Het geheugen van de vakbeweging

ANDB-bestuur in 1929. vlnr David Kuijt, Joseph Theeboom, Henri Polak, Bernard van Praag en Ies Voet. Van hen maken op 10 mei 1940 nog deel uit van het bestuur: Kuijt, Polak, van Praag en Voet.. Theeboom, Polak, Van Praag en Voet overleven de oorlog niet.

75 jaar Bevrijding

Omgekomen vakbondsmensen  in 1940-1945

Wie waren zij?

In 2020 is het 75 jaar geleden dat er een einde kwam aan de Duitse bezetting van Nederland (1940-45). Toen bleek gaandeweg welke slachtoffers de bezetting onder vakbondsmensen had veroorzaakt. Duizenden joodse leden waren in de concentratiekampen vermoord, maar er waren ook vakbondsmensen in het verzet omgebracht, als gegijzelde gefusilleerd of in gevangenschap aan mishandeling of uitputting gestorven. Wie waren zij? Een goed overzicht van de slachtoffers uit de verschillende vakverbonden (NVV, CNV, RKWV en NAS) ontbreekt. Er zijn wel enkele naoorlogse lijsten van mensen die de bevrijding niet meer hebben kunnen meemaken, maar vaak is niet duidelijk wat hun rol in de vakbeweging is geweest of waarom zij werden opgepakt. Over een aantal mensen van wie Floor van Gelder wel iets heeft gevonden, volgen hier enkele biografische notities.

Nederlands Verbond van Vakverenigingen

In het NVV Verslag over de jaren 1940-1945 werd na de oorlog de balans opgemaakt: eigen bestuurders, enige tientallen bestuurders van aangesloten bonden en ook medewerkers in dienst van het Verbond. Allereerst herdacht men oprichter Henri Polak (1868-1943), die ruim twee jaar in Amsterdam en bij een NSB-arts in Wassenaar gevangen had gezeten en een paar maanden na zijn vrijlating overleed. Behalve enkele oud-collega’s die een natuurlijke dood waren gestorven, waren velen omgekomen door geweld.

Simon de la Bella
Simon de la Bella (1889-1942)

De bekendste is Simon de la Bella (1889-1942). Deze kantoorbediende werd in 1917 chef de bureau bij het NVV. Hij was actief in de bond van handels- en kantoorbedienden en klom op tot bondsbestuurder. In 1924 werd hij penningmeester en secretaris van het NVV. Hij was goed thuis in tal van economische vraagstukken en schreef artikelen en brochures waarin hij argumenten van zijn tegenstanders met kennis van zaken weerlegde. In 1935 in de Eerste Kamer gekozen, bleek hij daar de enige SDAP-er die het Plan van de Arbeid naar behoren wist te verdedigen. In geval van oorlog zou hij naar Engeland gaan om daar het NVV-vermogen veilig te stellen maar dat mislukte in mei 1940. Nadat de NSB-er H.J. Woudenberg door de bezetter aan het hoofd van het NVV was gesteld, werden De la Bella en NVV-voorzitter Evert Kupers ontslagen. De la Bella werd kort daarop gearresteerd, zat enige weken met Henri Polak in de cel en werd naar Dachau gedeporteerd, waar hij 11 juli 1942 omkwam.

Drie NVV-juristen werden gefusilleerd. Advocaat en procureur Theodorus Johannes (Theo) Eskens (1906-1944) was adviseur van het Bureau voor Arbeidsrecht te Zaandam. Tijdens zijn rechtenstudie sloot hij zich aan bij de Sociaal-Democratische studieclub. In de oorlog woonde hij in Amsterdam aan het Frederiksplein waar hij joodse onderduikers in huis had. In de zomer van 1944 werd hij door de Sicherheitsdienst uit zijn kantoor gehaald en in Amsterdam bij de fusilladeplaats Rozenoord in het openbaar doodgeschoten. Herbert Otto Drilsma (1906-1943), advocaat en procureur in Haarlem en – tot dat voor joden verboden werd – gemeenteraadslid voor de SDAP, werd op 2 februari 1943 met negen anderen doodgeschoten bij het Kopje van Bloemendaal. Dit was een vergeldingsactie voor een aanslag op een Duitse onderofficier in Haarlem. De slachtoffers werden gecremeerd in Westerveld. In de duinen bij Bloemendaal staan twee gedenkstenen en een informatiebord met de namen van de tien gefusilleerden.

