Het geheugen van de vakbeweging

Rooms-katholieke vakbeweging op de bres voor kinderbijslag

Het is binnenkort weer kerstmis en dan buigen we ons over het kribje met het kind. Jozef en Maria kregen geen kinderbijslag, al is het ook niet niks als je kraamvisite krijgt van drie koningen.

Over de kinderbijslag als aanvulling op het inkomen van de kostwinner lezen we nu voor ons wat vermakelijk overkomende verhalen in de vakbondsbladen van zo’n kleine eeuw geleden. Daaronder schuilt echter wel een zekere tragiek. Eén ding is zeker, de rooms-katholieke vakverenigingen maakten zich sterker voor deze arbeidsvoorwaarde dan de NVV-bonden. Over gezinsplanning had men in rooms-katholieke kring andere opvattingen dan in de niet-confessionele stromingen van onze samenleving. 

‘Loon aanvullen met kindertoeslag’

In het eerste nummer van Het Bondsblad van de Ned. R.K. Bond van Houtbewerkers, Meubelmakers, Behangers en aanverwante vakgenooten ‘Sint Antonius van Padua’ van 15 maart 1920 lezen we: ‘En als men nu weet, dat reeds eerder de H. Vader behandelt, dat de mens van nature geneigd is zich een gezin te scheppen en dit door hem moet onderhouden kunnen worden, dan zien wij, dat er aan ons loon vooralsnog iets ontbreekt, en dat we dit, totdat een betere regeling gevonden is, mogen, neen, moeten aanvullen door kindertoeslag. Leden helpt ons door gestage propaganda onze invloed dermate uit te breiden, dat we, als het niet anders kan, deze regeling kunnen invoeren zonder hulp van socialisten en anarchisten.’ 
De redacteur van Het Bondblad zit het hoog. Enkele maanden later schrijft hij: ‘De socialistische arbeidersleiders moeten eens aan de moeders van onze groote gezinnen gaan vragen, die kindertoeslag genieten, of ze die weer zouden willen missen. De moderne of socialistische arbeiders zeggen wel, dat het loon zoodanig moet wezen, dat een normaal gezin, dus een met 3 of 4 kinderen, moet kunnen bestaan van het verdiende loon, en dit zijn wij volkomen met hen eens, maar zij vergeten, dat het in Katholieke arbeidersgezinnen zoo meenigmaal voorkomt, dat er meer dan 3 of 4 kinderen zijn, en ……………….die moeten toch ook verzorgd worden. Ja, zegt men van de overzijde, maar zo’n groot gezin is te voorkomen. Maar dan zeggen wij Roomsche arbeiders: wij passen voor die middelen. Wij hebben als Roomsche mannen en vrouwen den plicht op ons genomen, om ook de lasten des levens te dragen en indien we die kunnen verlichten op een eerlijke manier, door kindertoeslag, zullen we dit met beide handen aangrijpen.’ De schrijver wijst op een inconsistentie bij de socialisten, namelijk dat ze bij stakingen of uitsluiting toch ook kindertoeslag aan de daarvoor in aanmerking hoofden van gezinnen geven. 
De katholieke arbeidersbeweging heeft een grote bijdrage geleverd aan de bevordering van het gezinsideaal. De denkbeelden in katholieke kring over kinderbijslag pasten bij die over de natuur, de positie en de rol van de vrouw. Het is destijds fraai geformuleerd: ‘Een vrouw sluit aan den voet des altaars een heilige verbintenis met een man en belooft voor God, dat zij haar leven lang de plichten van vrouw en moeder en hoofd van het huishouden zal vervullen. Is het haar nu geoorloofd, zelfs met toestemming van de man, naderhand een tweede verbintenis te sluiten met een fabriek, tegen zooveel en zooveel per week, waardoor het haar onmogelijk wordt haar mans voedsel te bereiden, haar kinderen op te voeden en haar huishoudelijke plichten waar te nemen?’

Aanvaarding Kinderbijslagwet 

Het is koren op de molen van de rooms-katholieke minister C.P.M. Romme die eind jaren dertig van de vorige eeuw probeerde arbeid van gehuwde vrouwen buitenshuis te verbieden. Romme werd in de katholieke pers uitbundig geprezen voor zijn wetsontwerp over de Kinderbijslagwet. Het werd in december 1938 door de Tweede Kamer met 66 tegen 22 stemmen aanvaard. Het haalde de buitenlandse pers. L’Osservatore Romano maakte er op de voorpagina melding van. 
Het Verbond van Nederlandse Werkgevers moest er niets van hebben. De werkgevers zouden er premie voor gaan afdragen, maar zagen gemakshalve over het hoofd dat bij de initiatiefnemers meespeelde dat invoering nodig was om de te verwachten drang naar loonsverhoging op te vangen. Een jaar later rondde de Eerste Kamer het debat met een grote meerderheid af. De voorzitter van het RK Werkliedenverbond A.C. de Bruijn, tevens Eerste Kamerlid, was er blij mee. 
De afdeling Pijnacker van de Rooms-katholieke Staatspartij zegde toe in de kerstnacht ‘de zegen van ons kerstkind’ over Romme en zijn gezin te zullen afbidden. De uitvoering liet nog een jaar op zich wachten. De Volkskrant is jubelend over de Kinderbijslagwet: ‘Deze wet brengt als ’t ware een ommekeer in de economische positie en de zedelijke waardering van gezin en arbeid. De vader dier wet kan rekenen op de dankbaarheid van ons volk’ (30-12-1940).

Lichtpuntje

Met ingang van 1 januari 1941 treedt de Kinderbijslagwet in werking, een lichtpuntje in de bezettingstijd. Alle loontrekkenden krijgen dan kinderbijslag vanaf het derde kind onder de 15 jaar. De wet sluit, zoals uit het voorgaande blijkt, aan op eerdere kinderbijslagregelingen voor bepaalde beroepsgroepen in het bedrijfsleven. 
Vroeger was er in veel arbeidersgezinnen en bij kleine zelfstandigen sprake van armoede. Men leefde op het bestaansminimum. De welvaart is toegenomen, maar het is nog steeds zo dat veel gezinnen de kindertoeslag goed kunnen gebruiken. Met kerstmis mogen we de betekenis van de katholieke sociale leer in dit opzicht met terugwerkende kracht wel benadrukken. Van de mooie kersttoespraken waarin gemeenschapszin en offervaardigheid worden aangeprezen zou beleid moeten worden gemaakt.
Harry Peer
December 2014