Het geheugen van de vakbeweging

Prinsjesdag 1918

In september 1918 was de Groote Oorlog nog steeds niet afgelopen. Maar sinds de Amerikanen zich in het voorjaar van 1917 aan de zijde van de geallieerden hadden geschaard, was het duidelijk dat de Duitsers de strijd –  ondanks een overwinning aan het oostfront – niet meer konden winnen. Koningin Wilhelmina was er weer om de Troonrede op dinsdag 17 september 1918 voor te lezen. In het decennium eraan voorafgaand was ze driemaal om onduidelijke redenen afwezig geweest.

Het staatshoofd was 38 jaar oud en in de kracht van haar leven. Wilhelmina had de zorg voor een dochter van negen en moest een houding bepalen tegenover een echtgenoot, die het met de huwelijkse zeden niet zo nauw nam. Kunnen die particuliere beslommeringen een reden zijn geweest dat de vorstin dat jaar haar grondwettelijke bevoegdheden en beperkingen inzake politiek kwesties zo evident uit het oog verloor? De koningin verdedigde generaal Snijders die in april 1918 zo dom was op te merken dat als Nederland gedwongen zou zijn aan de oorlog deel te nemen, dit dan maar het beste aan de kant van Duitsland kon doen. Het leverde veel gedoe op; het kabinet wilde van hem af, maar door de bescherming van Wilhelmina bleef Snijders de rit uitzitten.

Een tweede kwestie betrof de door de Britten vereiste toestemming om een konvooi uit Nederland naar Indië te willen onderzoeken. Al was Nederland neutraal, het kabinet moest balanceren tussen twee partijen in een wereldoorlog. Het kabinet-Cort van der Linden had zich geschikt in de wens van de Engelsen, maar minister van Marine Rambonnet, die de Engelse toestemming niet wilde accepteren, was om die reden op 26 juni afgetreden. Het leidde vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen bijna voor de tweede keer tot het aftreden van het kabinet. De koningin gooide nog olie op het vuur door Rambonnet twee dagen na zijn aftreden tot haar adjudant in buitengewone dienst te benoemen.

Dit alles leverde de nodige botsingen op met het kabinet. ‘De last van het constitutioneel leiderschap leek haar te zwaar geworden’,  ‘Het staatshoofd had wijzer moeten zijn’, schrijft haar biograaf Cees Fasseur. Wanneer Wilhelmina zich door boosheid had laten meevoeren en net als het jaar daarvoor de Troonrede door de minister-president had laten voorlezen zou het grote publiek dat als een nederlaag hebben opgevat. Dat wilde de eigenzinnige Wilhelmina natuurlijk absoluut niet. Bovendien zou dan de aandacht van ieder wel eens volledig kunnen uitgaan naar die andere vrouw die ineens op het Binnenhof verscheen. Eén vrouw naast 99 mannen. Suzanne Groeneweg, onderwijzeres van beroep, sinds 1903 lid en vanaf 1914 deel uitmakend van het partijbestuur van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Vijf jaar ouder en zo veel wereldwijzer.

Algemeen kiesrecht

Poster voor vrouwenkiesrecht uit 1918 van Theo Molkenboer

Op 3 juli 1918 werden de eerste verkiezingen volgens het algemeen (mannen)kiesrecht en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging gehouden.  Als uitruil met de liberalen en socialisten leverde het de confessionelen de gelijkberechtiging van het bijzonder met het openbaar onderwijs op. De conservatieve christenen wisten het actieve kiesrecht van vrouwen nog tegen te houden. Alle mannen vanaf 23 jaar mochten stemmen en zich kandidaat stellen. Op zich niets mis mee, maar bespottelijk als je bedenkt dat een losbol van midden twintig burgerrechten heeft die zo veel bekwame vrouwen werden onthouden.

De sociaaldemocratische mannen slaagden erin Suze Groeneweg de Tweede Kamer in te loodsen. Het zou een kroon op het werk van de grand old lady van de vrouwenbeweging Aletta Jacobs zijn geweest indien partijgenoten van de Vrijzinnig Democratische Bond in voldoende aantallen op haar hadden gestemd. De SDAP had verwacht de grootste partij van het land te worden, maar dat werd de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) met 30 zetels. De SDAP steeg van 15 naar 22 zetels en werd daarmee de tweede partij. Destijds telde de Tweede Kamer honderd leden.

Het vergt weinig fantasie je voor te stellen hoe pijnlijk binnen de sociaaldemocratische beweging de teruggang van de Partij van de Arbeid een eeuw later van 38 naar 9 zetels op de 150 Kamerleden moet zijn ervaren. Als troostprijs heeft partijgenoot Khadija Arib het voorzitterschap van de Tweede Kamer kunnen continueren. Op dit moment zijn er 50 vrouwelijke Tweede Kamerleden. Nog steeds te weinig dus, maar van 1% in 1918 naar 36% nu is een flinke stap vooruit. Overigens waren er in 2010 meer vrouwelijke Tweede Kamerleden, en wel 64. Het wordt tijd voor een vrouwelijke minister-president die wat anders uit de hoge hoed weet te toveren dan cadeaus voor het grote bedrijfsleven.

Lakei van het grootkapitaal

Verkiezingsaffiche SDAP

Een week voor de Troonrede had er een wisseling van de politieke macht in Nederland plaatsgevonden. Na eeuwen kwam er weer een politiek leider van katholieke huize. Gelet op de verkiezingsuitslag een voor de hand liggende keuze. Jonkheer Charles J.M. Ruijs de Beerenbrouck ging het naar hem genoemde kabinet leiden. Wilhelmina had liever de diehard Hendrik Colijn als minister-president gehad. Maar die was gebonden aan een contract met de Koninklijke Shell. Colijn opperde de mogelijkheid minister-president te willen worden en tegelijk (onbetaald) directeur te blijven van de ‘Koninklijke Shell’,  Mark Rutte behartigt de belangen van de grote ondernemingen een tikkeltje subtieler. De communist David Wijnkoop die in 1918 ook deel ging uitmaken van de Tweede Kamer zou de huidige minister-president met zijn economisch gezien volkomen onnodige vrijstelling van dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders  ‘een lakei van het grootkapitaal’  hebben kunnen noemen.

Sociale wetgeving en cao

Zat er in de Troonrede van 1918 iets in voor de arbeiders in Nederland, de gewone man en vrouw? De Troonrede is niet meer dan een A4’tje, beginnend en eindigend met God aan wie het staatshoofd voor haar gevoel de legitimatie ontleende voor haar positie. Maar er staat een belangrijke passage in die de vakbeweging tevreden zal hebben gesteld: ‘Aan de in 1913 tot stand gekomen verzekeringswetten zal zonder vertraging uitvoering worden gegeven. Voorstellen tot aanvulling van die wetten zullen U vervolgens worden gedaan. De opbouw der sociale wetgeving zal worden voortgezet; regeling der collectieve arbeidsovereenkomst, zoo wat de publiekrechtelijke als de privaatrechtelijke zijde betreft, zal worden ter hand genomen.’

Harry Peer

September 2018