Heinrich Wilhelm Lucas (Hein) Vrind (1913-1942) werd geboren in Stettin (toen Duitsland, nu Polen), groeide op in Vlissingen en studeerde rechten in Leiden. Als geheelonthouder en pacifist sloot hij zich aan bij de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden en de Jongeren Vredes Actie, waar hij de ‘pacifistische volksverdediging’ propageerde. Als dienstweigeraar bracht hij zijn detentie door in Veenhuizen. In 1937 vestigde hij zich als advocaat in Almelo waar hij rechtskundig adviseur werd van het NVV in Overijssel. Begin 1942 stelde hij een manifest op tegen de deportatie van joodse Nederlanders dat als bijlage bij het illegale verzetsblad De Vonk werd verspreid. Tot zijn arrestatie op 13 juli 1942 maakte hij deel uit van de redactie van het blad en regelde hij de verspreiding in Almelo. Hij kwam als gijzelaar in Haaren en werd bij een vergeldingsactie, waarover straks meer, gefusilleerd. Na zijn dood publiceerde de schrijver en dichter Jef Last in De Vonk een ontroerend gedicht over Vrind.

Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond

Henri Polak
Henri Polak (1868-1943)

De bond die het hardst werd getroffen was de ANDB. Het Kort overzicht van de gebeurtenissen in de ANDB over 1940-45, opgesteld in januari 1946, vermeldt dat meer dan 2000 joodse leden met hun gezin waren gedeporteerd en na de oorlog niet waren teruggekeerd. Ook al werden sommige diamantbewerkers vanwege hun vakmanschap tijdelijk vrijgesteld van deportatie (of zelfs uit Westerbork teruggehaald) omdat ze onmisbaar waren voor de diamantindustrie, uitstel bleek nooit afstel. De diamantslijper Hermanus Bernardus Richard (Herman) van Tilburg (1896-1944), gearresteerd wegens hulp aan onderduikers en omgekomen in Kamp Vught, werd met name genoemd. Van de 24 leden die de Bondsraad van de ANDB in 1940 telde, hebben er twaalf het leven gelaten; één keerde terug uit Theresienstadt. Ook bestuurders die al tientallen jaren de leiding hadden van wat ooit de meest toonaangevende bond van het NVV was, werden omgebracht.

Herman Isidore Voet (1878-1943), afkomstig uit de Brilliantslijpersknechtenvereniging (in 1901 lid van de toen nieuw ingestelde Bondsraad en sinds 1924 bondsbestuurder) was in 1940, toen Henri Polak in onderduik ging, nog twee maanden voorzitter van de ANDB, totdat Woudenberg alle joodse vakbondsbestuurders ontsloeg. Ies Voet werd bij de razzia van 20 juni 1943 in Amsterdam opgepakt en na een korte stop in Westerbork naar vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd.

Bernard van Praag (1870-1943), ook een bondsraadslid van het eerste uur, was in 1907 bij de ANDB in dienst gekomen als commissaris leerlingstelsel. Hij zat sinds 1908 in het bondsbestuur en voelde in 1909 korte tijd voor de stroming van de marxisten in de SDAP maar keerde terug tot de sociaaldemocraten. Van Praag, lange tijd penningmeester van de ANDB, was in mei 1940 met pensioen gegaan en kwam eveneens om in Sobibor. Na de oorlog werd in de centrale hal van De Burcht, het bondsgebouw van de ANDB, een gedenkteken geplaatst voor de 2000 vermoorde leden.

Bond in de Kledingindustrie

Alida de Jong
Alida de Jong (1885-1943).

