Het geheugen van de vakbeweging

Piet Nelissen

“Het blijft mensenwerk maar het is niet voor niets geweest’

Iets doen voor de wereld, liefst in internationaal verband. Het was een vaag gevoel dat de jeugdige Piet Nelissen (1946) al vroeg kende. Via Philips, Latijns-Amerika, CLAT-Nederland en de internationale vakbeweging zou dat later concreet vorm krijgen.

Piet Nelissen
Piet Nelissen; ‘Vakbondswerk, ik zou het nooit doen!’

Piet Nelissen: ‘Mijn vader, een slachter bij Zwanenburg in Oss, was lid van de Jonge Werkman en kwam zo bij de katholieke vakbond terecht. Wekelijks fietste hij ’s avonds naar de Levensschool in Cuyck waar hij cursussen volgde. Hij zou later onderhandelaar worden bij Sint Joris voor de slachterijen in Oss. De bond was altijd bij ons aanwezig. Zo zelfs dat ik wel eens heb geroepen dat ik dat nooit zou doen. We hadden vijf kinderen en veel kwam op het bordje van mijn moeder terecht want vader zat bij de bond.’

Priester Jan Rutges in Het Vrije Volk

Nijmegen

‘Ik ben begonnen als technisch-commercieel medewerker bij Philips maar mijn chef merkte op dat ik daar eigenlijk niet thuishoorde. Ik volgde daarnaast op zaterdag al een cursus journalistiek bij Schlichting en ben later in 1966 sociologie (‘het vak van de toekomst’, zei mijn vader) gaan studeren. Na drie jaar werd dit politicologie. Ik werd geen lid van het studentencorps want dat was te duur. Mijn vader betaalde mijn huur maar voor de rest moest ik zelf zorgen. Om de een of andere reden had ik de drang naar Latijns-Amerika te gaan. Was het de muziek, de cultuur of de levenslust op het continent? Ik ging in elk geval al in mijn studietijd Spaans studeren en  later nog een zomercursus volgen in Spanje. Ik werd gegrepen door het verhaal van Jan Rutges, een priester die werkzaam was in Brazilië, daar contacten had gehad met leden van de stadsguerrilla, werd uitgewezen en een lezing in Nijmegen gaf. ‘Als je nou iets wil doen voor Latijns-Amerika, dan moet je je aansluiten bij CLASC-Nederland, de Nederlandse afdeling van de christelijke vakbeweging in Latijns-Amerika,’ was zijn advies. Ik werd dus lid. Maar ik was in die tijd ook heel solidair met Cuba en wilde daar stage gaan lopen maar dat kon alleen via de Cubaanse ambassade en dat beviel me niet.’

Colombia

‘Uiteindelijk kwam ik in contact met pater Frans Rosier, die werkzaam was aan de beide universiteiten van Bogota en via hem kreeg ik uiteindelijk een stage in Colombia. Rosier was een inspirerende figuur en beschikte over veel contacten. Hij was ook de biechtvader van de guerrillastrijder en priester Camilo Torres. Ik had vanuit Nijmegen een linkse bagage maar mijn ervaringen in Colombia deden me inzien dat het toch allemaal niet zo gemakkelijk was. Na terugkeer kreeg ik politieke meningsverschillen met mijn vrienden rond het tijdschrift Paradogma.’

CLASC-Nederland

‘In 1974 werd ik de eerste betaalde medewerker van CLASC-Nederland. Dat werd mogelijk door de subsidie van de bekende Commissie Claus. Gerrit Pruim werkte daar al op vrijwillige basis. Ik deed er vooral het vormingswerk via een tiental basisgroepen, die we overal in Nederland hadden. En ik bracht mijn contacten met het NKV mee, mannen als Henk van Eekert (NKV), Piet Brussel (Industriebond NKV), Ton Bastiaansen en Gerard van Bakel (beiden Voedingsbond NKV). Ik was bekend bij die mensen want ‘ik was de zoon van Theo Nelissen’. Ik ging naar het WVA-congres in Evian (september 1973) waar de Latijns-Amerikaanse vakbondsleider Emilio Máspero zijn rapport Solidariteit en Bevrijding presenteerde. Die radicale toon viel bij het CNV en ook bij een deel van het NKV, niet in goede aarde. Ik herinner me dat Piet Brussel tegen me zei: ‘Piet, die Máspero, vind je dat nou goed?’. ‘Ja’, zei ik dan, ‘zo gaat dat in Latijns-Amerika’. Zijn antwoord luidde: ‘Moet je dan niet in Rusland gaan wonen?’ Maar eenmaal terug (uit Génève) werd ik wel door hem gebeld met de vraag om eens een middag iets over CLASC te vertellen. Op die manier groeide de sympathie voor de aanpak van CLASC en later CLAT en kreeg men meer oog voor de rechtvaardigheid waar CLAT voor streed.’

