Het geheugen van de vakbeweging

Pieter Jelles Troelstra

Vertolker van ambities en verlangens van het volk

“Hoezeer het verzet tegen de revolutiedreiging der socialisten toeneemt, de sfeer van welwillendheid tegen het hervormingsprogramma van SDAP en NVV ebt niet af. Er woei een ‘democratische wind door de wereld’. En Troelstra creëerde daar in Nederland het klimaat voor.”

Pieter Jelles TroelstraPieter Jelles Troelstra

Met deze woorden besluit Bertus Mulder de door de VHV-werkgroep Groningen georganiseerde lezing over de bijna-revolutie van Troelstra in 1918. Een tijdperk waar SDAP en NVV nog tot één familie behoorden en nauw samenwerkten voor de verbeteringen van de werk, woon- en leefomstandigheden van de arbeidersklasse. Bertus Mulder, historicus en oud-gedeputeerde in de provincie Friesland voor de PvdA, hield een boeiende inleiding voor de 90 aanwezigen.

Op eigen kracht

Vanaf het moment van de entree van Pieter Jelles Troelstra in de arbeidersbeweging verkondigt hij – aldus Mulder – dat de opkomende arbeidersbeweging alleen op eigen kracht kon rekenen. ‘Geen Mozes kan U, verdrukten, voeren door de woestijn, geen Messiasbelofte kan U redden. Niet van boven, maar van onderen moet de vrijmaking komen. Gij moet uw eigen Mozes, uw eigen Messias, uw eigen Verlosser zijn’.
Troelstra, oprichter van de SDAP, zag zichzelf als vertolker van de ambities en verlangens van het volk. Dat was zijn kracht. In de SDAP genoot hij de brede steun van de partijleden die hem zagen als hun leidsman. ‘Hoe groot de roep ook was, die van hem uitging als aanvoerder in de parlementaire strijd, nooit is hij alleen of allereerst parlementariër geweest. Hij was ook in die arbeid groot, vooral omdat hij in levende aanraking bleef met de volksmassa’s, wier leider en wier tolk hij was’, zo citeert Mulder de latere premier Willem Drees.

Politieke macht

De SDAP van Troelstra was een organisatie die bouwde aan macht. Hoe doe je dat? Door mensen te bundelen, te organiseren. In vakbonden, in de kiesrechtbeweging en ook in de partij, de SDAP. Die gedachtegang heeft zowel betrekking op de partij als op de vakbeweging. Troelstra komt op tegen het misverstand dat de vakbeweging slechts ‘economische’ betekenis zou hebben. Hij benadrukt dat de arbeidersbeweging in haar geheel (partij, vakbeweging, coöperatie) actieve inzet van mensen vraagt. Hij merkt ook op dat de veranderingen in eigendomsverhoudingen die sociaaldemocraten nastreven, slechts tot stand kunnen komen als de sociaaldemocratische beweging bewust aanstuurt op nieuwe maatschappelijke verhoudingen. Zowel partij als vakbeweging zijn delen van de ‘politieke macht’ van de organisatie van het proletariaat als klasse, die daarbij een rol horen te spelen.
Troelstra verwacht die nieuwe maatschappelijke verhoudingen langs parlementaire weg te kunnen bereiken. De sociaaldemocratie kan niet anders strijden dan hoofdzakelijk op wettige wijze, willen we niet allen binnen een paar maanden in de bak zitten, is zijn nuchtere commentaar op voorstellen van Domela Nieuwenhuis’ Sociaal-Democratische Bond. Maar als men overtuigd is van de evolutie, is het de taak alles op te ruimen wat de evolutie in de weg staat. De ontwikkeling der maatschappelijke verhoudingen streeft naar het socialisme. Ook in het parlement moet de sociaaldemocratie in die richting werken.
Als de Eerste Wereldoorlog jaren zou duren, meent Troelstra, zou dat leiden tot een handels- en uithongeringsoorlog, die zoveel ellende teweeg zou brengen, dat het kapitalistisch stelsel door zijn eigen onhoudbaarheid zou worden overwonnen en de burgerlijke staat in zijn ondergang zou meeslepen. Alles zou dan roepen om vernieuwing en de komst van de arbeidersbeweging tot de macht zou in veler ogen dan de enige oplossing zijn. ‘Als de tijden rijp zijn, is het proletariaat bereid en gereed tot de daad’, schrijft Troelstra in 1915. ‘Want de sociaaldemocratie mag zich straks niet door de Vrede laten overrompelen’.

De kronen rollen

Als in 1918 de Eerste Wereldoorlog tot een einde komt en legers worden gedemobiliseerd rollen in Europa de kronen. De Duitse keizer Wilhelm ontvlucht het land; de Oostenrijkse keizer treedt af. Eerder al, in 1917, is de Russische tsaar afgezet. Troelstra meent dan dat de revolutie niet bij Zevenaar zal stoppen. Het tijdperk van de liberale bourgeoisie is ten einde in zijn ogen.
Hij spreekt daarover op een bijeenkomst in Rotterdam. En hij herhaalt dat in de Tweede Kamer. De SDAP staat klaar om de macht over te nemen. Net als de sociaaldemocraten in Duitsland. Hij dreigt met revolutie, maar weet dat hij die niet zou maken. Hij schat de machtsverhoudingen te rooskleurig in. Het zal als de ‘vergissing van Troelstra’ de geschiedenis ingaan.
Dit is een door de Nieuwsbrief-redactie ingekorte versie van de lezing van Bertus Mulder, die is gehouden op de bijeenkomst van de VHV werkgroep Groningen op 21 maart 2012 in Groningen.
Jeroen Sprenger

    ‘Roomsche kinine tegen roode koorts’
    De revolutiepoging van Troelstra legt een diep verschil van opzicht bloot tussen de algemene of sociaaldemocratische vakbeweging en de confessionele vakbeweging. In de brochure ‘Roomsche kinine tegen roode koorts’ worden die verschillen stevig door P.J.S. Serrarens aangezet. Katholieke en christelijke arbeiders lieten zich op 18 november 1918 niet onbetuigd bij de aanhankelijkheidsdemonstratie voor koningin Wilhelmina en prinses Juliana op het Haagse Malieveld, waarbij de paarden werden uitgespannen en de koninklijke familie ‘spontaan door het volk’ in hun koets werden voortgetrokken. Uit de verkiezingen die in die tijd werden gehouden, kwam de regering-Ruys de Beerenbrouck voort, waarin de met de katholieke arbeidersbeweging verbonden Piet Aalberse minister van Arbeid werd. Hij profiteerde bij zijn sociale wetgeving van de ‘democratische wind’ die onder meer door Troelstra’s poging in Nederland was opgestoken.