Het geheugen van de vakbeweging

Sigarenmakers

De Nederlandsche Sigarenmakersbond is opgericht in 1871. Uit hetzelfde jaar stammen ook de sigarenmakersverenigingen in Den Haag, Rotterdam en Dordrecht. De sigarenmakerijen zijn te vinden in heel Nederland met name in de grotere plaatsen. Een concentratie van de sigarenindustrie vindt eerst later plaats in onder meer Valkenswaard en Kampen.

De sigarenmakerij

De “zegetocht” van de sigaar begint in het midden van de 19de eeuw. De ontwikkeling van de koloniale tabakscultuur in Nederlands-Indië doet de oude tabaksmarkten van Rotterdam en Amsterdam weer opbloeien. De Indische tabak leent zich uitstekend voor het maken van sigaren. Het aantal sigarenmakers stijgt van minder dan 2.000 in 1850 tot 15.000 in 1890. De groei zet door tot meer dan 25.000 sigarenmakers ten tijde van de Eerste Wereldoor-log. Daarna zijn de hoogtijdagen van de sigaar echter voorbij en wint de sigaret, tot dan toe gezien als een product voor verwijfde dandy’s en vrouwen van lichte zeden, aan populariteit. De sigarenmaker van de tweede helft van de 19de eeuw is een apart en ook wel berucht soort werkman, die vaak een ongeregeld en zwervend bestaan leidt. Vrouwen en jonge kinderen strippen de tabak, terwijl de wat oudere jeugd werkt als bosjesmaker (degene die het omblad wikkelt om het binnengoed). Volwassenen werken tien tot twaalf uur per dag. Drankmisbruik – ook in de werkplaatsen – is eerder regel dan uitzondering. ‘Maandag houden’ komt regelmatig voor. De arbeidsverhoudingen in de sigarenmakerij zijn slecht. Werkonderbrekingen, arbeidsconflicten en verbeten stakingen zijn dan ook geen incidenten. Eerst in 1913 slagen de sigarenmakersbonden erin erkenning af te dwingen bij de werkgevers en wordt er een loonregeling ingevoerd die de arbeidsmarkt stabiliseert. Vóór die tijd houden veel sigarenmakers het slechts enkele weken bij een baas uit en vertrekken ze weer om hun geluk elders te zoeken. De aard van het ‘bedrijf’ leent zich daartoe. Sigarenbedrijfjes schieten overal in het land als paddestoelen uit de grond om bijna even vaak weer net zo snel te verdwijnen. Iedereen kan proberen in deze bedrijfstak de kost te verdienen. Er is geen grote vakkennis vereist en ook geen kapitaal. Tabak kan naar behoefte worden ingekocht, machines worden niet gebruikt en een bedrijfspand is niet vereist. Huisnijverheid, klein-, midden- en grootbedrijf het bestaat allemaal naast en door elkaar.

Nederlandsche Sigarenmakersbond

Op 4 februari 1871 wordt door de twee Amsterdamse sigarenmakersverenigingen, Door Vriendschap Bloeiende en Eensgezindheid Baart Vreugde een meeting georganiseerd waar de Nederlandsche Sigarenmakersbond wordt opgericht. Voorlopig blijft deze ‘Nederlandse’ organisatie tot Amsterdam beperkt. Van invloed op de oprichting van deze naar Nederlandse begrippen vroege landelijke vakorganisatie is het congres van de Internationale van Sigarenmakers een maand eerder te Antwerpen en de vele contacten die sigarenmakers hebben met vakgenoten in Londen. Eensgezindheid Baart Vreugde is op het Antwerpse congres vertegenwoordigd. Naar gezegd wordt zijn er sigarenmakers die half in Londen en half in Holland wonen en voor wie een oversteek van het ene naar het andere land niets bijzonders is. De Engelse vakverenigingen strekken tot voorbeeld en ook hun tactiek wordt nagevolgd. Al spoedig wordt een uitkering bij werkloosheid ingevoerd om druk op de lonen te voorkomen. Enkele maanden na de oprichting van de Nederlandsche Sigarenmakersbond komen er ook sigarenmakersvereni-gingen in onder meer Den Haag, Rotterdam en Dordrecht tot stand, die zich vrijwel onmiddellijk aansluiten bij de landelijke organisatie. Het eerste bondscongres vindt in oktober 1871 te Rotterdam plaats. Volgens opgave van J.W. Wertweijn, de eerste voorzitter van de bond, zijn er afdelingen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Leiden, Dordrecht en Delft met gezamenlijk meer dan 2.000 leden.

