Het geheugen van de vakbeweging

Benjamin Slier en Rachel Slier-Bos
Benjamin Slier en Rachel Slier-Bos, vakbondsechtpaar


Deurloostraat, Rivierenwijk, Amsterdam

Struikelstenen voor Benjamin Slier
en Rachel Slier-Bos

2020, 75 jaar na de Tweede Wereldoorlog, is er ook aandacht voor vakbondsmensen die tijdens de bezetting actief zijn geweest. Zo zou er op 27 maart voor het voormalige woonadres van vakbondsbestuurder Benjamin Slier en zijn vrouw Rachel Slier-Bos in de Deurloostraat Stolpersteine – ook wel struikelstenen genoemd, worden ingelegd. De plechtigheid is uitgesteld tot 3 juli 2020 in verband met de beperkingen ten gevolge van het coronavirus. Bob Reinalda schetst het leven van Benjamin en zijn gezin. Slier en zijn vrouw werden op 16 juli 1943 in Sobibor omgebracht.

Wie waren Benjamin Slier (1890-1943) en zijn echtgenote Rachel Bos (1892-1943)? Wat heeft het adres in de Deurloostraat voor hen betekend?

De struikelstenen voor Benjamin Slier en Rachel Slier-Bos
De struikelstenen voor Benjamin Slier en Rachel Slier-Bos zijn op 3 juli 2020 gelegd in de Deurloostraat in de Amsterdamse Rivierenbuurt

.Benjamin Slier was een bekend vakbondsbestuurder van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden (later Dienstenbond FNV, tegenwoordig FNV.
De familie Slier bestaat uit Amsterdammers. Benjamins grootvader – Meijer Andries Slier was aanvankelijk diamantslijper, maar werd later koopman. Benjamins vader Levie Slier, geboren in 1863, was eveneens koopman en verkocht rond 1908 ook loten. Dat hij de geldprijzen zonder commissie uitbetaalde telde in zijn voordeel. Van Benjamins moeder, Jeannette van Sisteren, is geen beroep bekend, maar haar vader was diamantslijper. Levie en Jeannette trouwden in juni 1886 in Weesp, zoals meer Amsterdamse joden. De arme joodse gemeente in Weesp had een mooie synagoge aan de Nieuwstraat, waar een leraar huwelijken inzegende. Bakkerij Gans in de Slijkstraat had een feestzaal, waar de huwelijken gevierd konden worden. Omdat voor trouwen in Weesp inschrijving bij de gemeente vereist was, schreef men zich in op het adres van de bakkerij om zich na het huwelijk en het feest weer te laten uitschrijven. Benjamin Slier was het derde kind van de zes kinderen van Levie en Jeannette: vier jongens en twee meisjes, geboren tussen 1887 en 1897. Omdat twee na hem gekomen kinderen al vroeg overleden, groeide Benjamin, geboren in 1890, op met twee iets oudere broers en een jonger zusje.

Rachel Bos was de dochter van de diamantbewerker Isaac Bos en de naaister Vogeltje Slier (geen familie). Haar vader had twee dochters uit een eerder huwelijk. Met Vogeltje Slier kreeg hij nog twee zonen en vier dochters, geboren tussen 1883 en 1897. Rachel, geboren in 1892, was van hen het vierde kind. Omdat beide families tussen 1899 en 1908 op het Waterlooplein woonden, kunnen Benjamin en Rachel elkaar in de buurt hebben leren kennen. Zij trouwden in juni 1916 in Amsterdam en kregen in 1917 een zoon, Louis.

Benjamin Slier werd kantoorbediende en klom op tot handelsreiziger.

Helaas weten we niet wie zijn werkgever was, wel dat Benjamin zich al vroeg bij een vakbond aansloot. De beroepsgroep handels- en kantoorbedienden begon zich later te organiseren dan handarbeiders. Zij voelden zich vaak nog een aparte stand die zich gematigder opstelde dan bijvoorbeeld de diamantbewerkersbond onder leiding van Henri Polak. Benjamin evenwel sloot zich aan bij de in 1905 opgerichte Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden, die met Polak optrok binnen het in 1906 gevormde NVV (Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen). In 1906 werd hij als 16-jarige aspirant-lid van de ‘moderne’ Algemeene en als 18-jarige werd hij volwaardig lid (met bondsnummer 999).

