Het geheugen van de vakbeweging

Nederlands delegatie in 1980, vnlr: Tom Etty (FNV), Elske ter Veld (FNV), Andries de Bruin (FNV, werknemersgedelegeerde), Arno Kuizinga (Dienstenbond FNV), Arie Hordijk (CNV), Max de Leeuw (FNV), vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen, Aart-Jan de Geus (CNV) en Oscar de Vries Reilingh (oud-beleidsmedewerker Internationale Zaken van de FNV, destijds directeur van het IVVV-bureau in Genève

100 jaar IAO – 01

Roolvink’s ‘knevelwet’ sneeft bij de IAO

Begin 2019 is Tom Etty in Leiden waar de universiteit samen met het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid een bijeenkomst heeft belegd over honderd jaar Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Hij heeft het reilen en zeilen van  de IAO  bijna een derde van die eeuw als FNV-vertegenwoordiger meegemaakt, vandaar. Zijn gedachten dwalen af naar een FNV-afdelingsvergadering in Ulft, ergens in de jaren ’80, waar hij de vraag heeft gekregen: “Het zal allemaal wel belangrijk zijn, die vergaderingen in het buitenland,  maar vertel nou eens eerlijk- wat doen jullie daar toch  in Godsnaam?” Die vraag, en vele verwante vragen, worden door Tom Etty op de VHV-website Het geheugen van de vakbeweging in de komende tijd beantwoord. Daarin doet hij uit de doeken wat het belang van de IAO is voor het dagelijks vakbondswerk. Het eerste verhaal gaat over de Loonwet 1969 van minister Bauke Roolvink.

“’En hoe nu verder na honderd jaar?’ was de vraag die de sprekers op die middag aan het Rapenburg probeerden te beantwoorden: minister Koolmees  van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de hoogste baas van de ILO en een van zijn stafleden, Catelene Passchier voor de FNV, een vertegenwoordiger van VNO-NCW, en twee professoren.
“Al luisterend naar hun deskundige betogen dwaalden mijn gedachten af naar een zaaltje in Ulft, waar ik ergens in de jaren 80 een spreekbeurt moest houden voor de plaatselijke afdeling van de FNV. Ik ben vergeten wat mijn onderwerp die avond was, maar weet nog  wel dat de eerste vraag die ik na de pauze kreeg daar helemaal niets mee te maken had. De collega die hem stelde haakte in op wat ik in mijn eerste zinnen gezegd had over wat ik deed bij de vakcentrale: internationale zaken. “Het zal allemaal wel belangrijk zijn, die vergaderingen in het buitenland,” zei hij, “maar vertel me nou eens eerlijk- wat doen jullie daar toch  in Godsnaam? Ik vind het prachtig hoor, opkomen voor vakbondsmensen die het moeilijk hebben  in Chili, in Zuid Afrika, of Turkije. Maar daarvoor ben ik, en zijn de meesten hier denk ik, toch echt geen lid van de bond geworden. Ik wil in de eerste plaats dat de bond gewoon mijn belangen verdedigt. En vertel nou eens  wat  jij dááraan doet, daarginds  in Brussel en Geneve?”

“Ja, wat heeft internationaal vakbondswerk nou eigenlijk van doen met wat de kern is van vakbondswerk: de behartiging van de belangen van de leden? Meer dan genoeg, bleek al gauw. We kwamen  te spreken over de IAO, over loonbeleid en collectief onderhandelen. Daar bleek genoeg stof in te zitten voor de rest van de avond. Dat zat zo.

