Het geheugen van de vakbeweging

Christiaan van de Bilt (1886-1975), voorzitter Algemeene Nederlandsche Mijnwerkersbond), van 1919 tot 1942

Rapport over positie moderne vakbeweging in Limburgse mijnindustrie anno 1928

Ondergrondse streken

Het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg (SHC) beheert de archieven van zowel de Nederlandsche Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB) als die van de Algemene Nederlandsche Bedrijfsbond Mijnindustrie (ANBM). Tussen de SHC en FNV Bondgenoten – van beide organisaties de rechtsopvolger – zijn afspraken gemaakt om beide archieven te ontsluiten. Onderdeel van deze afspraken is het ‘opschonen’ van de archieven zodat alleen relevante delen ontsloten gaan worden. Uit het archief van de NKMB kwam een rapport te voorschijn dat opgesteld is door de ANBM. Nogal verrassend want de inhoud van het rapport is allerminst voor de katholieke concurrent bedoeld. Dat het rapport dan toch in het ‘verkeerde’ archief terecht kon komen is wel een bewijs hoe de NKMB de ‘rooie’ in de gaten hield. Je zou bijna gaan denken aan ‘bedrijfsspionage’ en dat jargon is zo gek nog niet want het rapport is in feite een ‘marktverkenning’ die een vernietigend oordeel velt over de marktpositie van de ANBM en een aanklacht vormt tegen de knellende invloed van de kerk op het (arbeids-)leven  van de mijnwerkers. Dik Nas analyseert.

Een ‘eigen’ mijnindustrie

Dik Nas, auteur van dit artikel

Alhoewel er sedert de middeleeuwen in Limburg sprake is van mijnbouw is de betekenis ervan tot eind 19de eeuw niet groot. Onder invloed van de ontwikkelingen in het Roergebied breekt er in het laatste kwart van de 19de eeuw een ware jacht op concessies uit. De tientallen aanvragen leiden tot bijna evenveel proefboringen. Het vele geld besteed aan deze proefboringen is verspild. De recessie tegen het eind van de 19de eeuw doet de belangstelling ineenschrompelen en in 1890 zijn de meeste concessies verlopen. De concessie afgegeven in 1893 aan de Oranje-Nassau te Heerlen heeft wel succes en is de start van de mijnindustrie zoals we die in de 20ste eeuw zullen leren kennen. Dankzij de steun van de directeur van de Staatsspoorwegen krijgt de ‘Mijnstreek’ aansluiting op het spoorwegnet. Zonder het spoor is de mijnindustrie niet rendabel te exploiteren. In 1901 wordt door Lely, de minister van Waterstaat, die eerder de concessie aan de Oranje-Nassau afgaf, de mijnwet geïntroduceerd. Deze mijnwet is door het beginsel van staatsexploitatie een radicale omwenteling. Samen met de particuliere mijnen zorgen de staatsmijnen er al spoedig voor dat in 10% van de binnenlandse behoefte kan worden voorzien. In 1904 komt Lely, met de oprichting van de Dienst der Rijksopsporing van Delfstoffen, het katholieke kamerlid Nolens, die in 1898 de oproep: “Een land dat zijn natuurlijke hulpbronnen van rijkdom niet weet te gebruiken, bewijst dat het deze niet waard is” deed, nog verder tegemoet. Niet alleen de oproep van Nolens, maar ook de vrees al te afhankelijk te worden van Duitsland speelt een belangrijke rol.[1] De ‘eigen’ mijnindustrie komt er, maar de vreugde is van betrekkelijk korte duur. Slechts tot de jaren zestig in de 20ste eeuw speelt ze een rol.

De Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB) vindt kort na de eeuwwisseling zijn ontstaan in een aantal plaatselijke mijnwerkersverenigingen, opgericht op initiatief van Nolens. Deze plaatselijke verenigingen sluiten zich in 1903 aaneen tot de Centrale Bond van R.K. Mijnwerkersvereenigingen, in 1907 voortgezet in de Algemeene Bond voor Christelijke Mijnwerkers. De socialistische Algemeene Nederlandsche Mijnwerkersbond[2] verschijnt pas in 1909 op het toneel. De late komst heeft alles te maken met de allesoverheersende invloed van de kerk. Het gebrek aan resultaat leidt tot frustraties bij de socialistische bond en in 1928 roept zij zelfs het verbondsbestuur van het NVV naar Limburg om haar nood te klagen.

