Het geheugen van de vakbeweging

Achtergrond en samenvatting

Staking Chinese zeelieden op Curaçao met dodelijke afloop

Stakende Chinese zeelieden in Kamp Suffisant op Curaçao, 20 april 1942

Op 20 april 1942 worden 15 stakende Chinese zeelieden in Kamp Suffisant op Curaçao doodgeschoten. Wat is de achtergrond van deze onbekende gebeurtenis van 75 jaar geleden? Nizaar Makdoembaks beschrijft aanleiding en optreden van de koloniale Nederlandse overheid. Al jarenlang ijvert hij ervoor dat de gedode zeelieden worden erkend als oorlogsslachtoffer.

1.      Historische achtergrond

Omstreeks 1910 begon de Koninklijke Shell Groep met de exploratie van aardolie bij het Meer van Maracaibo in Venezuela. Er moest nog wel een manier worden gevonden om dit product te transporteren naar de verwerkings- en afzetgebieden. De verbinding van het meer met de open zee maakte het voor de hand liggend om de olie per tanker te vervoeren, maar de diepgang van die verbinding was onvoldoende voor grote tankers. Dit noopte tot de inzet van zo klein mogelijke schepen. Met dergelijke kleine schepen was het varen over de oceaan echter zowel economisch als nautisch onverantwoord. Men ging daarom op zoek naar locaties waar het mogelijk was de olie uit deze kleine schepen over te laden in grotere tankers. Dat werd het op 216 zeemijlen van Maracaibo gelegen Curaçao. De natuurlijke, diepe en ontwikkelde haven daar was bij uitstek geschikt als overlaadstation. Die taak werd ondergebracht bij de Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.) en het transport over zee aan dochterbedrijf de Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij (C.S.M.). Beide werden later integraal onderdeel van Shell.

2.      Chinese contractarbeiders

Eind jaren twintig begon de C.S.M. Chinese contractarbeiders te importeren, na instemming van de koloniale autoriteiten van de Nederlandse Antillen. Het merendeel van deze arbeiders was afkomstig uit Chinese buurten van Rotterdam, waar zij jaren hadden vertoefd. De C.S.M.-werknemers van Chinese afkomst gingen aan de slag als stoker of tremmer (kolensjouwer) in de machinekamer. Het immens zware werk vormde zowel een voedingsbodem voor het verlangen naar betere arbeidsomstandigheden als voor het veelvuldig gebruik van opium. Ter illustratie: Men ging er in die tijd in scheepvaartkringen van uit dat een stoker na zijn 35e jaar “op” was en niet meer geschikt voor zijn werk. Van alle C.P.I.M.-werknemers waren de Chinese contractarbeiders dan ook het slechtst af. Ze verrichtten het zwaarste werk voor het laagste loon. Daarnaast mochten ze zonder toestemming van de overheid niet aan wal op Curaçao en moesten ze op de tankschepen verblijven. De Nederlandse C.P.I.M.-werknemers woonden daarentegen in riante Shell-villa’s in dag en nacht bewaakte woondorpen als Julianadorp en Emmastad. De arbeiders uit West- Indië en Suriname woonden in volkswoningen, in wijken geïsoleerd van de Antillianen.

3.      De Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog werd Curaçao een van de grootste overslaghavens voor olie; schepen van tientallen naties werden de St. Annabaai binnengeloodst. Diverse instanties dachten aan de behoeften van de zeelieden. Deze faciliteiten waren echter niet weggelegd voor de Chinese schepelingen die het allerzwaarste werk opknapten. Zij moesten te allen tijde op de schepen blijven, ook als ze niet aan het werk waren. Dit begon al snel tot conflicten te leiden.

Op 3 september 1939 verklaarden Engeland en Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Op woensdag 20 september van dat jaar brak er bij de olieraffinaderij op Curaçao een staking uit onder zeelieden van Chinese afkomst. Het resultaat: een dode en een gewonde. Het incident bleef onvermeld in officiële verslagen. Er volgden meer conflicten.