Loonmaatregelen

Bauke Roolvink, minister van Sociale Zaken in het kabinet-De Jong (1967-1971)

“Dik  vijftien jaar eerder, in 1969, had minister Roolvink van Sociale Zaken uit het kabinet-De Jong (1967-1981) met hangen en wurgen een wet op de loonvorming door het parlement gekregen die hem de bevoegdheid gaf in te grijpen in  cao-onderhandelingen. De verzamelde vakbeweging was tegen die “knevelwet” te hoop gelopen, had alle middelen die ze maar had ingezet, maar vergeefs. De wet kwam er en de ingrepen in cao’s die de regering niet bevielen ook. De eerste was van Roolvink zelf, meteen al  in 1970. Keer op keer ging er in de jaren 70 van hogerhand een streep door loonstijgingen waar werkgevers en werknemers het over eens geworden waren. Een “loonmaatregel” heette dat. En niet alleen rechtse kabinetten bezondigden zich hieraan: het kabinet-Den Uyl bediende zich van de wet voor twee ingrepen in 1976-80. In 1982 deed Den Uyl, toen minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder Van Agt, het nog een keer.

“Maar ik kon het zaaltje in Ulft niet lang na die ingreep van Den Uyl  vertellen dat dit gedoe zijn langste tijd nu waarschijnlijk  wel gehad had. Niet omdat de vakbeweging de Nederlandse politiek intussen toch een lesje geleerd had, of omdat de polder eindelijk het licht gezien had en toch nog en nette oplossing gevonden had. Nee – het zou allemaal rustig zijn doorgegaan als de vakbeweging (lees: de FNV) in 1976 niet besloten had, nu er met nationale middelen kennelijk niets meer te bereiken viel, maar eens te proberen om het in ’s hemelsnaam dan maar eens  over de internationale band te spelen. De band van de IAO. En het had eventjes geduurd, maak dat leek te gaan werken.

“De FNV wees de IAO er eind 1976 op dat de regering in 1974 gebruik gemaakt had van de Machtigingswet om loonsverhogingen en prijscompensatie aan banden te leggen. Die ingreep werd, gezien de energiecrisis en de onzekere economische toestand, acceptabel geacht. Maar in 1975 werd opnieuw besloten tot bevriezing van de lonen voor een half jaar in 1976, een periode die ook nog eens verlengd werd, en deze ingrepen achtte de FNV niet gerechtvaardigd. Zij beriep zich op één van de belangrijkste verdragen van de IAO, het verdrag op de Vrijheid van Vakvereniging uit 1948, waar Nederland sinds 1950 partij bij was. Een commisssie van onafhankelijke deskundigen die de ILO verdragen interpreteert en zich uitspreekt over vermeende schendingen van die verdragen had eerder bepaald dat ingrepen als die van de Nederlandse regering alleen te rechtvaardigen vielen als het uitzonderlijke maatregelen waren om het hoofd te bieden aan zeer ernstige problemen, dat ze niet verder mochten gaan dan strikt noodzakelijk, dat ze een redelijke periode niet mochten overschrijden, en dat ze gepaard moesten gaan met passende maatregelen om de levensstandaard van de betrokken werknemers te beschermen.

Commissie van Deskundigen

“De FNV ving in eerste instantie bot bij de Commissie van Deskundigen van de IAO, want die vond dat de ingrepen van de regering aan deze criteria voldeden. Maar toch viel er wat te vieren, want de Deskundigen waren, anders dan de Nederlandse regering, van mening dat de opmerkingen van de FNV  wel degelijk ontvankelijk waren. De regering had in zijn verweer namelijk gezegd: u moet hier helemaal geen aandacht aan besteden. De loonmaatregelen zijn niet een kwestie van vrijheid van vakvereniging. Onze wet valt onder een  ander IAO-verdrag, namelijk verdrag 98 over Vrijheid tot Collectief Onderhandelen- en dat verdrag heeft Nederland niet bekrachtigd. ‘Best’, was de redenering bij de FNV, ‘als de zaken zo liggen, dan gaan we dus van nu af aan schieten op alles wat beweegt. Iedere nieuwe loonmaatregel, klein of groot, kort of langdurig,  melden we in Geneve en iedere keer vragen we: ‘Nou, wat vindt u?’ Is dit volgens u nog steeds uitzonderlijk? Gaat dit nog steeds niet verder dan strikt noodzakelijk? Hoe zit het met die redelijke periode als je keer op keer op keer dit soort maatregelen treft? Met die levensstandaard?’