De positie der moderne arbeidersbeweging in Limburg

Christiaan van de Bilt, voorzitter van ANBM, is duidelijk ‘not amused’ als hij de bijeenkomst met het verbondsbestuur van het NVV opent op 5 oktober 1928 te Heerlen:

“Vooreerst brengen wij een woord van dank aan de aanwezigen voor het door hen gegeven blijk van belangstelling voor het ingrijpende vraagstuk, hetwelk wij thans aan de orde stellen. Zonder tot wie ook enig verwijt te richten, kan en moet geconstateerd worden, dat onze beweging en de algemene leiding daarvan niet zo intensief aandacht heeft geschonken aan wat in Limburg plaats vindt, als de tegenstanders van onze beweging zulks gedaan hebben. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren. Men was boven de Moerdijk te veel in beslag genomen met zaken van allerlei aard, dan dat men zich intensief in de aanvangsjaren der industrialisatie van Zuid Limburg met dit ontwikkelingsproces kon bezig houden. Aangevoerd kan overigens worden de vanouds bekende theorie, dat een beweging zichzelf moet helpen en er doorslaan, zich de hulpmiddelen moet verschaffen benodigd voor de uitbouw en het veroveren ener machtspositie. Alhoewel ik in het algemeen genomen deze op ervaring berustende theorie accepteer, wens ik haar toch na gezette studie van de verhoudingen in Limburg voor deze provincie niet te onderschrijven. Dit geldt niet slechts voor mijn eigen organisatie waarvoor ik verantwoording draag, dit geldt ook naar zijn gevoelen voor organisaties waarin collega=s als Pieters, van Lienden[5] en anderen, wier werkterrein mede in Limburg gelegen is, werkzaam zijn. Ook zij hebben naar mijn inzicht zeer groot belang bij het vaststellen van de zaken zoals ze zijn, berustend op onweerlegbare feiten, waarmede voor alles rekening moet worden gehouden. Een dezer feiten is, dat het volkomen uitgesloten moet worden geacht, dat een soort Messias in Limburg de verlossing zal komen brengen. De oorzaak hiervan is de gemengdheid der bevolking, ten tweede de mentaliteit der inheemse bevolking.”

Van de Bilt analyseert vervolgens uitvoerig de positie van de bond in Limburg, of beter gezegd de allesomvattende invloed van de Rooms-Katholieke kerk, door Van de Bilt stelselmatig als ‘de clerus’ aangeduid. Met zijn analyse gaat hij heel ver. De basis wordt gevormd door een soort volkenkundig overzicht waarmee hij tracht aan te tonen dat het ook iets met de ‘aard van het beestje’ i.c. de Limburger te maken heeft, ondanks het feit dat de werknemers in de mijnbouw een zeer heterogeen gezelschap vormen.  Er werken aan het eind van de jaren twintig bijna 35.000 mensen bij en in de mijnen. Daarvan is minder dan de helft Limburger.