Naarmate de olie voor de geallieerden steeds belangrijker werd, verschenen er steeds meer Duitse onderzeeërs die de schepen aanvielen. Die schepen waren een makkelijke prooi omdat het eiland nauwelijks door militairen werd beschermd. Ook de schepen zelf waren niet of nauwelijks beveiligd tegen het oorlogsgeweld op zee. Dit alles maakte het werken op de schepen nog stukken gevaarlijker, speciaal voor de Chinese zeelieden werkzaam in de machinekamers.

De Duitsers zorgden begin 1942 voor paniek onder het zeevarend personeel. Zij brachten op 16 februari 1942 in de buurt van Aruba en Curaçao de Lake-tankers Pedernales, Oranjestad, Monagas, Tia Juana en San Nicolas tot zinken, met veel doden en vermisten als gevolg. Voor de haven van Willemstad werd op die dag de C.S.M.-tanker Rafaela door een torpedo getroffen maar zonk niet. Later lukte het de Duitsers wel de Rosalia, ook een C.S.M.- schip, tot zinken te brengen. Een ander schip, de Elena, wist aan vernietiging te ontkomen.

4.      Staking

In diezelfde maand, februari in 1942, vonden enkele Chinese zeelieden de dood. Een olietanker kreeg een voltreffer van een Duitse duikboot. Gezien de hachelijke situatie op zee, gaf het gouvernement opdracht de tankers enige dagen aan de kades te houden, totdat men hun veiligheid kon garanderen. Toen het sein ‘veilig’ werd gegeven, weigerden de Chinese contractarbeiders, meer dan 400 in getal, echter weer aan het werk te gaan. Ze legden het werk neer en eisten betere veiligheidsvoorzieningen aan boord en een betere betaling. Ook een groep Nederlandse officieren weigerde uit te varen.

Een interventie van de Chinese consul te Trinidad, Hing King, haalde niets uit, evenmin als een telegram van de Chinese ambassadeur te Londen. Onderhandelingen stuitten steeds weer op de moeilijkheid dat, wanneer met een comité vertegenwoordigers van de Chinezen overeenstemming bereikt kon worden, daarna steeds weer een nieuw comité optrad, waarop nieuwe onderhandelingen volgden, met hetzelfde resultaat. Hierop moesten alle C.S.M.-Chinezen op 13 maart 1942 voor het politiebureau te verschijnen, alwaar achttien Chinese zeelieden (leiders) namens de Algemeen Militair Commandant officieel werden gevorderd om wederom te gaan varen.

De gevorderden weigerden. Vervolgens bracht de politie deze achttien zeelieden op een militaire truck naar het C.P.I.M.-kamp te Suffisant waar ze werden ondergebracht in loodsen. De honderden overgebleven stakers toonden zich solidair met hun 18 collega’s en bleven weigeren te varen. Daarop bracht de politie alle stakers, die luidt ‘we go camp’ scandeerden, op militaire C.P.I.M. trucks naar het kamp. Hierbij werd, volgens de C.P.I.M., de fout gemaakt dat de achttien leiders weer onderdeel van de hele groep werden. Dit was iets wat de C.P.I.M. had kunnen voorkomen en de gevolgen van deze nalatigheid zouden dramatisch blijken.

5. Tragische moordpartij

Op 20 april 1942, maandagochtend omstreeks 7 uur begaf Willem Johan van der Kroef, hoofdinspecteur van de politie, zich naar het bij de C.P.I.M. in gebruik zijnde kamp te Suffisant, waar de ruim 420 ‘onwillige’ Chinese schepelingen verbleven met bewaking. Van der Kroef had opdracht gekregen ongeveer 85 van deze mensen na naamscontrole over te brengen naar een ander naburig kampement. Drie dagen daarvoor, op vrijdag 17 april, was een eerdere selectiepoging met ongeveer 7 licht bewapende ambtenaren mislukt. Het betrof hier de afzondering van de vermeende leiders van de Chinezen die de C.P.I.M. zelf eerder had nagelaten te handhaven. Het was ook de C.P.I.M. die bij het gouvernement had aangedrongen op deze scheiding der stakers, waarbij de directeuren onomwonden stelden dat de staking desnoods maar met geweld beëindigd diende te worden, door het gouvernement.

