, geldt de eerste mei voor alle werkenden van de wereld als Dag van de Arbeid. De arbeidsdag duurde vaak 12 uur of meer. In Nederland werd de wettelijke 8-urige werkdag, althans voor arbeiders in de industrie, pas ingevoerd in 1919. Voor anderen, zoals land- en veenarbeiders, duurde het langer voordat dit ideaal werd bereikt.

1 Mei – Dag van de Arbeid

Waarom 1 mei? Dit was vanouds de dag dat huur- en arbeidscontracten afliepen. Werden die niet vernieuwd, dan betekende dat van baas wisselen en vaak ook verhuizen. In de Verenigde Staten stond 1 mei daarom bekend als ‘Moving Day’.

Aanvankelijk ging het op 1 mei om strijd voor beperking van de lengte van de arbeidsdag. De leus van de socialisten werd: 8 uur werk, 8 uur rust en 8 uur vrij voor ontspanning en ontwikkeling. Albert Hahn heeft daar in 1907 een iconische prent over getekend die jarenlang hèt symbool is geweest van een gewenste dagindeling.

De Dag van de Arbeid stond symbool voor de strijd voor behoorlijke arbeidsvoorwaarden, werkzekerheid en een fatsoenlijk inkomen. Met een ‘normale’ werkdag moet een mens een loon kunnen verdienen om van rond te kunnen komen. Het zou niet nodig moeten zijn om twee of drie baantjes aan elkaar te moeten plakken omdat je anders onvoldoende bestaansmiddelen hebt om van te leven en je kinderen een behoorlijke opvoeding te kunnen geven. Werk en privé moeten goed op elkaar af te stemmen zijn en dat kan alleen met zeggenschap over je eigen werktijden. Dat zijn allemaal betekenissen die aan de Dag van de Arbeid zijn gekoppeld.

Internationaal affiche voor Labour Day – Demonstratie voor wereldvrede en internationale solidariteit

Al snel werd Algemeen Kiesrecht aan de 1 mei-eisen toegevoegd. In 1893 werd internationaal afgesproken om 1 mei ook het karakter mee te geven van een demonstratie voor wereldvrede en internationale solidariteit. Behalve om strijd ging het van begin af aan ook om feest. De socialisten hoopten dat alle arbeiders in de hele wereld gedurende één dag in het jaar door één doel zouden zijn bezield en dat 1 mei een dag van internationale solidariteit zou worden.

De praktijk in Nederland

In 1890 viel 1 mei op donderdag. Dat was geen vrije dag maar er werden die week talloze bijeenkomsten georganiseerd, vooral in de randstad en het noorden. Het sterkst sloeg de 1 mei-gedachte aan in Friesland. De provinciale meeting in Leeuwarden op zondag 27 april werd bezocht door bijna 12.000 mensen. De demonstranten kwamen van alle kanten met karren, boten of te voet naar de Friese hoofdstad. Alleen al uit Het Bildt kwam een stoet van ongeveer 600 mannen aanlopen, in rijen van vier en daarachter 15 rijtuigen met vrouwen en meisjes. De Leeuwarder autoriteiten hadden extra versterking van politie en leger opgetrommeld, zelfs de losliggende straatstenen waren verwijderd. Maar de manifestatie verliep rustig. Domela Nieuwenhuis sprak op de avond van 30 april in het Casino in Den Haag. De zaal was stampvol en buiten stonden nog duizenden mensen, die binnen geen plaats hadden kunnen vinden. Volgens de eerste geschiedschrijver van de Nederlandse arbeidersbeweging, Berend Bymholt, werden zij aangevallen door de politie ‘die met sabel en wapenstok in den dichten drom sloeg’, waardoor velen gewond raakten. In Amsterdam had de burgemeester het houden van een optocht verboden maar er waren twee grote bijeenkomsten. In Groningen werd op zaterdagavond 3 mei een bijeenkomst georganiseerd door de Sociaal-Democratische Bond. De SDB behartigde toen zowel de politieke belangen als die van de vakbonden; de scheiding tussen partij en vakbond is van later tijd.  Ook hier was Domela Nieuwenhuis de spreker.