“Ook de 15.860 Limburgers zijn niet van dezelfde oorsprong. Het is volmaakt uitgesloten, dat een Kerkradenaar met een geboren Maastrichtenaar kan worden vergeleken. Evenmin een Roermonde­naar met een Heerlenaar – Sittarder of Schaesberger. De oorzaak hiervan is terug te voeren op het feit, dat Limburg sedert betrekkelijk korte tijd een staatkundige eenheid is geworden. De Zuid Limburger is een voortspruitsel van een vermenging van het oorspronkelijke ras met Romeinen met Gallische Franken, terwijl noordelijker een vermenging met Germanen en Saksers heeft plaatsgevonden. De Zuid Limburger heeft daardoor dan ook zo goed als geen overeenkomst met den Noordelijken Nederlander. Bij een volk van dezelfde mentaliteit van dezelfde oorsprong is het mogelijk de geestesrichting te bepalen, zou inderdaad een Messias wonderen kunnen verrichten, bij een zo heterogene bevolking als hier mag dat uitgesloten worden geacht. In Limburg kan dan ook, voorzover wij hebben kunnen nagaan, geen voorbeeld worden gesteld, dat liefde en blinde volgzaamheid aan een leider de massa bijeen heeft gebracht en gehouden. Dit is ook niet het geval met de R.K. Geestelijkheid. De naam Dr. Poels wordt veelvuldig gehoord en toch heeft hij in werkelijkheid geen tiende deel der bevolking uit liefde en aanhankelijkheid om zich. De Clerus is er eveneens van overtuigd, dat evenmin de liefde tot hem, deze provincie in naam overwegend Katholiek doet blijven. Traditie, sleur, en de middelen om deze traditie en sleur te bestendigen is de ondergrond, dat de massa in een apathische toestand den Clerus blijft volgen. Onder deze middelen moeten worden verstaan de machtsmiddelen, welke de Clerus ten dienste staan.”

Een van de eerst in het oogspringende ‘machtsmiddelen’ is die van de zaalafdrijving. De ANBM kan in vrijwel geen enkel dorp een zaal huren voor vergaderingen of bijeenkomsten. Zelfs in de openlucht is het hun onmogelijk een meeting te houden of propaganda te voeren. De mijnwerkers collectief in hun woonplaats opzoeken en zo met hen in gesprek raken behoort dus niet tot de mogelijkheden. De ANBM is aangewezen op het geschreven woord. Het aangewezen middel blijkt proefondervindelijk het aantrekkelijk geschreven vlugschrift te zijn, die worden goed gelezen en missen hun uitwerking niet. Bijkomend voordeel is dat het geschreven woord niet zo snel is uit te wissen. De uitwerking van de vlugschriften wordt duidelijk als regelmatig blijkt dat, zoals Van de Bilt dat zegt: “de pers onzer tegenstanders, die telkens als een vlugschriftje was verschenen, als briesende leeuwen op ons aanvielen.”

De latente aanhang die de ANBM de zijne mag noemen blijkt uit de verkiezingen voor het Algemeen Mijnwerkersfonds (AMF). Van alle mijnen zijn er werknemers in het bestuur van dit fonds vertegenwoordigd. De bonden stellen de kandidaten. De verkiezingsuitslagen zijn in de verkiezingsjaren 1922, 1925 en 1928 als volgt:

Algemeen Mijnwerkersfonds (AWF)

Uitslag bestuursverkiezingen

1922

1925

1928

ANBM

29

31

27

NKMB

19

18

27

Overige

2

1

1

Volgens Van de Bilt blijkt hieruit het vertrouwen die de ANBM geniet onder de mijnwerkers. Hij verbindt daaraan de conclusie dat niet de NKMB verloren heeft van de ANBM, maar de clerus.

