Het geheugen van de vakbeweging

Sheila Sitalsing spreekt over haar ‘ideale vakbond’ bij de lancering van de website Vakbondsverhalen


Sheila Sitalsing bij lancering website Vakbondsverhalen

Ideale vakbond probeert representativiteit te vergroten

Bij de lancering van de website Vakbondsverhalen, op 23 januari 2018 in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam, schetst Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing, op basis van haar eigen ervaringen scherp en humorvol hoe haar ideale vakbond eruit ziet. Een bond die niet bang is voor de nieuwe tijd, niet voor robots of voor zzp’ers en niet probeert alleen maar om dat soort verschijnselen duurder te maken en ongewenst te verklaren. Zij pleit voor een bond voor alle werkenden in vaste en tijdelijke loondienst en voor zelfstandigen van allerlei pluimage. Hieronder haar gesproken column.

“Deze zaal zit vol met mensen die alles weten over hoe het was, hoe het is en hoe het moet worden; het zoveelste commentaar daaraan toevoegen zou zinloos zijn. Wat ik wel ga doen, is iets vertellen over mijn persoonlijke geschiedenis met de vakbond.
“Die begon in de jaren negentig van de vorige eeuw, met mijn eerste arbeidscontract. Een leerlingenplek, tijdelijk van aard, tegen een minimaal salaris – een CAO-plek, heette zoiets, en die hadden wij, groentjes op deze leerlingenplekken, volledig te danken aan de vakbond, zo werd ons diverse malen ingepeperd door de bond. Meteen lid worden was wel het minste dat ik kon doen om mijn dankbaarheid te betonen – en dat deed ik.

Topuitvinding

“Ik had ooit op de universiteit geleerd dat in landen met een sterke vakbeweging álle werknemers over de hele linie beter verzorgd worden, een groter deel van de koek mee naar huis nemen en ook anderszins gelukkiger zijn – en dat bleek. Ik vond het een wonder, al die rechten waar ik helemaal niets voor hoefde te doen. Vakantiedagen, snipperdagen, compensatiedagen, verhuisdagen, zomaar ziek thuis mogen blijven – en dat salaris maar doorlopen. Wat een topuitvinding, zo’n vakbond.
“De gaapverwekkende details over onderhandelingen, CAO, WAO en al die andere afkortingen nam ik voor kennisgeving aan en mijn contacten met de bond beperkten zich tot het gireren van de kwartaalcontributie. Totdat ik me een paar jaar later vrijwillig liet begraven in de deelnemersraad van het pensioenfonds van mijn toenmalige werkgever. Het was crisis (toen ook al), het ging niet goed met het bedrijf en nog slechter met het bijbehorende pensioenfonds. Er moest echt, zo vond iedereen, iemand letten op de belangen van de werkende en zich blauw aan pensioenpremie betalende collega’s.
“Uiteraard wilde niemand. Want voor het binnenhalen van medezeggenschap worden stenen door ruiten gegooid en kruispunten lamgelegd, maar als het op het uitoefenen van dat recht aankomt, heeft plots niemand zin om in een muf vergaderzaaltje te gaan zitten praten over de notulen van de vorige keer.

Bejaarde graaier

“In die meepraatraad zat een bejaarde meneer. Hij zat in die raad met als enig doel om ons omstandig uit te leggen dat het jonge grut tot nader order meer premie moest ophoesten en van rechtenopbouw moest afzien om zíjn indexering veilig te stellen. Dat leek mij niet supersolidair, aangezien ik jarenlang zonder zeuren zijn vut had betaald. Dat vindt mijn bond natuurlijk dacht ik vol onschuldig vertrouwen en ik belde ze erover op. Ze bleken min of meer voor de bejaarde graaier te zijn. Kort daarna zijn ze daar op teruggekomen, en is het best goed gekomen met dat pensioen. Maar toen had ik mijn lidmaatschap al opgezegd.