Begrafenis van de gedode Chinese zeelieden, 1942

Van der Kroef postte twee brigadiers bij de open toegangspoort en twee brigadiers buiten aan de achterzijde van de slaapzalen. Nabij de poort bevonden zich een aantal C.P.I.M.- bewakers en een aantal politieagenten; die zouden zorgdragen voor de personen die in aanmerking kwamen voor overbrenging naar het nabijgelegen kamp. Van der Kroef en zijn mannen verzekerden zich ervan dat alle gevangenen zich op het open terrein bevonden dat omgeven was door een rasterwerk. Hierna betraden zij het terrein met de anderen. Vervolgens nam de hoofdinspecteur van politie in het kampement achter een tafel plaats met de kaarten met daarop de namen en foto’s van de stakers die er tussenuit moesten worden gehaald. Langs de slaapbarakken stonden agenten van de militaire politie opgesteld, met het gezicht gericht op de Chinese arbeiders die daar rustig rondwandelden. Inspecteur Van der Kroef vertelde de reden van zijn komst aan een Chinees die zeer goed verstaanbaar Nederlands en gebroken Engels sprak. De bedoeling was dat hij deze boodschap zou overbrengen aan zijn kameraden. In plaats daarvan ontstond er om tot op heden onopgehelderde redenen een oproer, dat alleen met overmacht aan vuurwapenen die men van tevoren in stelling had gebracht beëindigd kon worden. Na de korte maar hevige schietpartij lag de grond bezaaid met 12 vermoorde stakers, 38 zwaar- en 6 lichtgewonde stakers en vier gewonde agenten van de militaire politie. Binnen negen dagen zouden nog drie van de gewonde stakers overlijden aan hun verwondingen. De tragische en traumatische schietpartij was voor Van der Kroef en zijn mannen evenwel geen aanleiding om met hun werkzaamheden te stoppen. Nadat de lijken en gewonden waren afgevoerd werden te midden van de bloedvlekken alsnog tachtig stakende schepelingen uit de groep gehaald en naar een andere plek op het eiland overgebracht.

6.      Spoedbegrafenis en censuur

Hoewel de identiteit van de slachtoffers bekend was, kregen ze een anoniem graf tussen criminelen, zwervers, prostituees en ongelovigen op Kolebra Bèrdè (‘het kerkhof van de schande’). Binnen een dag dumpte men de eerste twaalf doden op de begraafplaats van Cas Chiquito, Kolebra Bèrdè, in een massagraf. Na enkele dagen volgden de laatste drie overleden zwaargewonden dezelfde weg. Ze lagen keurig op een rij, zonder naam, maar met een nummer op een stenen paal tussen anderen die door het koloniaal bestuur om verschillende redenen waren verdoemd en verafschuwd. Bij de begrafenis werd geen rekening gehouden met de religieuze en/of culturele achtergrond van de Chinezen.

Vertegenwoordigers van de Nederlandse Staat hebben zich nooit afgevraagd of er slachtoffers waren die volgens de boeddhistische regels begraven moesten worden en wie er mogelijk na de oorlog een herbegrafenis zou willen in moederland China.
De pers werd verboden over de gebeurtenissen te schrijven en de krant die dat toch probeerde, Amigoe, werd zwaar gecensureerd. Toen men op de lege plek van de censuur een protestboodschap plaatste over vrijheid van meningsuiting kreeg de krant een verschijningsverbod van enkele dagen. Gouverneur Wouters telegrafeerde op 21 april, een dag na de fatale schietpartij en nog voordat inspecteur Van der Kroef zijn eerste rapportage had ingediend, al een beknopt verslag van de gebeurtenissen naar de Nederlandse regering in ballingschap in Londen. Van die ongeïnformeerde lezing is de Nederlandse Staat tot op heden niet meer afgeweken, terwijl daar alle reden toe was.