“Echter was de Geestelijkheid zich ook al voor deze verkiezing bewust terrein te verliezen en ook zij was meer dan voldoende bekend met de onberekenbaarheid van de bevolking en haar wisselende mentaliteit. Zij wist, dat zij de bevolking niet had uit zuivere liefde tot het beginsel en zij wist ook, dat dit nog niet bij ons het geval was en is. Onze loonpolitiek, onze eisen, onze tactiek in het algemeen viel in de geest der arbeiders. De zuivere strijd allen tegen onze tegenstanders in de katholieke Mijnwerkers­bond, dus van vakbond tegen vakbond was dan ook beslist. Beslist volslagen ten onze gunste. De Stins[6] wist dit maar al te goed, hij had ondervonden absoluut niet tegen onze organisatie opgewassen te zijn. En hiervan gaf hij onomwonden blijk. In zijn blad van 11 Juni 1922 schreef hij daarom als volgt: Maar ……… is het de taak tenslotte van de vakorganisatie alleen, om dit de arbeiders aan het verstand te brengen? Hebben wij niet een keur aan Geestelijken in Limburg, die door hunnen invloed toch nog meer dan de Christe­lijke Mijnwerkersbond in staat moest zijn dergelijk stuivertje wisselen te voorkomen. Handig schoof hiermede de heer Stins de verantwoordelijkheid van zich, hij wilde de gehele Clerus tegen ons mobiel maken en de Clerus heeft dit aanvaard, uit eigen behoud. Hij had het bewijs gekregen, dat de leiding van de Katholieke vakbeweging niet tegen ons opgewassen was en hij nam dan ook de leiding over.
Vanaf dat tijdstip is onze strijd een geheel andere geworden en is de positie zo, dat wij van drie fronten worden aangevallen. Ja men tracht ons zelfs te omsingelen. En onze tegenstanders rekenden daarbij op de snelle veranderlijk­heid, voornamelijk van het Limburgse volk. Wanneer men dan ook spreekt van Katholieke Mijnwerkersbond, dan handelt men verkeert, men kan beter de waarheid benaderen wanneer men spreekt van een machtsmiddel van de Clerus bijeengedreven kudde. De Clerus vertrouwt evenwel deze kudde niet, weet dat niet in de aanhankelijkheid aan het beginsel of den leider de volgzaamheid haar grond vindt, maar in hun machtspositie. In zijn strijd tegen ons heeft hij nog alle wind in de zeilen, heeft hij hulpbronnen van financiële aard, die het hem mogelijk maken te handelen zoals hij doet. Voor hem is dan ook ontzaggelijk veel gelegen aan het behoud van, militair gesproken. Ahet gros@ in Limburg en Brabant. Zijn vooruitgeschoven stellingen in Holland, waar hij thans zijn operatiebasis naar heeft verlegd, zowel op economisch als politiek terrein, worden gevoed en aangevuld vanuit zijn magazijnen in de beide Zuidelijke provinciën. En de tucht en discipline welke thans nog sterker blijkt dan de inbetrouwbaarheid van zijn troepen kan gehandhaafd worden door de hulpmiddelen, welke hem worden toegevoerd en ons ontbreken.”

Als een ‘veldheer’ is Van de Bilt van mening dat wil je de goede wapens kiezen – hij noemt ze hulpbronnen –  kennis van de strategische positie van je tegenstander een eerste vereiste is. Hij vraagt zich af wat diens hulpbronnen zijn, waarmee en waardoor zij m.n. in materieel opzicht in staat zijn hun positie te handhaven.

“Zeer juist is het door Dr. Poels gezien, dat, wil de Clerus zijn machtspositie handhaven, invloed op de bedrijven, alsmede in de openbare lichamen geboden is. Scherp staat hem voor ogen, zo goed als ons, dat het kolen­mijnbedrijf een vitaal bedrijf van onschatbare waarde is bij het innemen van een machtspositie ook op politiek terrein. De grote waarde van het mijnbedrijf wordt dan ook door Gedeputeerde Staten van Limburg aldus omschreven: Het is immers voor iedereen duidelijk, en naar onze mening voor geen tegenspraak vatbaar, dat met de aanwezigheid ener steenkolenindustrie op de Nederlandse bodem belangen van nationale aard van de eerste rang verbonden zijn. Dit geldt naar ons oordeel de mijnindustrie in het algemeen, maar het Staatsmijnbedrijf wel heel in het bijzonder. Door allerlei maatregelen en bij verschillende uitlatingen is dit door de Regering erkend.”

