Het geheugen van de vakbeweging

Biografie vakbondseconoom Jaap Nieuwenhuize

Voedingsbond-econoom Jaap Nieuwenhuize

Onstuimig en onvervaard in (inter)nationale vakbeweging

“De internationale vakbeweging blijkt in veel gevallen, ondanks de linkse retoriek, een papieren tijger. De voorbeelden van succesvolle grensoverschrijdende gezamenlijke acties zijn op één hand te tellen. Ik heb veel last van geborneerde vakbondsbazen die mijn idealisme en elan maar lastig vinden en me vaak onderuit halen in plaats van me te helpen. Mijn verwachtingen zijn te hoog gespannen en teleurstellingen blijven niet uit.” Hoewel in 1992  het door hem geschreven Strategisch Plan 1993-1997 voor de Europese organisatie van de International Union of Food and Allied Union (IUF) wordt aangenomen, legt secretaris Jaap Nieuwenhuize het bijltje erbij neer. Hij is moe, teleurgesteld en gefrustreerd. En gaat niet op voor herverkiezing. Zijn door Bertus Mulder verzorgde memoires bieden een kijkje achter de schermen van zijn loopbaan binnen de nationale en internationale vakbeweging in landbouw- en voedingssector.

Er zijn sowieso niet erg veel (auto)biografieën van vakbondsmensen. En als ze er al zijn, zijn ze van meestal bij het brede publiek bekende mensen. De biografie van Jaap Nieuwenhuize is een uitzondering. Cees Schelling, Greetje Lubbi zijn degenen die mogelijk bij de buitenwacht in het geheugen schieten, als ze zoeken naar ‘leiders’ in de vakbeweging in de Nederlandse voedingsindustrie. Jaap functioneert bij hen op de achtergrond en dan ook nog eens een belangrijk deel van zijn loopbaan binnen de internationale vakbeweging. Het maakt het lezen van dit boek eigenlijk alleen maar interessanter.

Zwaar christelijk milieu

Nieuwenhuize groeit op in een zwaar protestants-christelijk milieu. Vader is bakker en heeft het moeilijk om samen met moeder de eindjes aan elkaar te knopen. Desondanks krijgt hij de kans te gaan studeren, eerst aan de Hogere Landbouw School, vervolgens aan de Landbouw Universiteit in Wageningen. In 1980 wordt hij economisch medewerker bij de Voedingsbond FNV. Daar wordt hij al vlot getrokken in ‘een factiestrijd’ over het basisinkomen. Hem wordt gevraagd daar een nota over te schrijven, maar voelt zich daar uiteindelijk ongemakkelijk bij. Alsof hij als breekijzer wordt ingezet tegen Cees Schelling. Want hoe betrouwbaar en duurzaam kan een basisinkomen zijn met een overheid die stevig op de sociale zekerheid bezuinigt?  Uiteindelijk gaat hij te biecht bij Schelling zelf en samen besluiten ze de nota in te trekken.

Jaap Nieuwenhuize (links) en Cees Schelling (tweede van links) bij een demonstratie in 1982

In zijn werk besteedt Nieuwenhuize veel aandacht aan de sociale strijd in de landbouwsector. Aanleiding daarvoor is de zuivelstaking voor een 36-urige werkweek  van 1986, waarbij hij net als menig ander bondsmedewerker wordt ingezet. Hij verbaast zich over de intimiderende opstelling van de werkgevers. Waarbij niet wordt teruggedeinsd melk in de sloot te dumpen. Hij kijkt terug op de crisis van de jaren ’30 en verdiept zich daarbij in het bijzonder op de ‘proletariërs van de achterhoede en de rol van de ‘moderne landarbeidersbond’, die wordt beschreven in de brochure ‘Voor de gelijkberechtiging van de landarbeid – ruim tachtig jaren geschiedenis van de ‘moderne’ landarbeidersbond in Nederland’. Loonsverlagingen en stakingen volgen elkaar op, totdat er overeenstemming wordt bereikt tussen bonden en boeren. De boeren besluiten in 1929 niet langer tot loonsverlaging over te gaan, de bonden besluiten niet langer tot staking op te roepen en samen gaan ze naar de overheid om steun voor regulering van verschillende teelten. Nieuwenhuize ziet hierin een erkenning van de kracht van de vakbeweging. Zijn brochure beschouwt hij ook als reactie op het overzichtswerk van Ger Harmsen en Bob Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid, waarin nauwelijks aandacht wordt besteed aan de landarbeiders (1975).

Na deze studie wordt hem gevraagd ook zijn licht te laten schijnen over de geschiedenis van andere onderdelen van de land- en tuinbouw. In 1986 verschijnen de brochures ‘Schetsen uit het Oost Groninger veen’ en ‘De achterkant van het Westland, zeventig jaren St. Deusdedit in Naaldwijk en Poelgeest’.

Weer later concentreert Nieuwenhuize zich op de geschiedenis van de sociaaldemocratie en de landbouwpolitiek. Daarbij grijpt hij terug op Troelstra die in 1896 pleit voor samenwerking tussen landarbeiders, pachters en kleine boeren en coöperatieve verenigingen. De SDAP-leider neemt het onder andere op voor de pachters, die door de eigenaren van de grond worden uitgebuit. Zij kunnen te maken krijgen met pachtverhogingen en zelfs met opzegging van de pacht, zonder dat ze daarbij een vergoeding krijgen voor bijvoorbeeld van de verbetering van de grond die ze hebben bewerkstelligd. Troelstra krijgt er bij de dogmatici in de partij de handen niet voor op elkaar. Want versterking van de positie van de pachters zou de concentratie van de productiemiddelen in de landbouw vertragen en daarmee de komst van het socialisme. Die opvatting komt later terug in de opstelling bij de uitgifte van landbouwgrond in de droog te leggen Zuiderzeepolders. Dat zou niet in particulier eigendom moeten gebeuren.