Loonsverhoging en uitsluiting

Het jaar 1873 is nog nauwelijks aangevangen of in Rotterdam breekt een staking uit. Door een van de fabrieken zijn een tweetal afdelingsbestuurders ontslagen, omdat ze bezwaar durfden te uiten tegen een loonsverlaging. De overige werknemers, zo’n twintig in getal, leggen het werk neer. De staking wordt ruim twee maanden volgehouden, maar gaat door de aanwezigheid van voldoende onderkruipers verloren. Uit een nobele daad van de sigarenfabrikant Meyer te Amsterdam ontstaat een conflict, die voor de sigarenmakers slecht afloopt. Op nieuwjaarsdag 1873 deelt Meyer zijn werknemers mee, dat hij de lonen met f 0,50 zal verhogen. Het loon wordt daardoor f 4,00 respectievelijk f 4,50, al naar gelang de soort, per 1.000 stuks sigaren. Wat later in het jaar verhoogt hij het loon nog eens met f0,50. De werknemers plaatsen een advertentie in Het Handelsblad om hun dankbaarheid te tonen. De dag na publicatie wordt Meyer door zijn medefabrikanten heftig aangesproken en van de beurs verdrongen. Onder leiding van Wertweijn besluiten de sigarenmakers om ook bij andere sigarenfabrieken aan te dringen op loonsverhoging en tevens op afschaffing van de livretten. Het laatste is zoveel als een ‘zwarte lijst’ aangezien alleen zij die in het bezit zijn van een livret – een getuigschrift met aanbeveling – in dienst worden genomen door de sigarenfabrikanten. Bij de fabriek van B. Bergman Carels wordt ‘de kat de bel’ aangebonden en op 11 april een partiële staking uitgeroepen. De sigarenfabrikanten reageren met uitsluiting, eerst in Amsterdam en daarna o.m ook in Den Haag, Rotterdam, Leiden, Delft, Gouda en Ridderkerk. Het conflict breidt zich uit en op 5 mei zijn er 232 fabrieken bij betrokken. De doelstelling van de patroons is duidelijk: de bond vernietigen. Het recht op organisatie wordt de werknemers ontzegd door werkgevers die zich-zelf hecht aaneensluiten. Nieuw is dat de pers, die tot dan toe weinig aandacht besteed aan arbeidsconflicten en arbeidsomstandigheden, niet alleen schrijft over het conflict, maar ook begrip toont voor de eisen van de stakers. In de kleinere plaatsen houden de werknemers geen stand en gaan op de eis van de patroons om uit de bond te stappen in. Zo hebben eind april te Leiden van de 130 leden die de bond telt er 30 ontslag gekregen en de overige 100 voor het lidmaatschap bedankt. De afdeling Leiden van de bond is kapot en zo gaat het in de meeste plaatsen. Slechts in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht houden de werknemers vol, al zal het ook daar op een nederlaag uitlopen. Het conflict betekent het einde van de Nederlandsche Sigarenmakersbond.