“De FNV werd op zijn wenken bediend. In 1978 opnieuw een ingreep. In 1979 nog een. Weer een in 1980. En met de regelmaat van de klok: iedere keer een boze  brief naar Geneve. In 1980 slaagde de FNV er zo voor het eerst in, op basis van enige zorg die de Commissie van Deskundigen nu dan toch had uitgesproken, de Nederlandse regering op het matje te laten roepen in de Commissie voor Toepassing van Verdragen van de jaarlijkse Internationale Arbeidsconferentie van  de IAO. Dat was bijzonder. Nederland gold als een voorbeeldig lid van de IAO: veel verdragen geratificeerd, redelijk zorgvuldig bij het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit zo’n verdrag, behoorlijk rapporterend aan de IAO over toepassing in wetgeving en praktijk, trouw in het betalen van contributie. Zo’n lid schop je als internationale organisatie  niet graag tegen de schenen. Met die reputatie van Nederland hield de FNV overigens welbewust rekening bij het presenteren van zijn bezwaren. Dat ging steeds in de vorm van zakelijke “opmerkingen” gericht aan de Commissie van Deskundigen, niks geen wilde klachten.  De IAO heeft ook verschillende klachtenprocedures, maar wat de FNV betreft dienden die toch als regel vooral voor “moord- en doodslag”-kwesties gebruikt te worden. Daar had de IAO helaas al mee dan genoeg mee te stellen.

Interne paniek

“VNO-NCW en ook het CNV hadden zich tot dusverre over de kwestie niet laten horen, maar dat veranderde in 1982 toen ook zij eindelijk  hun ongenoegen bij de IAO kenbaar maakten over de loonmaatgeregel van dat jaar. Dat de Nederlandse werkgevers en werknemers nu allemaal vonden dat het te gek werd, dat tikte extra aan in Geneve. De FNV meldde de IAO  in dat jaar dat zij, nu de regering  keer op keer redelijke argumenten bleek te negeren, even overwogen had om  dan  in vredesnaam maar een klacht in te dienen bij de Commissie voor Vrijheid van Vakvereniging, maar dat het gezamenlijke front van werkgevers en werknemers dat nu ontstaan was haar daarvan had doen afzien. Dat het woord “klacht” viel leidde echter wel tot enige interne paniek bij Sociale Zaken, waar men de procedure waarnaar de FNV verwees verwarde met een veel zwaardere.

“1982 was natuurlijk ook het jaar van het Akkoord van Wassenaar waarbij de  vakbeweging loonmatiging beloofde in ruil voor werkgelegenheid. Er is wel  gesuggereerd dat het “Wassenaar” en het erop volgende formele akkoord in de Stichting van de Arbeid is geweest, dat de regering heeft doen besluiten nu verder het instrument van de loonmaatregel maar op de schroothoop te gooien. Ik denk dat dat niet klopt.

“De geest van ingrijpen was ook na Wassenaar wel degelijk nog  uit de fles, zoals de reeks van loonmaatregelen in de collectieve sector na 1982 duidelijk illustreert. Daarnaast zijn er wel degelijk ook voor de marktsector in 1993 en 2003 weer plannen voor en  niet mis te verstane dreigementen met looningrepen  geweest (van de CDA-ministers De Vries en De Geus). De reflexen waren ook na “Wassenaar” nog springlevend.  In discussies met ambtenaren die hun minister  waarschuwden voor de IAO klonk, werd mij destijds verteld, dan wel eens een geïrriteerd  “Nou, dan zeggen we dat verrekte  verdrag toch op!” Minister De Vries kreeg in 1993  onder uit de zak van de Raad van State naar aanleiding van de ontwerp-maatregel die hij haar had voorgelegd: of hij die schrobbering van een paar jaar geleden van de ILO nu alweer vergeten was.