In november 1916, toen hij zo’n tien jaar had gewerkt, werd Benjamins eerste, wat wijsneuzige stukje over ‘Het blanco mandaat’ in het bondsblad Onze Strijd geplaatst. In oktober 1917 plaatste de redactie zijn beschouwing over de jaarvergadering (die hij liever jaarlijks wilde zien dan tweejaarlijks), waaraan de redactie toevoegde: ‘Wij vinden het uitstekend, dat onze leden deze zaken in Onze Strijd bespreken. Dit is beter, dan ons in den waan te laten, dat er geen kritiek is’.

Binnen de Algemeene ontwikkelde Benjamin Slier zich tot onbetaald bestuurder

Benjamin Slier
Benjamin Slier (1890-1943) bestuurder van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden

Tussen 1917 en 1924 hielp Benjamin mee de Vakgroep Handelsreizigers op te bouwen. In 1917 werd hij gekozen als afgevaardigde naar de landelijke conferentie van handelsreizigers. Voor de Vakgroep Handelsreizigers moest een reglement worden gemaakt dat spoorde met de reglementen van de andere vakgroepen (zoals van winkelbedienden). Het bestuur van de Vakgroep Handelsreizigers, waarin ook Benjamin zat, deed het kennelijk goed, want in 1918 werd het hele bestuur bij acclamatie herkozen. Benjamin werd in 1919 secretaris en was in 1920 betrokken bij het overleg met de andere vakbonden over het Rijksbureau voor plaatsing van handelsreizigers en -agenten. Wegens te drukke werkzaamheden zag hij zich eind 1920 gedwongen zijn functie neer te leggen. Hij bleef vakgroepslid en werd weer actief, want in de loop van 1922 werd hij voorzitter van de Vakgroep Handelsreizigers. Eind 1924 echter bedankte hij als lid van de vakgroep door verandering van werkkring. Hij was kantoorbediende geworden.

Benjamin was binnen de Algemeene ook actief op afdelingsniveau. In augustus 1917 was hij in het bestuur van de Afdeling Amsterdam gekozen, maar bij een reorganisatie van de afdeling in 1918 was hij niet herkiesbaar. Wel bleef hij actief, onder andere in de commissie die zorgde dat de afdeling een eigen bondsvaandel kreeg. In 1923 zat hij opnieuw in het afdelingsbestuur en toen de voorzitter om gezondheidsredenen moest bedanken werd hij waarnemend voorzitter en in de loop van 1924 voorzitter van het afdelingsbestuur.

Naast zijn werk voor de Vakgroep Handelsreizigers en de Afdeling Amsterdam volgde Benjamin de algemene ontwikkeling van de bond. Hij werd doorgaans gekozen als afgevaardigde naar de landelijke congressen (in 1918 voor de eerste maal) en werd in september 1921 gekozen als lid van de nieuwgevormde Bondsraad, die met het bestuur het beleid doornam. Hierdoor was hij goed op de hoogte van de ins en outs van het bondsbeleid. Benjamin leidde de jubileum-commissie voor het twintigjarig bestaan van de Algemeene in 1926. Er werden flink wat leden geworven en met de meer dan drieduizend gulden die daarbij werd opgehaald, richtte de bond het steunfonds De Bron op, dat leden hielp in de kosten voor bestrijding van tuberculose en zenuwziekten. In 1926 kwam er een vacature in het landelijke bondsbestuur. De Bondsraad koos Benjamin bij enkele kandidaatstelling tot bondsbestuurder. Zijn werk werd gewaardeerd. Het feit dat ‘in tal van prima reizigershotels regelmatig “Slier Asperges” op ’t menu’ prijkten, toonde aan hoe populair hij was, zo werd gegrapt.

In oktober 1932 kwam Benjamin Slier in dienst bij de Algemeene

Begin jaren dertig was de bond zodanig gegroeid dat buiten de paar bezoldigde bondsbestuurders nog vier vaste bestuurders konden worden aangesteld, waaronder districtsbestuurders in Utrecht, Zwolle en Amsterdam. Benjamin kreeg als standplaats Amsterdam met Noord-Holland als werkterrein, met als afdelingen in 1932: de Zaanstreek, Velsen, Beverwijk, Den Helder, Enkhuizen, Hoorn, Alkmaar, Purmerend en Winkel. Naast belangenbehartiging voor de leden gaf Benjamin lezingen over onderwerpen als democratie, de wintercampagne en het Plan van de Arbeid, wat de naaste toekomst zal brengen, of de geschiedenis van de bond. Binnen het afdelingsbestuur van Amsterdam was hij nu tweede voorzitter. Ook zat hij in het bestuur van het Sportpark ‘De Algemeene’ dat de bond voor zijn leden in 1931 had geopend met negen tennisbanen, korfbal- en voetbalvelden, een kano-inrichting en een clubzaal. Zoon Louis speelde er korfbal en tennis. Na een proeftijd van een jaar kwam Benjamin Slier in 1933 als districtsbestuurder in vaste dienst bij de bond.

