Het geheugen van de vakbeweging

Organisatie van beroepen in handel en kantoren in 19e eeuw

Bij het organiseren van hoofdarbeiders liepen de handelsreizigers en handels- en kantoorbedienden voorop. Al in 1874 was er een beroepsvereniging.

In de geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging en vakbondshistorie komen we namen tegen als beambtenorganisatie, bediendenbond, hoofdarbeiders, nieuwe en werknemende middenstand, medialen, middelbaar en hoger personeel, middengroepen enz. Veel benamingen voor twee categorieën werknemers.

De oudste beroepsvereniging van hoofdarbeiders werkzaam in de handel was zonder twijfel de Nederlandsche Handelsreizigers Vereniging (NHRV). De NRHV werd opgericht in 1874 en was een eeuw later medeoprichter van de Raad van Overleg voor Middelbaar en Hoger Personeel (MHP-1974). Toen de NHRV werd opgeheven sloten vrijwel alle leden zich aan bij de Unie van Beambten, Leidinggevend en Hoger Personeel (BLHP-1972), thans De Unie.

In 1882 volgde de oprichting van de neutrale c.q. liberaal gezinde Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden Mercurius. Deze vakorganisatie heeft in de vakbondshistorie onder meer naam gemaakt door zijn grote aandacht en activiteiten voor de beroepsopleiding van boekhouders en correspondenten, die kon worden afgesloten met een
Mercuriusdiploma. De voormalige Dienstenbond FNV was de erfgenaam van Mercurius en de diplomatraditie leefde voort bij de Associatie voor Praktijkexamens.

In de 19e eeuw werd ook de Nederlandsche Vereniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden (NVCKH-1894), een voorloper van de Dienstenbond CNV, opgericht.
In het eerste decennium van de 20e eeuw volgden de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden (1905) en de Roomsch Katholieke Bond van Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden (HKW -1908).

Wat in de vakbondshistorie opvalt, is dat de beambtenbonden later dan de handels- en kantoorbediendenorganisaties werden opgericht. In de gelederen van het R.K. Vakbureau meldden zich bijvoorbeeld achtereenvolgens bonden/verenigingen voor werkmeesters (1913), verzekeringsinspecteurs (1916), technici (1918) en verzekeringspersoneel (1919).

Ook bij alle organisaties van beambten en bedienden was het beroep organisatiecriterium. Dat bleef ook zo na de oprichting van de drie toonaangevende vakcentrales: NVV-1906, CNV-1909 en RKVB-1909. Centralisatie en concentratie door fusies veranderden dat criterium en de organisatiestructuren niet wezenlijk. ‘Grensgeschillen’ tussen aangesloten bonden vroegen weliswaar voortdurend aandacht en tijd, maar van reorganisaties of vernieuwing was eigenlijk geen sprake.

In WOII verdween de vrije vakbeweging en na de bevrijding herrezen de drie vakcentrales en aangesloten bonden zoals ze ten onder waren gegaan. De centrales gingen samenwerken in de Raad van Vakcentralen. En zeven weken na de bevrijding, op 26 juni 1946, zette die raad een commissie aan het werk die de invoering bedrijfstaksgewijze (re)organisatie moest onderzoeken. Daarmee zou ook het beroep als organisatiecriterium worden ingewisseld voor de bedrijfstak.

Meer informatie hierover leest u in het ‘blauwzwarte boekje’.

Geert Wagenaer, oud secretaris Unie BHP/BLHP