Deze bond had 1900 leden in Amsterdam, onder andere bij de regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg. Op 11 november 1942 werden daar 367 joodse werknemers opgepakt en via Westerbork naar de concentratiekampen getransporteerd. Hoeveel van hen bij de bond in de kledingindustrie waren georganiseerd is niet bekend. Slechts acht vrouwen hebben het overleefd. Onderhandelaar bij de Hollandia-fabrieken was Aaltje (Alida) de Jong (1885-1943). Van huis uit kostuumnaaister, onder meer bij De Bijenkorf, sloot zij zich in 1905 aan bij de naaistersvereniging ‘Allen Een’. De Jong viel op door haar bemiddeling in een stakingsconflict bij een bloezenatelier in 1912 en werd daarna de eerste vrouwelijke betaalde vakbondsbestuurder. Op het NVV-congres van 1916 riep zij het NVV op meer te doen voor vrouwen omdat vrouwenarbeid, met name in de kleding- en textielindustrie, sterk toenam en het NVV weinig vrouwelijke leden had. Zij werd secretaris van de Commissie voor Vrouwenarbeid die het NVV oprichtte en in 1929 verscheen het eerste NVV-onderzoek naar de organisatie van vrouwen. In 1930 ondersteunde De Jong de oprichting van de Bond voor Huispersoneel. In 1931 kwam zij in de Tweede Kamer voor de SDAP. Haar maidenspeech, bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken, ging over de naleving van de Arbeidswet. In 1932 streed zij voor gelijke rechten op sociale zekerheid voor vrouwen. In 1935 werd De Jong in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen en in 1939 werd zij fractievoorzitter. Opgepakt bij de razzia van 20 juni 1943 werd zij op 9 juli in Sobibor vermoord.

Centrale Bond van Transportarbeiders

Een andere bond met veel joodse leden in Amsterdam was de Centrale Bond van Transportarbeiders  (CBT), die ongeveer 450 joodse leden verloor. De vakgroepen Loopknechten in de Diamantindustrie, Fruitwerkers en Losse Arbeiders werkend in de Oud-Metaalhandel, bleken na de oorlog compleet verdwenen te zijn. CBT-hoofdbestuurder C. M. Swiebel kwam op 14 maart 1941 om in Den Haag door een bominslag. Swiebel was afkomstig uit de Unie van Chauffeurs waar zowel het beroepsgoederenvervoer als het personenvervoer in taxi en bus onder viel. Hij kwam in 1935 in het hoofdbestuur en leidde de vakgroep Transport te Land, verreweg de grootste groep leden in de CBT. Al voor 1918 was hij bezoldigd secretaris van de afdeling Den Haag.

Een ander slachtoffer was Karel van Zalen (1913-1944), assistent van CBT-secretaris Reint Laan en een bekwaam fotograaf en filmoperateur. Hij maakte onder meer een propagandafilm over de dagtochtjes en vakantieweken voor de kinderen van leden, georganiseerd door de Vrouwenbrigades van de CBT. Tijdens de oorlog werkte Van Zalen bij de sociale afdeling van het Rotterdamse havenbedrijf Thomson en werd actief in het verzet. Namens de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) verleende hij hulp aan joodse en niet-joodse onderduikers en daarmee saboteerde hij de tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland. Vanwege zijn illegale activiteiten werd hij in 1944 in Kamp Vught gefusilleerd. Na de oorlog werd in het hoofdkantoor van de CBT in Rotterdam, ter herdenking van de omgekomen kameraden, een reliëf geplaatst van beeldhouwer Cor van Kralingen.

Overige NVV-bonden

Willem van Velzen
Willem van Velzen (1886-1945)

De Nederlandse Vereniging voor Fabrieksarbeiders verloor 39 leden: ‘gevallen voor het vuurpeloton, in concentratiekampen en door bombardementen in Duitsland’. Willem Johannes (Wim) van Velzen (1886-1945), sinds 1925 districtsbestuurder in Amsterdam voor Noord-Holland en Utrecht, nam bij de ‘gelijkschakeling’ van het NVV in 1941 ontslag maar bleef contact houden met zijn afdelingen. Vanaf 1944 werkte hij mee aan Paraat, het illegale blad van NVV en SDAP in Amsterdam. Hij organiseerde de distributie van de gestencilde kranten. Bij toeval gearresteerd (omdat hij op het verkeerde adres was) werd hij gevangengezet in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans en op 12 maart 1945 gefusilleerd als represaille voor de moord op een Duitser. De verzetsgroep Paraat heeft bij het Flevo-Oord in Huizen, het vakantieoord van de bond, een monument voor hem opgericht vanwege zijn ‘strijd voor vrijheid en recht’.