Beloning voor geduld en vasthoudendheid

Twee krantenberichten naar aanleiding van de commissie-Windmuller, links uit de Volkskrant van 5 april 1984, rechts uit de Volkskrant van 21 juni 1984

“In 1983/84 kwam de beloning voor jaren van geduld en vasthoudendheid. Na een ellenlange nachtelijke zitting van de Commissie voor Toepassing van Verdragen van de Internationale Arbeidsconferentie van 1983, waarin de Nederlandse regering pijnlijk-strak de maat werd genomen, stelde de FNV voor dat de IAO een ‘Direct Contact’-missie naar Nederland zou sturen. Deze zou met alle betrokken partijen moeten spreken en een rapport opstellen dat op de Conferentie van 1984 besproken zou moeten worden. Het was een hoogst ongebruikelijk voorstel, want dit soort missies waren nog niet zo heel lang geleden ingesteld met de bedoeling een ‘licht’ instrument te hebben om regeringen van ontwikkelingslanden die problemen hadden met hun verdragsverplichtingen niet jaar na jaar vruchteloos in het beklaagdenbankje te zetten. Dat droeg bij aan een stemming van: ‘de rijke landen hebben makkelijk praten, ze moeten altijd ons hebben’. ‘Directe contacten’ konden deze regeringen rustig uitleggen wat er van ze verwacht werd, constructief advies geven en ze zo op het goede pad  helpen. Door zo’n missie te aanvaarden toonde een regering goede wil en vaak ontliepen ze op die manier een officiële vermaning.

“In tien jaar tijd waren ze in totaal 26 maal ingezet, met Polen en de Sovjet-Unie als enige niet-ontwikkelingslanden. Ik was op het idee van zo’n missie gebracht door dr. Klaus Samson, uit de Arbeidsnormen-afdeling van de IAO, die zei: ‘Probeer dit maar eens, ik geef je een kleine kans, ze vinden het misschien vernederend, maar misschien trappen ze erin’. Dat deden ze, ver na middernacht.

“Achteraf hebben insiders mij gezegd dat de Commissie met het voorstel akkoord ging vanwege de politieke crisissfeer die deze jaren de Arbeidsconferentie beheerste: de communistische regimes en een  groot aantal regeringen van ontwikkelingslanden waren van mening dat zij ten onrechte steeds  maar harde kritiek te horen kregen en dat westerse industrielanden ontzien werden. Er zou  met twee maten gemeten worden. Zij werden bij die stemmingmakerij geholpen door een paar Westerse industrielanden, het Groot-Brittannië  van Thatcher voorop, die plompverloren zeiden dat de “speciale paragrafen” waarin de Internationale Arbeidsconferentie  altijd zijn ernstigste kritiek neerlegt, niet bedoeld waren voor hen.

Commissie-Windmuller

“De missie kwam enkele maanden later naar Nederland. De ILO had in eerste instantie gedacht aan professor Ago, lid van het Internationaal Gerechtshof en ook voorzitter van de Commissie van Deskundigen, maar toen het hoofd van de Arbeidsnormen-afdeling Ian Lagergren mij vroeg wat ik daarvan vond zei ik dat ik, met alle respect voor deze man, dacht dat er nog wel een betere was.  Hij nam mijn suggestie over  om John Windmuller te nemen, de Amerikaanse hoogleraar die, anders dan Ago,  een kenner van de Nederlandse arbeidsverhoudingen genoemd mocht worden. Hij was ook geen onbekende in de IAO.