Nicaragua

Sandinistische strijders in opleiding, juni 1979
‘Na twee jaar werken in Nederland, keerde ik terug naar mijn grote liefde: Latijns-Amerika. Eerst twee jaar werken in Mexico bij de UNDP en later – tussen 1977 en 1979 – voor de ILO in Costa Rica. Daar werkte ik met boeren en aan de oprichting van landbouwcoöperaties. Centraal stond het concept om het hele jaar te kunnen oogsten, zodat werk en inkomen voor een heel jaar gegarandeerd werden. Het waren vaak landloze boeren die grond kregen van de regering en technische steun van het instituut waar ik werkte voor de aanleg van elektriciteit, waterleiding en wegen en zaaigoed en machines kregen. Successen en tegenslagen wisselden elkaar af. Ondertussen groeide de opstand van de sandinistische beweging in buurland Nicaragua tegen dictator Somoza. De sandinistische revolutie begon te gloren en kreeg belangrijke logistieke steun vanuit Costa Rica. Ik kwam met hen in contact via een Franse collega die met een Nicaraguaanse was getrouwd. Die vroeg me of ik wilde helpen bij de opvang van gewonde sandinisten die in Costa Rica medische zorg kregen. Ik had een schuilnaam Ulysses. Ik woonde met mijn vrouw Diny op een koffieplantage ongeveer een half uur rijden van San José tussen de koffiestruiken. Daar kreeg ik op een avond bezoek van Tirado López, een van de negen belangrijkste sandinistische commandanten van Nicaragua. Die vroeg of er in mijn woning wapens konden worden opgeslagen. Ik maakte López duidelijk dat ik hen wilde steunen en dat ik in politiek opzicht in de traditie van CLAT stond met waarden als democratie en vrijheid van vakbeweging. Ik wist dat er binnen de sandinistenbeweging veel politieke stromingen schuilgingen maar Tirado López reageerde helder: Ninguna problema’/ Geen enkele probleem. Mijn vrouw Diny was zes maanden zwanger, zij vond het riskant maar als ik ja zou zeggen, zou ze het accepteren. Met die toezegging ging López weg maar wapens werden er niet meer afgeleverd. Enkele maanden later wonnen de sandinisten de strijd en konden wapen rechtstreeks vanuit Panama naar Nicaragua worden gebracht.’

Nederland

De Nicaraguaanse revolutie had een enorme impact op de Nederlandse partijpolitiek en de wereld van de ontwikkelingssamenwerking en dat leidde tot heftige kritiek op CLAT. ‘In 1980 kwam ik terug in Nederland en kreeg opnieuw werk bij CLAT-Nederland. Ik raakte verzeild in de ideologische conflicten over Nicaragua en later over El Salvador. Er waren medewerkers bij medefinancieringsorganisaties als ICCO en CEBEMO die de vrijheid van vakbeweging niet meer belangrijk vonden. De opvatting ‘eerst eerlijk verdelen en dan pas democratie’ had veel invloed. Bij de NOVIB zaten ze allemaal op de sandinistische lijn. Tot ergernis van sommigen was ik ook nog actief in de Latijns-Amerika Commissie van zowel CDA als PvdA. Het lobbywerk in politiek én vakbeweging werd nu heel belangrijk, ook richting FNV. In de vakbeweging riep ik soms de steun in van mannen als Ton Bastiaansen (Voedingsbond), journalist Fred Allers of FNV algemeen secretaris Henk van Eekert als de afdeling Internationale Zaken van FNV ons weer eens ‘te rechts’ vonden. Ik had geen bezwaren tegen allerlei sandinistische projecten van de Bouw- en Houtbond FNV in Nicaragua maar wel als dat gepaard ging met de onderdrukking van andere vakbonden. Dan klopte ik weer bij Roel de Vries, voorzitter van de Bouw- en Houtbond aan om daar over te spreken. Je zag de sandinisten steeds meer afglijden naar meer staatscontrole. Maar in Nederland had bij velen Nicaragua de plaats ingenomen die Cuba lange tijd bezette.’