Bij het aannemen van de wet op de 8 uren-dag in 1919 – hier had men dertig jaar op gewacht – zongen de leden van de fractie van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in de Tweede Kamer de Achturenmars. Dit gedicht van Sam Coltof was jarenlang hét 1 mei-gedicht bij uitstek.

Acht uur! zoo klinkt door alle landen,
Acht uur zij onze arbeidstijd.
Acht uur aan d’ arbeid onzer handen
En ook aan onze geest gewijd.
Wij willen flink en krachtig werken,
Maar ’t lichaam geven zijnen eisch!
Wij willen maag en geest versterken,
En vrijheid – zelfs tot elken prijs.
Acht uur! Acht uur!
Geen langer arbeidsduur!
Ten strijd! Komt allen op ten strijd!
Ten strijd voor acht uur arbeidstijd.

Het conservatieve deel van de Tweede Kamer beantwoordde dit met het zingen van het Wilhelmus.

Elke partij zijn eigen Mei

‘Vrede’ werd na de Eerste Wereldoorlog bij de viering van 1 mei, de belangrijkste leus. In de jaren twintig legden vooral de sociaaldemocraten en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) de nadruk op ‘wereldvrede door ontwapening’. Communisten, in Nederland toen bijvoorbeeld Henriëtte Roland Holst, legden de oorzaak van de wereldoorlog bij het kapitalisme. Zij zagen meer in omverwerping van het kapitalisme door middel van internationale massale stakingen.

Het dubbele karakter van strijd- en feestdag gaf jarenlang aanleiding tot discussies tussen verschillende linkse partijen. Pleitten anarchisten en communisten voor een dag van algemene werkstaking (wat in de Nederlandse context niet realistisch bleek), de sociaaldemocraten en NVV-bonden hielden het op demonstraties met praalwagens.

Alle linkse stromingen hielden hun meetings met een spreker uit eigen kring, doorgaans politici, vakbondsleiders en rode dominees. Maar cultureel verschilden de mei-vieringen niet zo erg van elkaar. Alle stromingen demonstreerden met hun spandoeken en organiseerden kinderfeesten. Bekende schrijvers maakten speciale toneelstukken voor de Mei-vieringen en zangkoren  (die vaak De Volksstem heetten) zongen socialistische strijdliederen. Alles werd opgesierd met vlaggen, vaandels en rode tulpen als symboliek van een mooie toekomst in een nieuwe maatschappij. Maar de versplintering van de 1 mei-bijeenkomsten liet weinig over van het oorspronkelijke ideaal van Internationale Solidariteit. Dat de communisten tot 1937 de sociaaldemocraten van SDAP en NVV voor ‘wegbereiders van het fascisme’ afschilderde, bracht de eenheid niet dichterbij.

Nationaalsocialisme

In de jaren dertig kwam in Nederland de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) op. In Duitsland hadden de nationaalsocialisten al in 1933 de eerste mei gekaapt voor hun ideaal van klassenverzoening in corporatieve staatsinstellingen, waardoor alle sociale tegenstellingen zouden worden opgeheven. En dat wilden zij ook in Nederland, onder het motto ‘Eerbied voor den arbeid, feestdag voor gansch het volk’.

Terwijl de socialisten in toenemende mate waarschuwden voor het dreigende oorlogsgevaar, had het 1 Mei-nummer van het Nationaal Dagblad, de NSB-krant, het in 1940 vlak voor de bezetting van Nederland door nazi-Duitsland, over de naderende ‘bevrijding’ door de Duitse troepen. De openbare 1 Mei-viering van 1941 bleef een vrijwel interne aangelegenheid van de NSB.

Voor de vakbeweging werd 1 mei 1942 een zwarte dag, want de Duitse bezetters hieven op die Dag van de Arbeid de vakbonden op en vervingen die door het Nederlands Arbeids Front (NAF), de nationaalsocialistische organisatie van alle werkenden in Nederland. Frontleider Woudenberg prees die avond in zijn 1 mei-toespraak de oude socialistische arbeidersbeweging, die de klassenstrijd was opgedrongen door een harteloos kapitalisme. Maar, dat was nu voorbij. Nu werd de eerste mei de dag van het lentefeest.