Isaac Arbeid (1882-1944) richtte in 1901 de Amsterdamse slagersgezellenbond Vooruitgang op, die zich in 1912 aansloot bij het NVV. Arbeid was een idealistisch man. Jarenlang stond hij als voorzitter van de afdeling Amsterdam achter het hakblok, maar in 1917 werd hij bezoldigd secretaris-penningmeester van zijn bond. Hij dook onder in Eindhoven maar zijn schuilplaats werd begin 1944 ontdekt. Arbeid kwam om in Auschwitz.

Benjamin Slier
Benjamin Slier (1890-1943)

Benjamin Slier (1890-1943) had zich in 1916 aangesloten bij de Algemene Nederlandse Bond van Handels- en Kantoorbedienden. Hij werd actief bij de Vakgroep Handelsreizigers en in de afdeling Amsterdam. In 1932 werd hij districtsbestuurder met als werkterrein Noord-Holland. Hij deed de belangenbehartiging van de leden en hield lezingen over democratie en over de geschiedenis van de bond. In juli 1943 werd hij opgepakt en in Sobibor vermoord. Zes joodse medewerkers van de bond werden eveneens naar Auschwitz en Sobibor gedeporteerd: drie kantoorbedienden, twee incasseerders en jeugdleider Jacob Polak (1908-1943), die op het AJC-monument op de Paasheuvel in Vierhouten wordt herinnerd. Kantoorbediende Willem Heij (1923-1944) kwam om als dwangarbeider in Cottbus. De bronzen gedenkplaat die lange tijd in het kantoor in Amsterdam heeft gehangen, is nu ondergebracht bij het IISG.

Twente

Gerrit Visser
Gerrit Visser (1894-1942)

Alleen in Twente kwam het NVV collectief in verzet tegen de maatregelen van de bezetter om de vakbeweging in nationaalsocialistisch vaarwater te trekken. Gerrit Visser (1894-1942), uit Zuid-Beijerland, werkte na de lagere school als landarbeider en metaalbewerker. In 1917 sloot hij zich aan bij de metaalarbeidersbond (ANMB) en werd hij voorzitter van de afdeling Ridderkerk. Wegens propaganda ontslagen vertrok hij naar Rotterdam. Hier kwam hij in 1922 in dienst van de ANMB. Als bestuurder had hij de werven Wilton Feijenoord en Gusto in Schiedam als werkterrein. In 1937 werd hij districtsbestuurder in Hengelo en voorzitter van de Hengelose bestuurdersbond.

Toen het bevel kwam om joodse leden en functionarissen te ontslaan weigerde Visser dit uit te voeren. In februari 1941 kwam Woudenberg naar Twente om de bestuurdersbonden te reorganiseren wat erop neerkwam dat zij hun zelfstandigheid moesten opgeven, maar de Twentse bestuurders lieten zich niet intimideren. Bij die gelegenheid verklaarde Kees van Es, districtsbestuurder van Textielarbeidersbond De Eendracht in Enschede dat ‘er voor ons geen reden was tot juichen, toen Kupers en Simon de la Bella werden afgezet en wij een Woudenberg kregen’. Klaas Tabak (1892-1942), districtsbestuurder van De Eendracht in Almelo, was dezelfde mening toegedaan. Visser, van Es en Tabak werden in mei 1941 gearresteerd. Zij zaten achtereenvolgens gevangen in Scheveningen, Kamp Schoorl en later Sachsenhausen. Van Es werd na een jaar vrijgelaten, maar Tabak kwam in april 1942 in Sachsenhausen om het leven en Visser in juni 1942 in Kamp Niederhagen in Wewelsburg.

Gefusilleerd ter vergelding

Hein Vrind
Hein Vrind (1913-1942)

Het Hengelose electronicabedrijf Hazemeijer Signaalapparaten leverde aan de Duitse Wehrmacht en vervoerde de productie per spoor via Oldenzaal naar Duitsland. Verschillende medewerkers van Hazemeijer zaten in het verzet en plaatsten in oktober 1942 een bom op de rails, die overigens door een baanwachter tijdig werd ontdekt. Ter vergelding van deze sabotageactie werden op 16 oktober op de Leusderheide vijftien gijzelaars gefusilleerd. Drie van hen waren vakbondsmensen: Koos van den Kerkhoff, Jan Haantjes en de al genoemde NVV-jurist Hein Vrind. Zij zaten vast als ‘preventiegijzelaars’ in Sint-Michielsgestel en Haaren. De andere twaalf slachtoffers waren gevangenen uit Kamp Amersfoort. In de bossen van Austerlitz staat een gedenksteen voor de vijftien gefusilleerden.

