Het geheugen van de vakbeweging

Nederlandsch Onderwijzer Genootschap

Veelal worden de typografen gezien als de eersten die zich organiseerden. Minder vaak wordt vermeld dat onder onderwijzers verenigingen van oudere datum hebben bestaan, al sierden deze zich met de naam: gezelschap. Net als de typografenverenigingen zijn het geen vakorganisaties. De organisaties van typografen zijn veelal gezelligheidsverenigingen; de onderwijzersgezelschappen richtten zich op het verbeteren van het vak van onderwijzer. Het oudste onderwijzersgezelschap is in 1799 te Amsterdam opgericht. In de eerste jaren van de 19de eeuw ontstaan tientallen van deze gezelschappen. Met de oprichting van het Genootschap van Leeraren aan Nederlandsche Gymnasia (1830) en het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap (1842) hebben we de vroegste voorlopers van de huidige Aob te pakken.

Volksonderwijs

Nederland heeft een grote naam op het gebied van onderwijs dankzij humanisten als Geert Grote en Desiderius Erasmus. Opvallend is de relatief hoge graad van alfabetisering in de Gouden Eeuw. Goed onderwijs en economische vooruitgang hangen kennelijk nauw met elkaar samen. Gedurende de 18de eeuw verliest de Republiek niet alleen zijn economische voorsprong, maar ook het onderwijs verpaupert en vooral met het volksonderwijs is het droevig gesteld. De dorpsscholen staan zomers meestal leeg. De kinderen zijn dan aan het werk op het land. De slecht opgeleide en dito betaalde schoolmeester heeft vaak meerdere bijbanen om in zijn bestaan te voorzien. Er bestaat in de 18de en 19de eeuw meer analfabetisme dan in de daaraan voorafgaande Gouden Eeuw. In de tweede helft van de 18de eeuw ontwikkeld zich een grotere belangstelling voor het onderwijs en komt er kritiek op de bestaande situatie. Prijsvragen worden uitgeschreven met de vraag: hoe het onderwijs te verbeteren? Uit de binnengekomen antwoorden blijkt een verre van malse kritiek op het onderwijs. Een bekroonde inzending is die van K. v.d. Palm een kostschoolhouder te Delfshaven. Hij richt zijn kort en zakelijk gehouden reactie onmiddellijk op de schoolmeester. De school is in minachting geraakt door de onkunde der onderwijzers, deels door de grote toeloop van onbevoegden, deels doordat de meesten zich niet van jongs af op het beroep hebben toegelegd. Palm acht het nodig dat de jeugd eerst op 6 ŕ 7 jarige leeftijd naar school gaat en wil het aantal leerlingen per onderwijzer beperken tot 50 ŕ 60. De materiële positie van de schoolmeester moet worden verbeterd.

’t Nut

In 1784 wordt door de doopsgezinde predikant uit Monnikendam J. Nieuwenhuizen de Maatschappij tot Nut van het Algemeen opgericht. Het bijzondere van ’t Nut is dat zij niet alleen verhalen afsteekt, maar ook praktische maatregelen neemt en ondersteund. Gedurende de gehele 19de eeuw geeft zij verhandelingen uit omtrent de zedelijke en lichamelijke opvoeding van de jeugd en worden er goede leerboeken geschreven. ’t Nut draagt zo in belangrijke mate bij in de ontwikkeling van het onderwijs. De grootste verdienste van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen is het oprichten van modelscholen. ’t Nut begrijpt de kracht die uit gaat van levende voorbeelden. De Nutsscholen groeien uit tot een begrip. Naast dit alles ijvert ’t Nut ook voor een goede opleiding van de onderwijzer en bevordert zij de oprichting van Kweekscholen, de huidige Pedagogische Academies.

Onderwijzersgezelschappen

Voor de schoolmeesters zijn de omstandigheden aan het begin van de 19de eeuw gunstiger dan voor de werklieden. Zijn de laatste nog niet toe aan belangenverenigingen, de onderwijzers worden er als het ware door de autoriteiten toe aangezet. De stimulans betreft ontwikkelingsverenigingen die uitsluitend, althans bij aanvang, verbetering van de vakbekwaamheid nastreven. De eerste van deze verenigingen, gezelschappen genaamd, komen tot stand in Amsterdam in respectievelijk 1799 en 1800. Later zullen ze tot één worden samengevoegd. De gezelschappen komen regelmatig, aan huis bij een onderwijzer, bijeen om elkaar tot ‘voorlichting’ te dienen en zo te kunnen voldoen aan de eisen van de ‘verbeterde leerwijze’. Voor bestrijding van de onkosten wordt een kas gevormd uit kleine maandelijkse bijdragen en uit boeten. Tevens worden er ‘rondzendbibliotheken’ opgezet. In het midden van de 19de eeuw bestaan er meer dan 200 onderwijzersgezelschappen verspreid over het gehele land. De schoolmeesters leren er om voor hun onderlinge belangen samen te werken en krijgen oog voor hun meer algemene belangen. De gezelschappen vormen door hun innerlijke groei het voorportaal van de latere onderwijsvakverenigingen.