Wiens brood men eet, diens woord men spreekt…

 De directies van de particuliere mijnen zijn uitgesproken katholiek en het opzichthoudend personeel is dat overwegend ook. Het wekt dan ook geen verwondering dat bij het werven van nieuw personeel sterk gelet wordt op een ‘juiste’ selectie. Mocht er toch een ‘ongewenst element’ tussen door slippen dan wordt er een correctie toegepast. Ontslag van ongewenste elementen is geen zeldzaamheid, maar een regelmatig terugkerende gebeurtenis. Ook op het Staatsmijnbedrijf heeft de geestelijkheid grote invloed wat omgekeerd aan haar ook weer voordelen oplevert. De geestelijkheid heeft in Limburg de beschikking over een uitgebreid apparaat. Tegenover een bevolking in de mijnstreek van ruim 300.000 zielen staan zo’n 440 geestelijken werkzaam in de rectoraten en parochies. Totaal beschikt de clerus over rond de 6.500 paters, zusters, kloosterlingen en wereldse geestelijken. Daarnaast zijn er nog geestelijken t.b.v. buitenlandse werknemers zoals Belgen en Polen. Voor de gehele provincie Limburg mag worden aangenomen dat op elke 27 mannelijke inwoners 1 geestelijke of religieuze voorkomt. Het behoeft nauwelijks betoog dat met zo’n fijnmazig netwerk de kerk zicht heeft op het reilen en zeilen van welhaast elk gezin. Natuurlijk is het ook bij de kerk bekend dat ‘de liefde vooral door de maag gaat’. Anders gezegd het is van belang de mensen aan je te binden. Deze binding komt op vele manieren tot uiting in het dagelijks leven van de mijnwerker: de woning, de scholen, de gezondheidszorg, als consument, op de arbeidsmarkt, de pers en zelfs tot in de dood op de kerkhoven. De woningmarkt wordt sterk gedomineerd door katholieke woningbouwverenigingen. Meer dan 10.000 woningen staan in 1928 onder direct of indirect toezicht van de katholieke kerk terwijl nog vele honderden in aanbouw zijn. Woninginspecteurs en inspectrices zijn de kerk ter wille door toezicht te houden op een ‘juiste levenswandel’. De druk die hiermee kan worden uitgeoefend laat zich raden. Wordt een arbeidersgezin uit een woning van de mijnen gezet, dan is ze praktisch dakloos, aangezien ze er bij de andere woningbouwcombinaties niet inkomt. Voor vrijgezellen zijn er gezellenhuizen die zonder uitzondering beheerd worden door de katholieke instelling ‘Het Goede Kosthuis’. De instelling beheert negen huizen met in totaal 900 plaatsen. Je intrek nemen in een gezellenhuis is voor werknemers van de Staatsmijnen verplicht. Verlaten van het huis zonder een geldige reden leidt tot ontslag. De sfeer in deze huizen is zodanig dat leden van de ANBM al snel voor deze bond verloren gaan. Deelname in het beheer van de gezellenhuizen wordt de ANBM geweigerd.

Er zijn in Limburg tegenover 162 openbare scholen 284 bijzondere scholen. Dit lijkt beter dan het is. Vele openbare scholen staan zodanig onder invloed van de kerk dat ze voor minstens 80% tot de bijzonder scholen gerekend kunnen worden. Het mechanisme is simpel wie zich ‘niet gedraagt’ krijgt te maken met ‘ontvolking’. Er zijn voldoende drukmiddelen om te zorgen dat kinderen door de ouders van school worden gehaald om ze bij het bijzonder onderwijs aan te melden zoals in Heerlen ook is gebeurd.

Een gezonde geest in een gezond lichaam…

Wie opgenomen moet worden voor verpleging in een ziekenhuis heeft geen keus. In de hele mijnstreek zijn slechts katholieke ziekenhuizen te vinden. Als er een poging wordt gewaagd in Roermond een nieuw ziekenhuis te bouwen onthoud kardinaal Van Rossum zijn toestemming, omdat er voor de Zusters van Tilburg dan geen plaats meer zou zijn. Voor het Algemeen Mijnwerkersfonds (AMF) werken 82 doktoren. Van slechts 3 of 4 is bekend dat zij niet katholiek zijn. Een groot deel van de medici is afhankelijk van de clerus aangezien deze een grote invloed heeft op het AMF. Dat geldt ook voor de 54 vroedvrouwen die bij het AMF zijn aangesloten. Direct al na de geboorte, in 1927 wordt door deze 54 vroedvrouwen 3.850 verlossingen verzorgd, is de invloed van de kerk aanwezig, want de katholieke vroedvrouw doet haar best om de pasgeborenen te laten dopen. Bij een doop is een peter en een meter nodig. Menigmaal wordt de doop geweigerd omdat de peter georganiseerd is bij de ANBM. Als dat al gebeurd als de peter ‘verkeerd’ is georganiseerd dan vereist het weinig fantasie om te bedenken hoe het gaat als de vader bij de verkeerde bond is aangesloten.