Jacobus (Koos) van den Kerkhoff (1898-1942), afkomstig uit Rotterdam, was in 1938 aangesteld als districtsbestuurder van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond in Zwolle. Na de oorlog is hij herbegraven op de Kranenborg in Zwolle. Op zijn grafsteen staat: ‘Liever alles te dragen dan mijn overtuiging prijs te geven’. Jan Haantjes (1886-1942), een Fries, begon als letterzetter en werd voorzitter van de afdeling Enschede van de Typografenbond. In 1931 kwam hij in Enschede in de gemeenteraad voor de SDAP en in 1939 werd hij wethouder van Sociale Zaken. In de oorlog was hij betrokken bij het illegale Parool. Hij gold als een eerlijk en vriendelijk man, die in Enschede wordt herinnerd met de Wethouder Haantjesstraat.

Christelijk Nationaal Vakverbond

De bekendste CNV-verzetsman is de gereformeerde Groninger Tjeert Pannekoek (1886-1944) uit Hornhuizen. Begonnen als dagloner sloot hij zich aan bij de Nederlandse Christelijke Landarbeidersbond (NCLB) en klom op tot tweede secretaris in het hoofdbestuur. In Groningen kwam hij voor de ARP in de Provinciale Staten. Toen de NCLB in 1941 werd opgeheven kreeg hij een baan als controleur van het ziekenfonds en ging in het verzet onder de schuilnaam Nap. Hij had contact met de groep Garrelsweer die hulp aan onderduikers bood. In 1943 bevorderde hij dat verschillende illegale organisaties in de provincie gingen samenwerken. In Groningen-stad was Pannekoek actief bij de verspreiding van het illegale blad Trouw en maakte deel uit van de ondergrondse Politieke Organisatie van de ARP. Op 28 november 1943 werd hij gearresteerd en via Vught en Dachau naar Mauthausen gevoerd, waar hij in januari 1945 bezweek. In mei 1946 werd hij postuum onderscheiden met het Verzetsherdenkingskruis.

Cornelis Catharinus (Cor) Oosterling (1893-1944) was in Den Haag bestuurder van de Christelijke Fabrieks- en Transportarbeidersbond. Na de opheffing van het CNV in 1941 kreeg hij een baan bij de voedselvoorziening en raakte betrokken bij het verzet. Hij regelde onderduikadressen, zorgde voor geld en bonkaarten en bracht onderduikers naar Friesland. Hij kwam terecht in Kamp Vught en werd vlak voor de opmars van de geallieerden, begin september 1944, gefusilleerd.

Rooms-Katholiek Werklieden-Verbond

Gedenkplaat van omgekomen leden KAB afdeling Utrecht
Gedenkplaat van de Katholieke Arbeiders Beweging afdeling Utrecht op de begraafplaats St. Barbara aan de Prinsesselaan in Utrecht

In 1945 werden in het decembernummer van Herstel, het weekblad van het RKWV, enkele bestuurders herdacht. Johannes Gerardus Bernardus Drübers (1888-1942), een fabrieksarbeider uit Winterswijk, was in 1932 hoofdbestuurder en in 1940 voorzitter van de RK Fabrieksarbeidersbond St. Willibrordus. Deze ‘ijverigen en onversaagden strijder’ liet bij de gelijkschakeling van de vakbeweging in juli 1941 op zijn kantoor in Utrecht de bisschoppelijke brief vermenigvuldigen waarin de leden van katholieke vakbonden en diocesane bonden werden opgeroepen hun lidmaatschap op te zeggen. Drübers werd gearresteerd, zat enkele maanden in de gevangenis in Scheveningen en stierf in Sachsenhausen.

