Het geheugen van de vakbeweging

Piet Hazenbosch over christenbroeders en hun moeizame samenwerking

Het CNV en de politiek

SONY DSC
Piet Hazenbosch, CNV-historicus, tijdens VHV Vriendenbijeenkomst van 26 november 2016

Het is deze week precies 50 jaar geleden dat het interim-kabinet-Zijlstra aantradt, nadat het kabinet-Cals in de Nacht van Schmelzer was gevallen. Wim Kan reageerde in zijn oudejaarsconference van 1966:KVP-ers zijn het eens over wat ze geloven, maar oneens over wat ze zeker weten. Zoiets typeert de verhouding tussen het CNV en de politiek. Preciezer: de christelijke politieke partijen.

Moeizaam, zeer moeizaam…

In 1964 doet het CNV onderzoek onder zijn leden. Ook naar het stemgedrag. Het blijkt – tot grote schrik van de protestants-christelijke bestuurders – dat maar liefst 15% van de leden zegt op de PvdA te stemmen. Dit resultaat wordt zorgvuldig buiten de gepubliceerde resultaten gehouden, maar wel worden de besturen van ARP en CHU daarover geïnformeerd. De boodschap erbij: doe er wat aan, want u raakt vakbondsleden als kiezers kwijt.

De berijmde versie van psalm 133 begint als volgt:

Ai ziet, hoe goed, hoe lief’lijk is ‘t, dat zonen

Van ’t zelfde huis, als broeders, samen wonen,

Daar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd;

Het gaat mij om het woord ‘broeders’ en om het lieflijk samenwonen. Het NVV heeft het betrekkelijk gemakkelijk, want er is maar een grote sociaal-democratische partij. Tot 1940 de SDAP, na 1945 de PvdA. De katholieke arbeidersbeweging is nauw verbonden met de RKSP resp. de KVP. Voor het CNV ligt het ingewikkelder. Sinds de 19e eeuw kent Nederland twee belangrijke protestants-christelijke stromingen, die zich vertalen in twee politieke partijen, de ARP – hoofdzakelijk gereformeerd georiënteerd – en de CHU – die hoofdzakelijk Nederlands-Hervormd is. Hoe ingewikkeld dat is, blijkt uit een onderzoek onder CNV-leden. Het overgrote deel van de leden is NH, een ruime meerderheid van de bestuurders gereformeerd. In de praktijk is het CNV tot begin jaren ’70 sterk georiënteerd op de ARP – veel bestuurders zijn lid van die partij – waarbij de relatie met de CHU met de woorden vriendelijke afstandelijkheid kan worden getypeerd.

Broeders, die hetzelfde geloven, maar het oneens zijn over wat zij zeker weten – om Kan en de psalmist maar eens met elkaar te verbinden.De eerst botsing met grote gevolgen voltrekt zich in 1918 – ik ga voorbij aan de ruzies tussen Patrimonium – een soort voorloper van het CNV – en de ARP onder leiding van Abraham Kuyper.

Politieke invloed

Wil een sociale beweging, zoals het CNV, meer in het algemeen de vakbeweging, resultaten boeken voor zijn leden, dan moet invloed worden verworven. Één vorm van invloed is politieke invloed. Hoe kan die beter tot stand komen dan door representanten uit de kring van de vakbeweging i.c. het CNV in de Tweede Kamer te kiezen? Het CNV onderneemt een eerste poging in 1918. Bij grondwetswijziging van 1917 is niet alleen het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, maar is het districtenstelsel vervangen door een evenredigheidsstelsel. Het CNV poogt mensen uit eigen kring op verkiesbare plaatsen op de ARP-lijst te krijgen. Die poging mislukt tot grote woede en diepe frustratie van de christelijke vakbeweging. In een open brief pleit een aantal CNV-ers op bepaalde ARP-kandidaten te stemmen. De reactie van ARP-leider Kuyper zet veel kwaad bloed.

‘Wat men U voorlegt, is eniglijk bedacht op geldelijk gewin en op verbetering van de materiële positie; geen toon van hoger leven klinkt er u tegen. Het kan niet lager staan dan ’t staat. Men kan dan ook niet zeggen, dat er een enkel man van hoger streven onder de ondertekenaren gevonden wordt. Het is veeleer een lokschrijven, dat nog jaren na deze ten bewijze zal strekken van het ongeestelijk karakter, waarin deze groep verzonk’.