7.      Uiteenlopende lezingen

Over wat er precies gebeurde op die 20e april 1942 bestonden, en bestaan, meerdere lezingen, waarvan twee dominante: een Nederlandse en een Chinese.
De Nederlandse lezing luidt dat de politie (gewapende leden van de vreemdelingenpolitie en de militaire politie en ongewapende bewakers van Shell) op dringend verzoek van de Shell- directie het Kamp Suffisant binnengingen om de werkwilligen te scheiden van de stakers. Omdat de eerder genoemde poging op 17 april niet was gelukt, kwam grover geschut uit de kast. De honderden zeelieden werden samengedreven op een open terrein, waarna zij met behulp van een tolk uitleg kregen over de bedoelingen. Deze tolk stond echter zelf op het lijstje van over te plaatsen personen. Hij zou met een schreeuw het startsein hebben gegeven voor een oproer. ‘De aanval kwam plotseling en volkomen onverwacht,’ aldus het rapport over de massale aanval waartoe de Chinezen opeens overgingen. Uit zelfverdediging gingen de politieagenten in het wilde weg schieten op de opdringende, met stokken, staven en stenen bewapende menigte.

In de Chinese visie (getuigenissen van Chinese overlevenden) verliep de schietpartij als volgt: Een flinke politiemacht – met bajonetten op de karabijnen – was het kamp in gestuurd. Bij het naar voren roepen van twee stakers zou het tweetal meteen zijn geschopt en geslagen. “Dit ziende,” aldus Wunsz King, de Chinese gezant die zich met de zaak bezighield, “rende een aantal van hun kameraden naar voren om hen te ontzetten, waarop de politie zonder waarschuwing begon te schieten. Deze onverwachte gewelddadige actie zette zoveel kwaad bloed, dat sommigen uit zelfverdediging pakten wat binnen handbereik was: variërend van politiewapens tot ijzeren staven.”

Een onafhankelijk onderzoek naar de toedracht van de gebeurtenissen lag, gezien de verschillen tussen de twee versies van de gebeurtenissen, lag voor de hand. De Chinese regering diende dan ook een officieel verzoek in de toedracht van de schietpartij nogmaals, gezamenlijk, te onderzoeken. De Nederlandse regering zag hierin echter vooral een gebrek aan vertrouwen in de rapportages van de Curaçaose koloniale overheid en weigerde. Ook van een onafhankelijk onderzoek door bijvoorbeeld de Amerikanen kon volgens de Nederlandse regering in ballingschap in Londen geen sprake zijn, om dezelfde reden: de zaak was al uitgezocht en afgedaan. Dat men zich hierbij primair en vrijwel alleen maar verliet op het proces-verbaal dat door dader, getuige en direct betrokkenen Van der Kroef was opgesteld, was geen reden om de zaak opnieuw te bekijken.

8.      De SEOC en haar missie

Sinds 2003 maakt de Stichting Eerherstel Oorlogsslachtoffers Curaçao (SEOC) zich hard voor de vermoorde Chinese schepeling. De SEOC kreeg in 2012 de regering van Curaçao aan haar zijde: de jaarlijkse Aprilmoorden herdenking op 20 april is inmiddels een officiële aangelegenheid. Als spreekbuis voor de stichting blijft voorzitter Nizaar Makdoembaks proberen om de Nederlandse overheid zo ver te krijgen dat zij:

  • zich alsnog opnieuw over zaak buigt
  • zich rekenschap geeft van de onhoudbaarheid van Van der Kroefs’ officiële verslaglegging
  • verantwoordelijkheid neemt voor het drama
  • zich navenant gaat gedragen richting de nabestaanden en de oneervol begraven slachtoffers.

Nizaar Makdoembaks

April / mei 2017

Nadere informatie

Nizaar Makdoembaks heeft over deze zaak vier boeken geschreven:

  • ‘Goelag in de Indische archipel’ (2008)
  • ‘De Aprilmoorden’ (2012, ook vertaald in het Papiaments)
  • ‘Chinezen gekwetst in Oost en West’ (2014, ook vertaald in het Engels)
  • ‘Killing Camp Suffisant’ (2017).

Meer informatie over de Aprilmoorden, en de daaraan verbonden monumenten op Curaçao, is te vinden op www.nationaalmonumentcuracao.com.