Vakbondsleiders van de VOST uit Oekraine vragen om sancties tegen Rusland tijdens seminar in Ooostende

Fusie WVA en IVVV

‘In 1992 ben ik bij CLAT-Nederland gestopt en werd confederaal secretaris van het Wereldverbond van de Arbeid (WVA) in Brussel. Ondertussen was De Muur gevallen en lagen er kansen voor het WVA in Oost-Europa. Maar ik had in tegenstelling tot de Amerikanen en het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) geen geld. Dat zei ik ook als ik vakbonden in Oost-Europa bezocht: ‘Ik kom niet met een  zak geld’. De Amerikaanse AFL-CIO had bijna heel Solidarnosc in zijn zak. We botsten met de Amerikanen maar ook met de grote IVVV-organisaties in Zweden of Duitsland die het liefst werkten met de oud- communistische bonden. Dat was pure machtspolitiek want die bonden hadden mensen, gebouwen en geld. De Amerikanen fietsten daar door heen, want die wilden vooral organisaties á la Solidarnosc hebben. Ik had een klein fonds van 50.000 gulden per jaar maar daar konden we veel mee doen, zoals de financiering van missies van West-Europese bonden die dan geraakt werden door de situatie in Oost-Europa en terugkeerden met de wens fondsen te zoeken voor hun collega’s. En zo kwam er toch veel op gang; je hebt niet zoveel geld nodig om toch te groeien als je dynamisch en ondernemend bent. En zo ontstonden er belangrijke bonden o.a. in Hongarije (Munkastacsok), de Oekraine (VOST), Roemenië (Cartel Alfa), Litouwen (LDF). Scholing en vorming was onze prioriteit bijhet opbouwen van een vakbond in een vrije  markteconomie. Zaken als cao’s, onderhandelen, verkiezingen houden, contributie, confrontaties met werkgevers waren er onbekend want alles werd van bovenaf geregeld.’

Spanningen

‘Ondertussen begonnen de Belgen moeite met me te krijgen. Waarschijnlijk omdat zij toen al op de lijn zaten van een definitieve fusie van IVVV en WVA. De Belg Willy Thijs werd toen de nieuwe secretaris-generaal van het WVA en toen stak er een tegenwind op. Bij het CNV bleef men nog lange tijd geloven en investeren in het WVA maar uiteindelijk ging ook CNV-voorzitter Doekle Terpstra mee met de Belgen, richting fusie. Het werd een harde strijd waar ik ook weinig leuke herinneringen aan heb overgehouden. Op het congres in Wenen in 2006 viel het doek. Het Wereldverbond van Beambtenbesloot onder leiding van Roel Rotshuizen (Dienstenbond CNV) echter niet mee te gaan in de fusie. Hij vroeg mij: ‘Zou jij willen helpen de nieuwe wereldorganisatie op te bouwen?’ Ik woonde nog in België en ging daar als vrijwilliger werken als bestuurder (2006) in wat later World Organsation of Workers (WOW) werd. Met een bureau in Brussel en een fulltime uitvoerend secretaris. Eind 2016 neem ik daar afscheid, en dan ga ik echt met pensioen.’

Mosterdzaadje

‘Als men mij de vraag stelt, is dit het alles waard geweest dan verwijs ik naar de Bijbelse parabel van het mosterdzaadje. Soms valt het op vruchtbare grond, soms op de rotsen. Hier en daar heb ik via WVA en CLAT-Nederland mensen ondersteund die iets anders wilden en die ook iets bereikten. Indrukwekkende en grootse werken kan ik niet aanwijzen. Het blijft mensenwerk, het is niet voor niets geweest en zeker in Oost-Europa heb ik even het gevoel gehad mee te werken aan de geschiedenis.’

Kees van Kortenhof
Jeroen Sprenger

Mei 2016