Heden verbinden met verleden

Het verleden inspireert Nieuwenhuize om ook naar de toekomst te kijken. Een visie daarop wordt neergelegd in de brochure ‘Rode draad voor het te voeren beleid in land- en tuinbouw’. Het verruimt de blik daarbij naar het gevaar met werken met bestrijdingsmiddelen en naar de solidariteit met de landbouwbevolking in de Derde Wereld. Actiepunten daarin zijn de vermindering van de productiecapaciteit om prijsbederf op de wereldmarkt te voorkomen, ontwikkelingslanden kansen bieden zowel de eigen landbouwsector te beschermen als betere toekomstmogelijkheden tot de westerse markt en tot slot het verbieden van dumping van gevaarlijke landbouwpesticiden.

Deze brochure verschijnt in 1986 en lijkt zo op een sollicitatie voor een internationale functie. In 1987 wordt hij eerst de tweede man van de IUF, die in Genève is gevestigd, in de omgeving van de Internationale Arbeids Organisatie. Na anderhalf jaar – in 1989 – verhuist hij naar Brussel om de leiding op zich te nemen van de Europese voedingsbonden die zijn aangesloten bij de IUF. Zoals zijn betrokkenheid bij de brochure ‘De bond voorbij Lobith’ over het internationale werk van de Voedingsbond daar ook al op vooruit loopt. In het interview voor Bondig, het blad van de Voedingsbond, wordt hem gevraagd naar de dikke nota’s die hij heeft geschreven. “Ze zijn misschien te dik. Maar zo werk ik. Alles eruit donderen. Eigenlijk moet je het daarna even rustig laten liggen. En dan schrappen en nog eens schrappen. Ik heb die kritiek op dikke nota’s niet serieus genomen. Die worden ook gevraagd op de plekken waar ik zat. In het Landbouwschap. Bij het ministerie bijvoorbeeld. Daar word je pas serieus genomen als je goed laat merken wat je in huis hebt. Dat moet dan allemaal min of meer stevig na te slaan zijn.”

In Brussel ontwikkelt hij het secretariaat snel tot een kennis- en documentatiecentrum. Daarnaast laat hij door de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) bedrijfsprofielen opstellen van de grote grensoverschrijdende bedrijven in de voedingssector. Ook deze informatie wordt in de door de bond opgebouwde databank opgenomen. Daarin komen ook de gegevens over de arbeidsomstandigheden in de verschillende onderdelen van de sector. Uit die databank wordt volop geput bij de internationale bedrijfsconferenties die door Nieuwenhuize worden georganiseerd, zoals bij Danone en Nestlé. Zij zouden de opmaat moeten zijn voor Europese arbeidsraden bij transnationale ondernemingen.

Strategievisie

Bertus Mulder, schrijver van de biografie van Jaap Nieuwenhuize

Al  zijn ervaringen en inzichten worden gebundeld in de Strategievisie van zijn organisatie. Ondanks de waardering daarvoor haakt hij af. Hij vindt het werk niet alleen zwaar, maar de eenzaamheid nog zwaarder. Hij mist zijn kinderen. Het ‘onstuimige en onvervaarde’ is er vanaf. Een terugkeer naar de Voedingsbond ligt dan in de lijn der verwachtingen. Bestuurder Henk Ligtenberg met wie hij lang in het Landbouwschap heeft opgetrokken, staat op het punt met pensioen te gaan. Met al zijn ervaring lijkt hij de meest geschikte opvolger. De bond beslist echter anders en kiest voor Mária van Veen, de oud-voorzitter van de Vrouwenbond FNV.  Nieuwenhuize krijgt dan werk bij het ministerie van LNV, op de afdeling buitenlandse zaken. Na 10 jaar stapt hij over naar de Voedsel- en Warenautoriteit.  In beide organisaties kan hij zijn binnen de (inter)nationale vakbeweging opgedane kennis goed kwijt.

Nieuwenhuize had – volgens Bertus Mulder, een oud-collega van hem als docent op de sociale academie De Dommel in Eindhoven – graag zelf zijn levensverhaal op papier gezet, vooral voor zijn kinderen. Hij kwam er door zijn parkinson niet aan toe. Mulder is samen met Jaap naar broer en zussen geweest, en heeft verder met onder andere Henk Ligtenberg en Cees Schelling gesproken. “Er kwam echter ook het moment dat ik”, zei hij bij de presentatie in december 2018, “heel klassiek vooral archiefwerk moest doen.” Hij moest daarvoor onder meer de indrukwekkende lijst van ‘dikke’ nota’s, notities, artikelen en brochures bestuderen. Naast voor vakbondshistorici interessante informatie biedt zijn biografie een goed overzicht van het naoorlogs landbouwbeleid met de Europese melkplassen en de boterbergen,  en ook het mestbeleid, vanuit sociaaldemocratische optiek.

Jeroen Sprenger

Februari 2019

 

Bertus Mulder, Jaap Nieuwenhuize, onstuimig en onvervaard, Wageningen en de wereld, uitgeverij Bornmeer, 2019, ISBN 9789056154899, €25,=