NOG

In 1838 ziet in Rotterdam de Algemeene Onderwijzers Vereeniging het licht. Groningen is in 1832 daarin reeds voorgegaan. Het nieuwe van de verenigingen t.o.v. de gezelschappen is dat zij naast verbetering van het vak ook verbetering van de positie van de onderwijzer in de maatschappij wensen. De nieuwe onderwijzersvereniging zal nauwe contacten onderhouden met het Nederlandsch Onderwijs Genootschap (NOG), zonder zich er ooit bij aan te sluiten. Het initiatief tot oprichting van het Onderwijzers Genootschap gaat uit van onderwijzers in Den Haag. In 1840 wordt de Vereeniging van >s-Gravenhaagse Onderwijzers opgericht. Buddingh, een onderwijzer van een betere bijzondere school wordt de voorzitter. Het is deze Buddingh die ijvert voor een landelijk genootschap. Hij heeft succes want in 1842 wordt het NOG opgericht met zestien aangesloten verenigingen. In 1845 telt het genootschap reeds 75 aangesloten verenigingen met gezamenlijk 1092 leden.
Binnen de onderwijzersstand bestaan vanwege de verschillende schooltypen aanzienlijke verschillen. De oprichters van het genootschap behoren tot de meer bevoorrechten. Het zijn allen onderwijzers werkzaam aan bijzondere scholen der tweede klasse. Ze zijn in vergelijking met andere onderwijzers het meest welgesteld en het minst afhankelijk van de gemeentelijke overheid of andere instanties. Alleen onderwijzers van tenminste 22 jaar en volledig vakbekwaam kunnen lid worden van het genootschap.
Het NOG boekt succes bij de grondwetsherziening van 1848. Tegen de aanvankelijk voorgestelde inperking van de overheidsverantwoordelijkheid voor het lagere onderwijs wordt krachtig geprotesteerd. Adressen en petities zijn niet van de lucht, brochures worden gepubliceerd samen met ’t Nut en het terugtreden van de overheid wordt voorkomen.
De beloning van onderwijzers loopt sterk uiteen. In 1847 ontvangen in Amsterdam de slechtst betaalde hulponderwijzers f25,- per jaar terwijl schoolhoofden tot f900,- per jaar betaald krijgen. Op het platteland zijn de salarissen lager en zijn bijbaantjes om het inkomen aan te vullen noodzakelijk. De pleidooien van het NOG voor een betere positie van de onderwijzer heeft voor wat betreft het salaris en de pensioenen resultaat. Er worden bij wet minima vastgesteld. De hulponderwijzer krijgt een minimumsalaris van f200,- De onderwijzer van 65 jaar en veertig dienstjaren komt voortaan in aanmerking voor pensioen.

Hulponderwijzers

Het NOG is een beroepsvereniging van de welgesteldere onderwijzers. Het kan dan ook niet uitblijven dat de hulponderwijzers in 1874 een eigen organisatie oprichten. De behoefte aan een nieuwe organisatie wordt in de hand gewerkt door de onderwijswet van 1857. Vanwege deze wet groeit het aantal schoolmeesters flink.
In 1872 ontstaat in Amsterdam de Openbare Hulponderwijzers Vereeniging (OHV) die zich materiële verbetering van de positie van de hulponderwijzer tot doel stelt. Het is de OHV die de stoot geeft tot een landelijke vereniging van hulponderwijzers. Bij oprichting telt de Nederlandsche Openbare Hulponderwijzers Vereeniging (NOHV) vier afdelingen (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Dordrecht) met gezamenlijk 247 leden. In de onderwijswet van 1878 wordt de benaming van ‘hulponderwijzer’ vervangen door ‘onderwijzer’ en ‘hoofdonderwijzer’. De NOHV wijzigt nu haar naam in Nederlandsche Openbare Onderwijzers en Hoofdonderwijzers Vereeniging (NOOHOV). Een brede aanhang kent de vereniging niet. De afdelingen in Den Haag en Dordrecht worden respectievelijk in 1878 en1881 opgeheven. Korte tijd bestaan er nog enkele afdelingen in het noorden van het land, maar feitelijk bestaat de vereniging slechts uit de afdelingen Rotterdam en Amsterdam. Er kan dus nauwelijks van een landelijke organisatie worden gesproken. In 1888 komt er een kentering in de gang van zaken. Er ontstaat een druk vanuit de leden om meer aan belangenbehartiging te doen. De nadruk komt meer te liggen op een landelijke verbondenheid. Het blad van de Amsterdamse afdeling De Bode wordt gepromoveerd tot landelijk orgaan van de vereniging. De nieuwe aanpak werpt direct z’n vruchten af. Van twee afdelingen groeit de organisatie naar zeven afdelingen en het ledental verdubbeld. In de jaren daarna zet de groei door. De algemene vergadering van 1889 besluit de naam te wijzigen in Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BNO). Zijn tot dan toe de verenigingen van onderwijzers vooral >beroepsorganisaties=, van nu af aan is er nadrukkelijk sprake van vakorganisaties. Tot aan vandaag de dag heeft de huidige Aob, meer dan dat bij andere bonden het geval is, de mengeling van beroepsorganisatie en vakorganisatie behouden. De BNO rekent naast de belangenbehartiging ook de bevordering van het onderwijs tot zijn taak. Ze neemt bij de behandeling van de nieuwe onderwijswet verdergaande standpunten in dan het NOG, daar waar het gaat over de positie van het openbaar onderwijs en de klassengrootte.