Sociale stijging

Benjamins vaste salaris betekende een verdere verbetering van zijn woonsituatie en die van zijn familie, parallel aan de sociale stijging die de sociaaldemocratie en vakorganisaties nastreefden. Toen Benjamin ging werken, bleef hij bij zijn ouders wonen. De familie woonde van 1893 tot 1899 in de Lange Houtstraat, van 1899 tot 1908 op het Waterlooplein en daarna opnieuw in de Lange Houtstraat. Dit was een volkswijk in joods Amsterdam, bekend als Vlooienburg, toen in miserabele staat, nu Stoperagebied. Van 1912 tot 1928 woonde de familie in de al betere Plantage Doklaan (de Plantage gold eveneens als een joodse wijk) en in 1928 verhuisden zij naar de Tugelaweg 9 tweehoog. Deze straat kreeg door de verhuizing vanuit de ‘oude jodenbuurt’ naar Amsterdam Oost een sterk joods stempel, maar met betere woonsituaties vanwege de sociale woningbouw die Handwerkers Vriendenkring er vanaf 1916 realiseerde. Zijn vaste aanstelling maakte het Benjamin en zijn gezin mogelijk in 1934 naar de Deurloostraat 112 tweehoog te verhuizen in de Rivierenbuurt, opnieuw een buurt met veel joodse bewoners, maar hier kregen zij een moderne woning van meer dan tachtig vierkante meter.

Benjamin was na het overlijden van zijn vader in januari 1919 hoofdbewoner geworden. Het gezin was, zoals gebruikelijk in die tijd, samengesteld. Zijn moeder woonde tot haar overlijden in april 1931 in, zijn oom David tot diens overlijden in november 1931. Een zuster van zijn moeder trok af en toe bij hen in en een achterneef werd na het overlijden van zijn moeder tot het hertrouwen van zijn vader in het gezin opgenomen. Benjamins broers en zuster, die werkten als vertegenwoordiger, diamantbewerker en kleermaakster, kwamen in de loop van de tijd eveneens beter te wonen. Twee zusjes van Rachel bleven in de oude jodenbuurt wonen, maar een broer en een zusje gingen er eveneens op vooruit. Benjamin en Rachels zoon Louis kreeg een degelijke middelbare schoolopleiding (de Openbare Handelsschool), deed het goed in moderne talen, sportte graag, speelde viool en vond een kantoorbaan bij een exportbedrijf.

De gevolgen van de Duitse bezetting in mei 1940

Plaquette ter nagedachtenis van bestuurders van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden. met daarop ook Benjamin Slier

Aanvankelijk werkte Benjamin gewoon door, maar al eind 1940 ontstonden problemen door de Duitse beschikking dat joden geen leidende functies meer mochten bekleden, wat ertoe leidde dat de nationaalsocialist H.J. Woudenberg, door de Duitse bezetter tot commissaris van het NVV benoemd, Benjamin Slier op 30 november 1940 ontsloeg als districtsbestuurder en als tweede voorzitter van de afdeling Amsterdam. Vicevoorzitter Cor Jacobsen schreef op 6 december 1940 nog een waarderend afscheid over hem in het bondsblad Onze Strijd (dat kon toen kennelijk nog net).