Nederlandsche Sigarenmakers- en Tabaksbewerkersbond (NSTB)

Na de opheffing van de Nederlandsche Sigarenmakersbond ontstaan plaatselijk nieuwe verenigingen van sigarenmakers die op 25 december 1887 de Nederlandsche Sigarenmakers- en Tabaksbewerkersbond (NSTB) op-richten. Op de dag van de oprichting is het bar koud in het Vokspark te Amsterdam. De kachel is stuk en het water bevriest in de glazen. Als afgevaardigden van de plaatse-lijke verenigingen zijn aanwezig: H. van Veen, N.M. Roetman en H.M. Kamphuyzen uit Amsterdam; A. Boer-koel, H. Eichelsheim en F.W. Gebing uit Rotterdam; A.J. Tegelaar uit Den Haag en A. Groenendaal uit Dordrecht. De oudste statuten van de bond (1890) bepalen onder meer: “Het doel van de Nederlandsche Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond is:

  • de stoffelijke en zedelijke verheffing zijner leden
  • het verkrijgen van hun burgerlijke en politieke rechten.

Reeds in 1890 wordt door de NSTB een weerstandkas gevormd en de besluitvorming over stakingen wordt bij het hoofdbestuur neergelegd. De “moderne” richting is dus onder de sigarenmakers al vroeg aanwezig. De contributie bedraagt zeven cent per week en is als volgt opgebouwd:
– 3 cent voor de bondskas voor algemene uitgave w.o. het vakblad; – 2 cent voor de weerstandskas;
– 1 cent voor een internationale weerstandkas;
– 1 cent voor een reiskas.
In 1891 kent de bond al 20 afdelingen. In 1894 is de zetel van het hoofdbestuur in Rotterdam gevestigd. A. Boer-koel is voorzitter, H. van Buuren en J. Kraat zijn de secretaris en de penningmeester.

De Weduwe

De patroons in de sigarenindustrie zijn nog steeds niet gesticht van het bestaan van een vakorganisatie en doen er alles aan om de bond te ondermijnen. Zo biedt de firma Schuppen te Veenendaal haar werknemers loonsverho-ging aan mits ze de bond verlaten. De werknemers gaan hier niet op in, maar enige weken later worden ze uitgesloten. Het is: “uit de fabriek of uit de bond.” In 1895 trekt de Erven de Wed. J. van Nelle in Rotterdam ten strijde tegen de bond. Tachtig leden van de bond wor-den bij het conflict betrokken. Veel leed en armoede krijgen de uitgeslotenen en stakers te verduren, zonder dat ze ook maar een kans hebben het conflict te winnen. Van Nelle verplaatst tijdens het conflict de productie naar Kampen. Het bedrijf slaagt in haar opzet en haar dank gaat uit naar de politie die zij per advertentie bedankt, een partij sigaren, tabak en pruimtabak ter beschikking stelt en een som geld in het weduwe- wezenfonds van de Her-mandad stort. Troelstra zal in zijn verdediging van een van de stakers in het proces wat tegen hem is aangespannen door het bedrijf het “vermomde omkoperij” noemen.

Landelijke loonregeling

In 1910 aanvaarden de samenwerkende tabaksbewerkers-bonden een gemeenschappelijk program ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Inzet is vooral een landelijke loonregeling. Tot dan toe zijn de loonregelingen partieel, dat wil zeggen per bedrijf, of plaats, afgesloten. Het geheel aan regelingen en afspraken doet chaotisch aan. De combinatie van sigarenmakers en tabaksbewerkersbonden besluiten om actie te ondernemen om tot een landelijk uniforme regeling te komen, te beginnen in Dordrecht, Gorinchem en Rotterdam. Het overleg met de patroons in die plaatsen levert niets op en met ingang van 20 januari 1913 wordt de staking aangezegd. De reactie van de werkgevers is als van ouds en er volgt in het hele land een uitsluiting van de georganiseerde werknemers. Door de NSTB worden de niet georganiseerde werkne-mers nu ook opgeroepen om aan de staking deel te ne-men. Op 20 maart zijn er in 44 plaatsen 168 fabrieken bij het conflict betrokken. 4277 georganiseerden zijn uitge-sloten en daarnaast zijn er nog 474 ongeorganiseerden stakers, die door de bond worden ondersteund. Het con-flict sleept zich tot in mei voort. In het zuiden wordt het conflict beslist door arbitrage. De uitspraak van de arbitrage vindt op de zelfde dag plaats als het einde van de staking in het noorden. De landelijke loonregeling is in beginsel bereikt al blijven er verschillen bestaan staan tussen noord en zuid en wordt de regeling niet in alle fabrieken doorgevoerd. De verplichting geldt alleen voor die bedrijven die aangesloten zijn bij een van de patroonsbonden en lang niet alle sigarenfabrieken zijn georganiseerd. Tegen een aantal van deze ongeorgani-seerde werkgevers volgen nieuwe acties om ook daar de loonregeling ingevoerd te krijgen.