Leerplichtwet van 1900

In de Tweede Kamer vindt op 30 maart 1900 een belangrijke stemming plaats. De liberale minister Goeman Borgesius heeft een voorstel tot wet ingediend waarmee leerplicht voor kinderen van zeven tot dertien jaar wordt ingevoerd. Er is veel verzet tegen het wetsvoorstel met name uit confessionele hoek. Het ouderlijk gezag wordt door de leerplicht ondermijnd en nuttige bijverdienste gaat verloren. Daarenboven speelt dat door gebrek aan christelijke en katholieke scholen veel kinderen noodgedwongen naar de openbare school moeten. Op de dag van de stemming zijn 99 van de 100 kamerleden aanwezig. Alleen baron Schimmelpenninck van de Oye, tegenstander van de invoering van leerplicht, ontbreekt. Hij is van zijn paard gevallen en ligt in bed. De uitslag van de stemming is 50 voor en 49 tegen. De wet haalt het met de kleinst mogelijke meerderheid. Zou de baron niet van zijn paard zijn gevallen dan was er sprake geweest van staken der stemmen en zou de wet niet zijn aanvaard. Binnen de kortste keren circuleert door het land het volgende volksrijmpje:
Baron Schiimelpenninck van de Oye en zijn biek
Doen beide aan politiek;
De baron zij: ‘Tegen, zonder manco’,
De schimmel zij: ‘Wij stemmen blanco’.
Zo werd Borgesius’ Leerplichtwet
Door paarde-politiek gered.
De Maasbode, een katholieke krant, is woedend: “Een wet enkel geboren uit de zucht om in den wedloop der volkeren toch vooral niet achter te staan in kennis en ontwikkeling. Een voor christenen hatelijke dwangwet.” Behalve de confessionelen stemmen de SDAP’ers, onder wie Troelstra, tegen de Leerplichtwet, omdat de wet de armen opzadelt met zware financiële lasten.
De leerplichtwet doorbreekt niet het verschijnsel van ‘standenscholen’. In de grote steden hebben de volkscholen niet eens een naam; een nummer is voldoende. Zo geeft de bekende onderwijzer en schrijver Theo Thijssen tussen 1900 en 1920 les op ‘School 104’ in Amsterdam.

Onderwijzeressen

In het openbaar onderwijs komen bevoegde onderwijzeressen pas sinds 1860 voor. Voor hun opleiding zijn ze aangewezen op lessen via het particulier georganiseerde normaalschoolsysteem, cursussen die initiatief van hoofden van scholen worden georganiseerd. Ook veel mannelijke kwekelingen komen zo aan hun opleiding, maar voor hen staat ook de kweekschool open. In 1896 komt het tot oprichting van een kweekschool voor meisjes. De BNO streeft naar meer kweekscholen en het afschaffen van de normaallessen. Eerst op langere termijn zal de BNO daarin zijn zin krijgen.
De onderwijzeressen verdienen aanvankelijk hetzelfde salaris als hun mannelijke collega’s. Als echter de overheid in 1878 de druk voelt voor salarisverbetering gaat zij ertoe over meer vrouwen in het onderwijs aan te stellen. De verwachting is dat van die kant, al blij dat ze werk hebben, weinig verzet zal komen. Het leidt tot de introductie van loonsverschillen, terwijl het ook nog de ontwikkeling van het salaris van de onderwijzers afremt. In de bond zijn de vrouwen wel gelijkberechtigd, maar toch niet echt gelijkwaardig. Onderwijzeressen krijgen uitsluitend de lagere klassen onder hun hoede, iets waartegen het BNO niet optreedt. In 1901 telt de bond bijna 6.000 leden waaronder 1.400 vrouwen. Ruim dertig jaar later zal het aandeel vrouwen uitgegroeid zijn tot bijna 50%. In de crisisjaren worden gehuwde onderwijzeressen ontslagen zonder enige vergoeding. De BNO is de enige die protesteert, de christelijken juichen en de katholieken kapittelen de minister vanwege de ‘talloze dispensaties’ die hij verleent.