Intern leidde het ontslag tot de nodige beroering, omdat de Duitsers hadden toegezegd dat de bonden konden blijven functioneren volgens hun eigen beginselen. Binnen de bond waren bovendien bepaalde grenzen vastgesteld die niet zouden mogen worden overschreden, waaronder ‘maatregelen, welke wij principieel onaanvaardbaar’ achten. Dat het bondsbestuur op grond van de maatregel tegen Slier en de eigen grens toch niet zijn ontslag indiende, was volgens het naoorlogse verslag een gevolg van ‘het dringend beroep van de joodse leden zelf om toch vooral te blijven en hen niet over te leveren aan een nationaal-socialistische leiding. Het was vooral collega B. Slier… welke zelf in een dramatisch betoog, dat op alle aanwezigen een ontroerende indruk maakte, een hartstochtelijk beroep deed op de niet-joodse bestuurders om op hun post te blijven’. Vooral de jongere leden reageerden fel op de Duitse maatregel en het bestuursbesluit. ‘Hele groepsbesturen legden hun functies neer. Voor een deel konden wij dit niet keren, het betrof jonge joodse functionarissen’, schreef Jacobsen onder de kop ‘voortgaan of niet?’ in het december 1940 nummer van het blad Jonge Strijd. ‘Tegen de anderen hebben wij betoogd: Doe dat niet. Ons land en ons volk ondergaan de beproeving van een vreemde bezetting, die neemt méér maatregelen, die ons niet zeer aangenaam zijn. Wij zijn, het kan in een bezet land nauwelijks anders verwacht worden, niet meer vrij in ons doen en laten. Moet nu de vakbeweging er maar mee uitscheiden? Natuurlijk niet!… Ook nu is ons een taak beschoren. Ook nu moeten we voortgaan de vakgenoten te verenigen, om door sterke bonden de arbeidsvoorwaarden te beschermen en te verdedigen’. Het bleek de verkeerde, en daarom na de oorlog ook bekritiseerde, verwachting, want ondanks protesten van het bondsbestuur ontsloeg Woudenberg na de Februaristaking van 1941 ook het joodse personeel van de bond. Net als Slier mochten zij geen werk meer verrichten en moesten zij hun opzegtermijn ‘in wachtgeld’ doorbrengen.

Joodsche Raad en ondergang

Hoe het de familie Slier in 1941 en 1942 verging, is onbekend. Zij kregen in september en oktober 1941 hun persoonsbewijs en konden in de Deurloostraat blijven wonen, waarschijnlijk omdat zoon Louis zijn kantoorbaan nog langere tijd behield, de vakorganisatie Benjamin nog steunde na wat hem op grond van zijn arbeidsovereenkomst toekwam en de familie elkaar hielp. Benjamin werd bovendien Blokleider bij de Afdeling Hulp aan Vertrekkenden van de in 1941 gevormde Joodsche Raad voor Amsterdam, die onder leiding stond van Gertrude van Tijn. Dit werk leverde Benjamin en Rachel een ‘Sperre’ op. De Afdeling Hulp aan Vertrekkenden verleende praktische hulp aan joden die naar Westerbork, Vught of rechtstreeks naar het oosten werden weggevoerd. De afdeling gaf adviezen over mee te nemen bagage, stuurde zo nodig bagage na en zorgde dat er maaltijden waren als de mensen ergens werden samengebracht. In de zomer van 1942 stortte Van Tijn in, zich bewust van het dilemma feitelijk mee te werken aan de Duitse bedoelingen. Zij herpakte zich echter en bleef zorgen voor de ‘vertrekkenden’. Benjamin, die als bekwaam organisator bij een dergelijke instelling van pas kwam, zal hetzelfde dilemma gekend hebben.

Het is aannemelijk dat de familie plannen ontwikkelde om onder te duiken of Nederland te verlaten en dus aan bepaalde papieren moest komen. Benjamin kende veel mensen en het lukte zoon Louis, die in juli 1942 (zoals velen) geen gehoor had gegeven aan de oproep zich vrijwillig voor vertrek te melden, in 1943 per trein naar Parijs te reizen. Het idee was samen te gaan, maar alleen Louis vertrok. Zijn vader moest nog papieren voor bepaalde mensen verzorgen. Kort na het vertrek van Louis volgde in juni 1943 de razzia waarbij ook Benjamin en Rachel werden opgepakt. Uitgeschreven uit Amsterdam op 12 juli 1943 (de vertrekdatum uit Westerbork) werden zij, evenals Benjamins broer Meijer, op 16 juli in Sobibor vergast. Benjamins zusje Betsy was op 11 juni in Sobibor omgebracht, zijn broer Hartog op 19 juni in Auschwitz. Alle nog levende zusjes van Rachel en hun broer werden in dezelfde tijdsperiode vermoord, drie in Auschwitz en één in Sobibor.

