Het geheugen van de vakbeweging

Spoorwegstaking 1944 was een ramp

‘De kinderen van Versteeg moeten allen onder de wol,’ luidde in september 1944 de codeboodschap van Radio Oranje, in feite een stakingsparool voor het personeel van de Nederlandse Spoorwegen. Versteeg was de schuilnaam van de president-directeur Hupkes die op het moment van de uitzending op de golfbaan stond en direct onderdook.

In het Historisch Nieuwsblad (mei 2015) vraagt de journalist Maurice Blessing zich waarom het zo lang duurde voordat het bedrijf zijn ‘loyale samenwerking’ met de Duitse bezetter opzegde. Blessing noemt de spoorwegstaking ‘een ramp’ die zich ‘tot aan de bevrijding zou voortslepen.’
Al in 1942 was in De Waarheid een veelzeggende oproep verschenen aan het adres van de NS van de hand van verzetsvoorman Gerrit van der Veen om een onmiddellijk einde te maken aan het vervoer van politieke gevangenen en joden. ‘Spoorwegpersoneel, machinisten, bedenkt dat iedere trein die geladen met slaven door u vervoerd wordt, ter slachtbank gaat!’
Het zou ruim vier bezettingsjaren duren voordat de NS een einde maakte aan de onderdanige houding en het vervoer naar concentratiekampen. Evenals het vervoer van vijandelijke soldaten en oorlogsmaterieel. Het bedrijf werd er herhaaldelijk door de bezetter voor geprezen. Blessing wijt het deels aan de bedrijfscultuur van de NS met een groot saamhorigheidsgevoel, grote sociale controle en wederzijdse afhankelijkheid. 

Loyale samenwerking

Plichtsbetrachting, discipline en punctualiteit leidden tot de opvatting dat ‘wat er ook mocht gebeuren, de NS altijd moest blijven rijden’. De NS-directie sprak zich in een dienstorder van 20 mei 1940 dan ook uit voor ‘loyale samenwerking met de Duitsche autoriteiten’.
Die houding leidde later tot aanslagen van het verzet op treinen waardoor de leiding van het bedrijf wel gedwongen werd contact te leggen met het georganiseerd verzet. Maar de eerder genoemde Hupkes wees een staking af, tenzij de order daarvoor uit Londen zou komen. Bovendien wilde hij overleg voeren met één aanspreekpunt van het verzet.
De oproep tot staken komt voor veel betrokkenen als een verrassing. Volgens Radio Oranje zou er ‘na rijp beraad‘ toe besloten zijn door de Nederlandse regering in ballingschap. Blessing constateert dat ‘niets minder waar is.’ De meeste ministers horen ervan via de radio en merken pas later dat het initiatief tot de staking in werkelijkheid uitging van het geallieerd opperbevel, ter ondersteuning van de ambitieuze Operatie Market Garden, een poging om bij Arnhem via de Rijn door te stoten tot Berlijn. Eisenhowers hoofdkwartier hield het Nederlandse kabinet bewust buiten de stakingsplannen, die de geallieerde operatie moest ondersteunen en de aanvoer van Duitse soldaten en materiaal verhinderen.

Effecten desastreus

Het gevolg van het gebrek aan planning en organisatie was een chaotisch begin, waarbij de stakingsoproep terecht kwam bij slecht voorbereide individuele werknemers. Enkel in Friesland en het westen van het land werd de oproep massaal beantwoord. Het verwachte snelle succes bleef uit en de effecten van de spoorwegstaking bleken op langere termijn desastreus. Het vervoer van voedsel en brandstoffen naar het westen van het land kwam tot stilstand, wat de effecten van de Hongerwinter zou verergeren. Maar de regering liet op 25 januari 1945 weten dat de staking zou worden voorgezet. 
Maar hoe moesten de ondergedoken NS’ers worden voorzien van voedsel en geld? In zijn boek Aan de Maliebaan beschrijft Ad van Liempt hoe Marie-Anne Tellegen, bewoonster van Maliebaan 72bis en buurvrouw van de Sicherheitspolizei Maliebaan 74, een verbindende en dirigerende centrale figuur speelt die de touwtjes in handen heeft of neemt bij de financiering van de 30.000 NS- medewerkers.
Het blijkt een grote klus om aan voldoende geld. Men had immers gerekend op een korte staking en niet op een die acht maanden zou duren. Maar Tellegen had uitstekende contacten met de meeste sectoren van het verzet en klopte aan bij het Nationaal Verzet, dat via de kassen van de Nederlandse bank over miljoenen guldens kon beschikken. Via koeriersters per fiets werden de zogeheten ‘roggebroodjes’, pakketten van vijfhonderd biljetten van honderd gulden, verspreid en verdeeld onder de gezinnen van de stakers en de onderduikbieders.
Blessing concludeert cynisch dat de vele Nederlandse politieke gevangenen in concentratiekampen niet konden beschikken over voedselpakketten. Zij waren al eens slachtoffer geweest van de gedienstige opstelling van het NS-personeel en werden het nu weer door hun verlate werkweigering.
Kees van Kortenhof
Juni 2015