Opmerkelijke 1 mei-toespraak tijdens de Tweede Wereldoorlog

1 Mei-toespraak van Willem Drees, uitgesproken in Buchenwald op 1 mei 1941, na de oorlog als brochure uitgegeven

De meest gedenkwaardige 1 mei-rede werd gehouden door Willem Drees op 1 mei 1941 in het Duitse concentratiekamp Buchenwald. Drees was in 1940 met enkele honderden politici, wetenschappers en verzetsmensen in dit concentratiekamp als gijzelaar geïnterneerd. Gijzelaars werden behandeld als krijgsgevangenen. Zij werden ondergebracht in aparte barakken, achter een extra hek. SS-ers konden er niet onaangekondigd binnenkomen. Daardoor hadden de gijzelaars een zekere bewegingsvrijheid die zij benutten om cursussen en lezingen te organiseren.

Drees hield zijn toespraak voor geestverwanten maar nadrukkelijk ook voor belangstellenden die in Nederland een andere maatschappijbeschouwing waren toegedaan. Hij legde uit wat de eerste mei voor de sociaaldemocraten betekende en zette uiteen hoe de nazi’s het woord ‘socialisme’ misbruikten voor ‘een regime dat het karakter draagt van algemene staatsslavernij’ en hoe ‘de democratie het onderspit heeft gedolven tegenover dictatuur en terreur’. Democratie in de zin van recht en vrijheid, handhaving van de rechtsstaat en eerbiediging van de menselijke persoonlijkheid waren idealen om hoog te houden.

Wederopbouw

Voor zover in het verzet van eenheid sprake was geweest, leidde dit na de oorlog niet tot de eenheidsbeweging waar velen op hadden gehoopt. Ook na 1945 waren de verschillen tussen communisten en sociaaldemocraten, Eenheids Vakcentrale en NVV, aanleiding tot splitsing van de gelederen en hield iedere stroming zijn eigen 1 mei-bijeenkomst. Dat de SDAP zich omvormde tot de Partij van de Arbeid (PvdA), met inbegrip van protestants-christelijke, katholieke en vrijzinnig-liberale ‘doorbraak’-socialisten, gaf aanvankelijk aanleiding tot neutralisering van de 1 mei-leuzen. PvdA-bestuurders hadden het niet meer zo op socialistische symbolen en liederen bij de mei-vieringen, zeker niet als 1 mei op zondag viel. De demonstratie werd een optocht. Welke sprekers werden uitgenodigd en wie de inhoud van de toespraken bepaalde, bij welk graf of monument de bloemen werden gelegd ter herdenking van een plaatselijke voorvechter van het socialisme, werd tijdens de Koude Oorlog weer vanuit verschillende achtergronden bepaald.

Sint Joseph de Timmerman

Bij de katholieke vakorganisaties was St. Joseph, de timmerman uit het Nieuwe Testament, geen onbekende. Voor jongeren waren er de St. Josephsgezellenverenigingen, om katholieke werkloze  jongens een vakopleiding en ontspanning te bieden. Voor de R.-K. Bouwvakarbeidersbond, maar ook voor sommige afdelingen van de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB), was St. Joseph, uitgerust met hamer, zaag of winkelhaak, de schutspatroon. In 1955 kondigde paus Pius XII aan dat het liturgisch feest van St. Joseph de werkman, wiens naamdag tot dan toe op 19 maart werd gevierd, op 1 mei zou plaats vinden. Na deze kerstening van de eerste mei konden ook christelijke arbeiders die dag vieren. De KAB omarmde het idee van St. Joseph als beschermheilige van de arbeid. Op 1 mei 1956 kwamen duizend katholieken in Nijmegen naar Plein ’44 voor een toespraak over de betekenis van de arbeid. Het strijdlied van de KAB werd gezongen en ’s avonds was er een  plechtige mis. Het Internationaal Christelijk Vakverbond gaf in 1958 een mei-manifest uit waarin het kapitalisme, maar ook de staatsalmacht van een volledig gesocialiseerde economie, werd verworpen. In 1963 brachten NVV en KAB een gezamenlijk actieprogramma uit waarin werd gepleit voor de invoering van een 42,5-urige werkweek. Over de invulling van 1 mei-bijeenkomsten door roomse vakbonden is verder niet veel bekend.