Overlevende

Louis Slier
Louis Slier, in het uniform van United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA)

Zoon Louis had kennelijk zodanige papieren dat het hem lukte met de trein naar Parijs te reizen, waar hij werk vond in een hotel. Hier was het wachten op zijn ouders vergeefs. Toen hij de situatie in Parijs te gevaarlijk vond, vertrok hij met een Nederlandse vriend naar Narbonne, waar hij een baan kreeg bij de Franse spoorwegen. Tijdens een avondje uit met twee Nederlandse vrienden in het verderop gelegen Perpignan trof hij de vrouw op wie hij verliefd werd en met wie hij in 1946 zou trouwen: Marie (Mimi) Durand, die als verpleegster in het ziekenhuis van Perpignan werkte. Na de bevrijding van Frankrijk wist Louis een baan te krijgen bij de United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA), die zich bezighield met de ondersteuning en terugkeer van de vele ontheemden in Europa. Het Franse spoorbedrijf had hem graag gehouden, maar de UNRRA bood Louis, gezien de toenmalige reisrestricties, de gelegenheid iets over zijn ouders te weten te komen en naar Nederland terug te keren.

Louis werkte eerst in Granville, Normandië en daarna op het kantoor van de UNRRA in het Brabantse Haaren. Hij was ook in Amsterdam, waar hij nog steeds stond ingeschreven met als adres de Deurloostraat en waar hij in februari 1946 een uittreksel uit het geboorteregister kreeg. Hij had er contact met bestuurders van de vakbond van handels- en kantoorbedienden, onder wie Wim van den Heuvel en Anton Wamsteeker. De laatste feliciteerde hem in een persoonlijke brief met zijn voorgenomen huwelijk. Louis kwam te werken bij het American Joint Distribution Committee in Hanau, in het door het Amerikaanse leger bezette deel van Duitsland. Hier was hij verantwoordelijk voor de kledingdistributie vanuit het Hanau Warehouse onder leiding van Ben Kaplan, die tot zijn dood contact met Louis en zijn gezin zou houden. In juli 1946 trouwden Louis en Mimi in Prats-de-Mollo in Zuid-Frankrijk, waarna hij terugkeerde naar de UNRRA in Hanau. In april 1947 kreeg Mimi toestemming zich bij hem in Hanau te voegen. Zijn ID uit augustus 1947 meldt dat hij civiel medewerker was bij de Headquarters US Forces, European Theater in Frankfurt am Main (de UNRRA-activiteiten werden eind 1947 beëindigd). In februari 1948 werd dochter Michèle geboren in Prats-de-Mollo en in juli 1948 werd Louis uitgeschreven uit het Amsterdamse bevolkingsregister met als bestemming: Duitsland.

In oktober 1950 keerde Louis terug naar Amsterdam, waar hij inwoonde bij de familie Van den Heuvel. Hij vond werk bij een firma, waarvoor hij, net als voor de oorlog, de buitenlandse correspondentie verzorgde. Hier werkte hij de rest van zijn leven. In februari 1951 kwamen zijn vrouw en dochter naar Amsterdam, waar zij een woning in de Granidastraat betrokken. Louis heeft nooit over de oorlog kunnen of willen spreken. Het verdriet deed zijn gezondheid en zijn hart geen goed, ondanks sportieve activiteiten (korfbal), want hij overleed in 1972 op 54-jarige leeftijd. Dochter Michèle kende thuis wel de uitdrukking ‘opa en oma Slier’, maar wist nagenoeg niets over hen. Tijdens een kantoorbaan vroeg een collega of zij familie was van Benjamin Slier. Toen zij dat bevestigde, gaf hij haar zijn exemplaar van het gedenkboek van de Algemeene, waarin Benjamin verschillende keren genoemd wordt. Voor haar was een artikel in Het Parool over de Duitse kunstenaar Gunter Demnig met zijn Stolpersteine-project aanleiding een aanvraag in te dienen voor de struikelstenen. Deze zouden op 27 maart 2020 worden ingelegd bij de Deurloostraat 112, maar de plechtigheid is uitgesteld in verband met de beperkingen ten gevolge van het coronavirus.

Herdenking

Benjamin Slier werd herdacht in de jaarverslagen over 1940-1945 van zowel zijn vakbond als het NVV. In het bondsgebouw hing een bronzen plaquette ‘Ter nagedachtenis en in smartelijke herinnering’ met negen namen, bovenaan Benjamin Slier: ‘Hun arbeid was de bond gewijd. Zij vielen ten offer aan de nazi-terreur’. Deze plaquette bevindt zich nu in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.

Bob Reinalda

Maart 2020

Geraadpleegde literatuur

  • G.J.A. Smit jr., Een Kwart Eeuw in en met de Algemeene (Amsterdam 1931),
  • Bob Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981),
  • Bob Reinalda, De dienstenbonden (Baarn 1985).
  • Met dank aan Ypke Snoek voor haar onderzoek in het Stadsarchief.