De frustraties binnen het CNV – vooral ook bij voorzitter Klaas Kruithof – bepalen tot in de jaren ’30 de sfeer. Maar er is meer. Het CNV bepleit na 1921 de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, maar stuit daarbij op grote weerstand binnen de ARP en de CHU. Een sterk inhoudelijke en complex debat dat voortsleept tot eind jaren ’40, begin jaren ’50 en waarvan ik u vandaag de details zal besparen. Maar wel een debat dat Ruppert er bij zijn aantreden als Verbondsvoorzitter in 1947 toe brengt de ARP maar eens links  – beter ware rechts – te laten liggen. Hij ziet meer heil in het bekritiseren van zijn broeders dan zich met hen te verbinden. De kern van zijn redenering, die sterk gebaseerd is op het denken in zuilen, komt op het volgende neer:

De missie van christelijke organisaties is ook om de gelovigen te behoeden voor geloofsafval. Daarom moeten gelovige arbeiders kunnen rekenen op aandacht van hun belangenbehartigers, zoals politieke partijen en vakbonden. Christelijke bonden vertegenwoordigen christelijke arbeiders en christelijke partijen doen er goed aan zichtbaar betrokken te zijn bij de belangen van die arbeiders. Als dat niet het geval is dan zullen arbeiders eerst voor de christelijke politiek, dan voor de christelijke vakbeweging en tot slot voor het christelijke geloof verloren gaan.

Hoge verwachtingen

Ruppert – en met hem velen in kringen van het CNV – meent dat de ARP en de CHU zichtbaar moeten zijn voor christelijke arbeiders. Dat kan – zo meent hij na het begin van de jaren ’50 – door CNV-ers op verkiesbare plaatsen op de kieslijsten op te nemen. En door mensen uit de kring van de christelijke vakbeweging te positioneren op invloedrijke posities. Zo bepleit Ruppert in 1956 rond het vertrek van ARP-leider Jan Schouten – formeel als eenvoudig lid van de ARP – dat een vertrouweling uit CNV-kring fractievoorzitter in de Tweede Kamer moet worden. Tevergeefs.

Het CNV heeft telkens hoge verwachtingen van de mogelijkheden binnen ARP en CHU, maar te hoge verwachtingen zo blijkt in de praktijk. Dat blijkt vooral rond de formatie van een nieuw kabinet in 1959. Voor de verkiezingen wordt vooral door CNV-bestuurders gepleit voor een christelijk-sociaal kabinet bestaande uit KVP, ARP en CHU.  Die wens kan niet worden gerealiseerd, want de drie partijen blijven steken op 75 zetels. De formatie-De Quay mislukt in eerste instantie omdat CNV bestuurder Hazenbosch bedankt voor de eer, hij vindt het concept-regeerakkoord onvoldoende  christelijk-sociaal en hij vertrouwt Witteveen niet op Financiën. De formatie wordt weer vlot getrokken door de onvermijdelijke Beel en het christelijk-liberale kabinet treedt toch aan. Binnen het CNV heerst onvrede, die blijkt uit een boze brief aan het partijbestuur. Formeel natuurlijk door ARP-leden, maar wie de ondertekenaars van de brief kent – het zijn Van Eibergen, De Gaay Fortman, Hazenbosch, Van Nierop, Roolvink en Ruppert – kent ook hun zeer nauwe relatie met het CNV.

Lijmen Jan

Het sociale gezicht van het kabinet komt onvoldoende uit de verf en dat wreekt zich in december 1960 als de AR-fractie een eigen motie ziet aangenomen rond het aantal te bouwen woningen. De indiener van de motie -Van Eibergen – is voorzitter van de Hout- en Bouwbond, de publieke verdediger van het fractiegelijk – Hazenbosch – is verbondsbestuurder. Wim Kan zingt op oudejaarsavond zijn latere carnavalshit – Lijmen, Jan, lijmen met z’n allen – voor het eerst en de rector van de CNV-kaderschool – De Gaay Fortman – lijmt de breuk tussen fractie en de eigen ministers, Van Aartsen en Zijlstra.

Blijkbaar kan over de val van een kabinet in CNV-kring worden besloten, maar de uitgezette koers kan niet duurzaam worden bijgesteld. Het conflict maakt duidelijk dat de verwachtingen van het CNV te hoog zijn. In de jaren ’60 professionaliseert het politieke bedrijf, poogt de ARP zich om te vormen tot de Evangelische Volkspartij (met warme steun van het CNV), komen binnen de vakbeweging accenten anders te liggen en de gedachte dat eigen mensen in de Kamer de optimale manier is om invloed vorm te geven, verdwijnt langzaam achter de horizon. Als CNV-bestuurder Cees van der Knaap in 1996 op een zeer verkiesbare plaats op de CDA-kandidatenlijst komt te staan, moet hij direct al zijn externe taken beëindigen.

Deze voorbeelden zijn moeiteloos met andere uit te breiden. Als het CNV begin jaren ’80 zijn gelijk rond aanpassingen in de sociale zekerheid wil halen bij CDA-fractievoorzitter Wim Aantjes, is zijn laconieke reactie dat er meer niet-CNV-leden op het CDA stemmen dan dat CNV-ers dat doen. De CDA-fractie laat zich dan ook weinig gelegen liggen aan de vakbondsopvattingen.

Piet Hazenbosch

Inleiding bij de VHV Vriendenbijeenkomst van 26 november 2016 over vakbeweging en politiek