TBC-fonds

Tuberculose vormt een grote bedreiging voor de gezondheid van de sigarenmakers. Bij besluit van het congres van de NSTB in 1918 wordt het Fonds ter bestrijding der Tuberculose opgericht. Door middel van giften en collec-tes, maar vooral ook door een wekelijkse contributie van de leden van de NSTB, verkrijgt het fonds zijn inkomsten. In de achttien jaar dat het fonds bestaat worden tientallen leden, maar ook hun vrouwen en kinderen, financieel ondersteund in de onkosten die de geneeskundige behandeling met zich meebrengt. Het fonds gaat in 1936 op in het overkoepelende NVV-TBC-fonds.

Mechanisatie

Sigaren maken blijft heel lang handwerk. In 1930 worden er nog vrijwel geen machines gebruikt. In één decennium wordt de achterstand in mechanisering ingehaald. In 1939 wordt nog slechts 23% van de productie geheel handmatig vervaardigd. 7% wordt geheel machinaal gemaakt en 70% halfmechanisch. Het gevolg van de mechanisatie is een drastische verhoging van de productie. Een sigarenmachine produceert 6 ŕ 7 keer zoveel als een sigarenmaker. De in de jaren dertig van de 20ste eeuw oplopende werkloos-heid onder de sigarenmakers wordt dan ook toegeschre-ven aan de mechanisatie. De acties van de bonden in 1934 richten zich dan ook op een wettelijk verbod van verdere mechanisatie. De kleinere werkgevers die halverwege de jaren dertig nog niet tot mechanisatie zijn overgegaan steunen de bonden. Uiteindelijk hebben de acties succes en wordt er een unieke wet aangenomen die verdere mechanisatie beperkt.

Fusie

Als in 1953 in het NVV wordt overgegaan op de zogenaamde bedrijfstaksgewijze organisatie, waarmee het onderscheid tussen handarbeiders en beambten vervalt, verandert de naam van de NSTB in: Algemene Nederlandse Bedrijfsbond voor de Tabakverwerkende Industrie (ANBTI). Veel perspectief is er voor de organisatie echter niet meer. De sigarenindustrie heeft allang zijn hoogte-punt gehad en de overige tabaksverwerkende industrie is toch te klein om op den duur voldoende werkterrein voor een zelfstandige organisatie op te leveren. In 1968 besluit de ANBTI, na besprekingen met de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC), zich zelf op te heffen en op te gaan in de ABC. Op 1 januari 1969 is de fusie een feit en komen de 2256 leden van de ANBTI terecht in de ABC.
©Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
10 september 2002

Geraadpleegde literatuur

G. de Groot, Fabricage van verschillen (Amsterdam 2001)
W. van der Hoeven, Nederlandse Sigarenmakers- en tabaksbewerkersbond. Zijn geschiedenis, werken en streven (Amsterdam 1937)
J. Houkes,’Gebing, Friedrich Wilhelm’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1992) Deel 5
D. Hudig Jr., De vakbeweging in Nederland 1866-1878 (Amsterdam 1904)
B. Marinus, ‘Eichelsheim, Henri Johannes Jocobus’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1987) Deel 2
J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland (Amsterdam 1926) Deel 1
‘De triomf van de sigaar’ in: A.F. Manning en P.W. Klein e.a., Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)
Een gulden mijlpaal. Feestuitgave ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Nederlandse R.K. Tabaksbewerkers-bond ‘St. Willibrordus’ (Eindhoven 1947)