“Windmuller’s even  uitgekiende als uitgebreide rapport van begin 1984 was vernietigend voor de Nederlandse regering en maakte in volle omvang als bijlage deel uit van het rapport van de Commissie van Deskundigen aan de Internationale Arbeidsconferentie van dat jaar. Dat was nooit eerder vertoond en het is nooit meer herhaald. Ook dat had, denk ik, van doen met de behoefte van de IAO te demonstreren  dat er geen sprake was van ‘double standards’ en dat ook de beste jongetjes en meisjes van de klas in de hoek gezet worden als daar gerede aanleiding voor is.

“Met loonmaatregelen in de marktsector was het nu dankzij het rapport-Windmuller, of rapport-Windmuller in combinatie met ‘Wassenaar’,  nu wel even gedaan. Maar verder ging het verhaal eigenlijk gewoon door voor zo’n 500.000 werknemers in de ‘gepremieerde en gesubsidieerde sector’.

“Windmuller had gesteld dat de loonmaatregelen die voor hen getroffen waren sinds 1979 ook in strijd met Verdrag 87 waren. De regering negeerde echter zijn aanbeveling ook hiermee op te houden. De FNV ging dus nog even onverdroten door met bezwaar maken bij de IAO. Tot wij het in 1988 welletjes vonden  en besloten dan toch alsnog maar, samen met CNV en MHP, een officiële  klacht in te dienen bij de Commissie voor Vrijheid van Vakvereniging.

“Die deed in 1989 uitspraak  en wees de regering stevig terecht, net als (voor de zoveelste keer) de Commissie van Deskundigen in zijn rapport aan de Arbeidsconferentie van dat jaar. Einde verhaal voor de Nederlandse regering, die zag dat het nu toch allemaal wel erg beschamend werd. Die vroeg voor de goede orde nog  een advies aan de SER  en schrapte vervolgens in 1993 de artikelen in de wet op basis waarvan al die jaren gehandeld was. Een dikke vijftien jaar had het alles bij elkaar gekost.

Ook Ulftse werknemersbelangen worden in Genève behartigd

“1993. Dat was intussen ook alweer enkele jaren na die spreekbeurt in de provincie, toen we immers nog maar halverwege de jaren ‘80 zaten. Maar op die avond in Ulft zelf hadden we na een uurtje of twee praten na de pauze toch alvast  de gezamenlijke conclusie getrokken dat er in Geneve, naast wat sommige collega’s toch maar liefdewerk-oud-papier bleven noemen ten behoeve van collega’s die gevangen zitten, verdwijnen, gediscrimineerd en gemarteld worden, ook wel degelijk het nodige aan belangenbehartiging voor leden in Ulft gedaan werd. En dat dat hout sneed ook.

“Eind oktober van dit jaar bestaat de IAO dus honderd jaar. Het is een bijzonder lid van de familie van de Verenigde Naties: het enige dat niet alleen maar regeringen als volwaardige leden heeft, maar ook werkgevers en werknemers,  die volkomen onafhankelijk van de regering van hun land kunnen opereren en bij stemmingen gezamenlijk even veel gewicht in de schaal leggen als de regeringen.  Het belang van de IAO voor vakbonden en hun leden zit hem niet alleen in de vele verdragen die hun belangen beschermen. Er zijn wel meer internationale organisaties met prachtige verdragen. Alleen: het mankeert hen vaak aan een goede en gezaghebbende controle op de naleving. Die kan bij de IAO, verhoudingsgewijs, de toets van scherpe kritiek veelal doorstaan. Dat zit hem onder meer in een orgaan als de in dit stukje een paar keer genoemde Commissie van Deskundigen, een groep  juristen uit alle windstreken die stuk voor stuk  tot het neusje van de zalm in hun vak horen en terecht vaak geprezen worden om hun onafhankelijkheid, hun onpartijdigheid en hun objectiviteit.

“Maar goed gaat het met de honderdjarige op het ogenblik bepaald niet, al werd dat op die feestelijke bijeenkomst in Leiden niet al te breed uitgemeten. Daarover binnenkort meer.”

Tom Etty

April 2019