De katholieke pers monopoliseert de nieuwsvoorziening in Limburg. Buiten een aantal katholieke streek en stadsbladen verschijnen er vier dagbladen en drie kranten die driemaal per week verschijnen. En of het allemaal nog niet genoeg is komt er nog een gratis katholiek weekblad bij. Met grote regelmaat wordt in de katholieke pers aanvallen gedaan op de ANBM. Soms zelfs meer dan eenmaal per week. Zelfs de dood is een wapen in handen van de geestelijkheid om de ‘schaapjes in de kudde te houden’. De dreiging om in ongewijde aarde te worden begraven is een schande voor de nabestaanden. Het is reden voor leden van de moderne bond om deze te verlaten en terug te keren in de kudde.

Geld wat stom is maakt recht wat krom is…

De katholieke gemeenschap in Limburg wordt zowel door de overheid als door het bedrijfsleven stevig gesponsord. De Staatsmijnen draagt tussen 1921 en 1927 voor ruim twee miljoen bij aan de diverse katholieke activiteiten. Alleen al naar kerkgenootschappen gaat ruim een half miljoen. De gezellenhuizen worden met meer dan vier ton ondersteund. De Oranje Nassau Mijnen dragen in datzelfde tijdvak ƒ70.000 bij voor de bouw van twee kerken. De provinciale overheid en de gemeenten in de Mijnstreek doen ook het nodige. Voor het dienstjaar 1928 staat bij de provincie ƒ100.000 op de begroting voor kerkenbouw, ‘Het Groene Kruis’ en de Vroedvrouwenschool. In Heerlen staat in 1928 voor RK-instellingen zo’n ƒ35.000 op de begroting, in Geleen ƒ100.000 en deze voorbeelden zijn met andere gemeenten uitbreidbaar. Het AMF draagt belangrijk bij in de financiering van een aantal instellingen. De R.K. woningbouwvereniging ‘Thuis Best’ heeft een lening van het AMF van zes miljoen. Aan een drietal ziekenhuizen is gezamenlijk anderhalf miljoen geleend en aan de RK HBS Heerlen ƒ350.000. Totaal heeft het AMF in 1928 voor tien miljoen aan beleggingen in Limburgse instellingen en gemeenten, waarvan een aantal het karakter dragen van subsidiaire ondersteuningen.

Een tegen strategie

Van de Bilt liet het NVV-bestuur niet zonder een indringende vraag tot steun naar huis gaan. Op grond van zijn analyse over de positie van de ANBM in Limburg ontvouwt hij een tegen strategie. Zijn antwoord aan de clerus luidt als volgt:

“Voor onze organisatie, welke nog steeds de overwegende en de invloedrijkste onzer beweging in Zuid Limburg is, moet een gelegenheid komen om groter invloed in de Contactcommissie en voornamelijk op de Staatsmijndirectie te kunnen uitoefenen. Door de gelegenheid waarop wij doelen moet de mogelijkheid geschapen worden om door te dringen in het Bestuur van de bouwcombinatie AThuis Best@, het bereiken van een gemengd beheer der gezellenhui­zen. Een billijke verdeling der subsidie opdat onze beweging er haar deel van krijgt. De Clerus heeft dit voor zijn eigen positie eveneens heel goed aangevoeld, en om standing aan de katholieke Mijnwer­kersbond te geven heeft bevorderd, dat de voorzitter van die Bond wethouder van Heerlen is geworden. Voor de gehele beweging is toevoer van jonge intellectuele krachten nodig. Wij hebben hierbij het oog op jonge dominees en advoca­ten, onderwijzers, die b.v. voor arbeidsrecht, hulp bij administraties etc. prachtig werk in Limburg kunnen verrichten. Verder moet onder het oog gezien of door onze beweging een wijkverpleging in het leven kan worden geroepen, waardoor modern georganiseerde niet meer afhankelijk zijn van het Groene Kruis of Protestantse Wijkverpleging. Overigens bevordering van Nutsschoolonderwijs onder invloed van onze mensen. Hiervoor zijn intellectuelen onmisbaar. Verder is het noodzakelijk, dat een propagandafonds wordt gesticht voor de te voeren schriftelijke propaganda. Tot op heden is alles nog zo goed als alleen door de Nederlandse Mijnwerkersbond bekostigd. Echter de omstandigheden brengen mede, dat onze organisatie hiermede niet voort kan gaan. Het hoge ziektepercentage waardoor de ziekenkas­sen van het Algemeen Mijnwerkersfonds met bijna één miljoen gulden tekort werken, wreekt zich ook aan onze organisatie. Ook onze ziekenkas werkt thans met tekorten. Daarnaast is ook het aantal werklozen stijgende. Alles in de mijnstreek, hetwelk tot onze beweging hoort, klopt steeds bij onze organisatie aan om hulp en subsidie. En dit geschiedt juist in het tijdvak, nu door ons op alle uitgaven bezuinigd moet worden. Hiermede hebben wij naar ons oordeel de zaken gesteld zoals ze zijn. Wij verwachten niet een directe oplossing, ook geen directe ter zake kundige adviezen. Maar wij zijn van mening, dat toch al wat wordt bereikt, wanneer wij voor ons werk op de vooruitgeschoven post als Zuid Limburg is, belangstelling hebben kunnen wekken bij de centrale leidingen in Holland en door deze met ernst wordt nagegaan welke hulp ons in Limburg kan worden geboden.
Zoals het thans gaat met de steeds verder ontwikkelende machtspositie van de clerus, zien wij in de toekomst hierin ook een bedreiging van onze beweging boven de Moerdijk. De katholieke beweging zien wij als een olievlek uitbrei­den en hierop de aandacht te vestigen, alsmede op de hulpbronnen, welke de clerus mogelijk maken zijn invloed zowel op economisch als politiek gebied te vergroten, achten wij onze plicht. Moge dit rapport bijdragen tot het welzijn van onze Partij en Vakbeweging, waarin wij 26 jaren werkzaam zijn. Aanvaard besturende colleges van Partij en Vakbeweging ons welgemeend: Gluck Auf

Dik Nas

September 2019

Noten en geraadpleegde literatuur

  • Christiaan van de Bilt was leider van de socialistische mijnwerkersbond en Eerste Kamerlid voor de SDAP. Werd in de bezettingstijd lid van de Nationaal-Socialistische Werk Gemeenschap, die door Rost van Tonningen was opgericht als alternatief voor de SDAP en voerde het woord in NVV-vergaderingen samen met de NSB’er Woudenberg. Ontliep na de oorlog de parlementaire zuivering door zelf ontslag te nemen als senator.
  • J.G. Constant (red.) Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)
  • De naam van de bond zal nog enkele malen wijzigen. Bij de invoering van de bedrijfstaksgewijze organisatie in 1951 wordt de naam Algemene Nederlandse Bedrijfsbond Mijnindustrie (ANBM). In dit artikel wordt gemakshalve ANBM aangehouden.
  • Christiaan v.d. Bilt, De positie der moderne arbeidersbeweging in Limburg, rapport uit 1928 voor het NVV-verbondsbestuur
  • Aanwezig op 5 oktober 1928 zijn: E. Kupers, S. de la Bella en C. van Lende, resp. voorzitter, secretaris-penningmeester en lid van het verbondsbestuur van het NVV, C. van Liende, propagandist voor het NVV te Noord-Brabant, J.v.d. Bilt en N. Kramer, resp. voorzitter en secretaris-penningmeester van de ANBM en de ANBM-propagandisten: W. de Ruiter en W. Rappange.
  • C.H. Pieters, bestuurder van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders te Limburg; C. van Lienden, propagandist in Noord-Brabant voor het NVV.
  • Voorzitter van de NKMB