“Ik had de eerste glimpen opgevangen van de spagaat die de diverse vakbonden nóg weer jaren later zou splijten: de schier-onmogelijkheid van het verenigen van de belangen van oud en jong, van veelverdieners en weinigverdieners, van hoogopgeleid en laaggeschoold.

“Later ben ik gewoon weer lid geworden, hoor. Niet omdat ik het idee had dat ik er persoonlijk veel mee opschoot, maar uit plichtsbesef en uit een soort vage, historische dankbaarheid over alles wat de vakbeweging in het verleden heeft bereikt. En ook omdat ik best gecharmeerd ben van een goede staking op zijn tijd.
“Ik ging uit dienst, ik werd freelancer, ik ging me druk maken over de waardeloze tarieven voor en de onderhandelingspositie van freelancers die een minder mooie plek in de krant hebben dan ik en die zich een minder grote mond kunnen permitteren dan ik. Ik ging me verwonderen over de blinde vlek die collega’s in vaste dienst hiervoor hebben.
“En ik zag een nieuwe spagaat bij de bonden: de schier-onmogelijkheid om de belangen te verenigen van de mensen met de goudgerande contracten en het imposante zitvlees enerzijds en de belangen van de mensen die daaromheen zweven als huurlingen en oproepkrachten anderzijds.

Vastediensters

Sheila Sitalsing met collega-journalist Menno Tamminga (NRC-Handelsblad) op de bijeenkomst ter lancering van website Vakbondsverhalen

“Ik zit bij de NVJ, die doet ontzettend zijn best, met fantastische mensen, maar het is niet makkelijk. De ietwat gebrekkige solidariteit van oud met jong kan soms best wel een dingetje zijn, maar vlak het totale gebrek aan solidariteit van vastediensters met alles wat dat niet is niet uit. Ga er maar aan staan, als vakbeweging.
“Je moet een pensioenakkoord afsluiten met polder en kabinet, maar voor de belangen van welk leeftijdscohort ga je strijden? Je moet een akkoord sluiten over flexibele arbeid, maar ga je op voor de belangen van de zittende elite, of voor de mensen met een tijdelijke staanplaats?

“Mijn ideale vakbond gaat de lusten en de lasten een beetje verdelen, een beetje minder hier, een  beetje meer daar. Mijn ideale vakbond realiseert zich dat het eigen ledenbestand niet per se een goede afspiegeling is van de nieuwe werkelijkheid op de arbeidsmarkt. Mijn ideale vakbond verbreedt, gaat in gesprek met al die groepen die geen lid meer worden en probeert zodoende haar representativiteit te vergroten. Mijn ideale vakbond is niet bang voor de nieuwe tijd, is niet bang voor robots of voor zzp’ers en probeert niet alleen maar om dat soort verschijnselen duurder te maken en ongewenst te verklaren.

Flauwekul

“Mijn ideale vakbond weet dat de verklaring die je nogal eens hoort voor het teruglopende ledental – namelijk de mensen zijn individualistisch geworden, dat ze niet meer willen meedoen aan collectiviteiten, dat ze niet meer weten wat solidariteit is, dat ze liever op eigen houtje onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden  – flauwekul is. Ik zie enorm veel behoefte aan saamhorigheid, aan vereniging, aan collectiviteit, aan delen van lief en leed, aan een vuist maken tegen monopolistische opdrachtgevers, aan collectief hameren op beroepstrots, onder jonge mensen, onder sappelende freelancers, onder goedbetaalde zelfstandige professionals. Ze vormen broodfondsen, ze vormen hun eigen federaties – de Nederlander is in het diepst van zijn wezen een verenigingsmens. Mijn ideale vakbond past het principe van organizing breed toe, slaat een brug naar alle groepen en verenigt ze.

“Mijn ideale vakbond zoekt naar nieuwe vormen en gedachten.”

Sheila Sitalsing

Januari 2018