Via NOV naar ABOP

Na afloop van de Duitse bezetting veroordeelt de Ereraad van het NVV zowel het bestuur van het NOG als die van de BNO voor hun veel te lange doorfunctioneren in de eerste oorlogsjaren. Het belet de besturen niet om in 1945 hun plaats weer in te nemen. De beide organisaties hebben echter hun krediet verspeeld. Voor een betere toekomst biedt de weg van fusie uitkomst. NOG + BNO = NOV of voluit Nederlandse Onderwijzers Vereniging. Er zijn twee concessies ten faveure aan het genootschap waarneembaar: ‘bond’ komt in de naam niet voor en het NOV sluit zich niet aan bij het NVV, waarvan het BNO sinds 1924 lid was. Ondanks de toetreding van de Mulo-vereniging in 1949 is pas in 1950 het ledental terug op het vooroorlogse niveau. De ‘gematigde sfeer’ in de jaren vijftig geeft de NOG’ers en de BNO’ers de kans naar elkaar toe te groeien. Drie thema’s beheersen het debat: als vanouds de zorg voor de openbare school, het ongedaan maken van de verslechteringen uit de crisisjaren (m.n. salaris en klassegrootte) en de Koude Oorlog. Eerst nadat in de jaren zestig economisch herstel intreedt boekt het NOV succes met haar materiële eisen. In 1966 fuseert de NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten in het Nijverheidsonderwijs, zoals de oude Bond van Vakschoolleraren inmiddels heet, tot Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). Formeel gaat het om een fusie, maar feitelijk wordt de werkwijze van het NOV voortgezet, maar er zijn twee uiterlijk opvallende veranderingen: het begrip ‘bond’ is weer terug in de naam en de ABOP treedt in 1971 toe tot het NVV.
Na 1970 ontwikkeld zich in de ABOP een nieuwe radicale stroming, waardoor de bond zijn stoffige naoorlogse cultuur kwijtraakt. In 1979 vindt in Amsterdam, tegen de groeiende werkloosheid, de eerste staking in het onderwijs plaats. Later wordt dit gevolgd door landelijke stakingsacties, waaronder een meerdaagse tegen salariskorting. De teleurstelling vanwege het uitblijven van resultaten geeft een terugslag in het ledental: van 48.000 naar 42.000 leden. Het is moeilijk opboksen tegen bezuinigingen van een centrum-rechts kabinet. Eind jaren tachtig krabbelt de bond weer op en komt ze uit de verdediging onder meer door in het debat over verzelfstandiging van de scholen het initiatief te nemen. De relatie met de overheid verbetert, mede dankzij de terugkeer van de PvdA in de regering, en er kunnen weer overeenkomsten worden afgesloten inzake de arbeidsvoorwaarden en de inhoud van het onderwijs.

Geraadpleegde literatuur

Lea Dasberg, ‘De lotgevallen van het Hoedenproletariaat’ in: De Groene Amsterdammer (4 juli 1984)
E.J. van Det, Zestig jaren bondsleven. Gedenkboek van de Bond van Nederlandse Onderwijzers (Amsterdam 1939)
Ger Harmsen,’Lalleman, Gerrit Bernardus’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1998) Deel 7
Lex Heerma van Voss, ‘Zadelhoff, Johannes Hendrikus’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1995) Deel 6
Dick Hollander (eindred.) 150 jaar ABOP 6 februari 1842-6 februari 1992 (Amsterdam 1992)
Barbara de Jong, ‘Ligthart, Gerard Jan’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1998) Deel 7
Barbara de Jong, ‘Verleden en actualiteit van de pedagogiek van Ligthart’ in: Onvoltooid Verleden (november 1999) Nr. 7
W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deel I (Amsterdam 1924)
Jan Wolthuis, Onderwijsvakorganisatie. Overzicht van het optreden van de algemene vakorganisaties in en om het onderwijs (Amsterdam 1981)
‘In de klas bij Ot en Sien’ in: Jac. G. Constant (eindred.), Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)