Thema’s in de jaren tachtig

De meiviering van 1980 – de werkloosheid nam weer toe – knoopte opnieuw aan bij de oorspronkelijke traditie van strijd voor arbeidstijdverkorting. Nu was het Joop den Uyl, op dat moment fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede kamer, die op een bijeenkomst van PvdA en PPR in Rotterdam een lans brak voor de vijfurige werkdag, ‘waardoor vele mannen en vrouwen weer een baan kunnen krijgen’. Het idee van de vijfurendag werd, net als dat van de achturendag in 1890, weggehoond. Maar op 1 mei 1986 stond wel de actie voor een 36-urige werkweek centraal, zoals in die tijd ook bij cao-onderhandelingen van de FNV.

In de jaren tachtig ontstonden hier en daar al nieuwe allianties, plaatselijke mei-comités waarin de FNV optrok met de PvdA, PSP en CPN en actiegroepen die zich inzetten voor vrouwenemancipatie, buitenlandse arbeiders en Derde Wereld-landen. Deze bijeenkomsten werden opgevrolijkt met Afrikaanse liederen en muziek. Dat leidde overdag tot gezamenlijke demonstratie’s, maar ’s avonds trok iedere politieke partij zich terug in eigen kring met een feestje voor eigen publiek. Het einde van de Koude Oorlog in 1989 met de val van de Berlijnse muur, betekende in theorie nieuwe kansen voor solidariteit in linkse kring.

Maar 100 jaar na de eerste 1 mei in 1889 was er in de jaren negentig, althans in Nederland, niet veel meer over van het oorspronkelijke elan van de Dag van de Arbeid. In andere landen was 1 mei intussen wel een nationale vrije dag geworden. Ik werkte toen in het FNV-district Overijssel en ik herinner mij dat de Duitse vakbeweging, de DGB, zelfs in een grensdorp wel een demonstratie met vlagvertoon hield, uitmondend in een bijeenkomst op een pleintje waar ook de Nederlandse FNV-bestuurder uit buurland Twente, op het podium werd gezet om een toespraak te houden. Maar in Almelo was even niets te doen.

In 2015 is de FNV weer terug van weg geweest

Na vele jaren waarin 1 mei-demonstraties vooral als een aardige geschiedenis uit vervlogen tijden werd gezien, is er sinds kort een kentering te bespeuren, in ieder geval bij de FNV. Sinds 2015 worden er weer 1 mei-bijeenkomsten georganiseerd in Amsterdam. In 2017 demonstreerden 5000 mensen tegen flexibilisering van de arbeidsmarkt en vóór meer echte banen. In 2018 vond de demonstratie plaats in Den Haag met sprekers op het Malieveld. Op 1 mei 2019 is Amsterdam weer aan de beurt. ‘Vier met ons de Dag van de Arbeid’ staat er met trots op de FNV-website. ‘Kom naar het Museumplein en loop mee naar De Dam.  ‘We vieren op de Dag van de Arbeid wat we hebben bereikt: de 8-urige werkdag, vrij zijn in het weekend, vakantiedagen, veilige en gezonde werkomstandigheden. Maar we laten ook zien wat we willen: een eerlijk salaris, een goed contract en een fatsoenlijk pensioen.’ Vakbondsmensen maken hun eigen geschiedenis, nog steeds.

Floor van Gelder

april 2019

Verder lezen

Ger Harmsen en Luchien Karsten – 1 meivieringen in Nederland (1890-1940). BNA september 1985.
Jan Gielkens, Luchien Karsten en Ger Harmsen – Een dag is ’t van vreugde, een dag is ’t van strijd. Geïllustreerde geschiedenis van 1 mei in Nederland. Amsterdam, IISG, 1990.
Ger Harmsen, Luchien Karsten en Cecil Scholten –  100 jaar meiviering in Groningen. Uitgave FNV-afdelingen Groningen en Haren, 4 april 1990.