Jan van Kan
Jan van Kan (1900-1945)

Johannes Petrus (Jan) van Kan (1900-1945) werkte als bankwerker bij een fabriek van stalen ramen in Amsterdam. Eind 1940 werd hij bestuurder bij de R.K. Metaalbewerkersbond St Eloy in Utrecht. Na de gelijkschakeling ontving hij financiële hulp van het fonds Bijzondere Noden van de rooms-katholieke kerk. In 1942 kreeg Van Kan een baan als ambtenaar bij de distributiedienst in Amsterdam en sloot zich aan bij de illegale Groep 2000. Door zijn werk was hij in staat bonkaarten en vervalste documenten te organiseren voor de 1800 onderduikers die werden ondersteund door de verzetsgroep van Dirk Bons, een gereformeerde wis- en natuurkundeleraar. Vanaf 1944 werkte Van Kan ook voor diens knokploeg Reintje de Vos. In maart 1945 was er een inval bij Bons toen de knokploeg daar vergaderde. Zij werden afgevoerd naar het Amsterdamse Huis van Bewaring aan de Weteringsschans en op 11 april, als represaille voor sabotage aan een brug over het Noordhollands Kanaal, in de duinen bij Zijpe gefusilleerd.

Op de gedenkplaat van de Katholieke Arbeiders Beweging op de begraafplaats St. Barbara in Utrecht staan 21 namen van mensen die 1940-45 niet hebben overleefd. Van typograaf Hendrikus Wilhelmus Bouwman (1902-1943) is bekend dat hij bij drukkerij Borghouts in Rotterdam heeft gewerkt waar het personeel in 1943 aan de april-mei-stakingen heeft meegedaan. Daarvoor is hij gefusilleerd. De andere KAB-leden zijn voor zover bekend gesneuveld als militair, gevallen in het verzet of omgekomen als dwangarbeider in Duitsland.

Nationaal Arbeids-Secretariaat

Hendricus Josephus Franciscus Marie (Henk) Sneevliet (1883-1942) werkte vanaf 1900 als commies bij de spoorwegen. Hij sloot zich aan bij de NV, de NVV-bond voor spoor- en tramwegpersoneel, en werd na de spoorwegstaking van 1903 actief in Zwolle. Sneevliet bleek een goed organisator en propagandist, die in 1911 voorzitter van de NV werd. In 1913 vertrok hij naar Nederlands-Indië waar hij actief werd in de gemengde bond van spoor- en tramwegpersoneel. Hiervan waren zowel Indo-Europeanen als Indonesiërs lid. Terug in Nederland sloot Sneevliet zich aan bij kleine socialistische partijen links van de SDAP. Van 1924 tot de opheffing in 1940 was hij voorzitter van het NAS. Na twee jaar onderduik werd hij als uiterst linkse politicus opgepakt en samen met Ab Menist op 13 april in Kamp Amersfoort gefusilleerd.

Ab Menist
Ab Menist (1896-1942)

Abraham Menist (1896-1942) was dienstweigeraar en metselaar. In 1924 ging hij als bestuurder van de bij het NAS aangesloten Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders (LFvB) naar Rotterdam. Hij werd ook actief in de werklozenbeweging en richtte in 1936 de Algemene Werkloozenbond op. Mozes Roodveldt (1889-1942), sloper van beroep, was vanaf 1910 ook actief in de LFvB. Hij leerde de beginselen van de klassenstrijd van Herman Gorter. In 1919 werd hij bezoldigd bestuurder en in 1923 tevens redacteur van Het Bouwvak, het weekblad van zijn vakbond. In 1929 werd hij secretaris van de LFvB. Hij stierf in juni 1942 in Neuengamme. Opperman Jan Hendrik Bernardus Stricker (1884-1942) werd in Amsterdam bestuurder bij de LFvB en lid van het NAS-bestuur. Hij brak met het NAS vanwege politieke meningsverschillen en kwam in juni 1942 om in Buchenwald.

Al deze mensen staan symbool voor de duizenden vakbondsleden en -bestuurders die tijdens de Duitse bezetting zijn omgekomen. Opdat wij niet vergeten.

Floor van Gelder

April 2020

Met dank aan Bob Reinalda

Van Isaac Arbeid, Simon de la Bella, Alida de Jong, Ab Menist, Henri Polak en Henk Sneevliet, zijn biografische schetsen opgenomen in het Biografisch Woordenboek voor Ssocialisme en Arbeidersbeweging.