Het geheugen van de vakbeweging

Nationalisatie mijnwerkerspensioenen had lijdensweg kunnen voorkomen

VHV Vriendenbijeenkomst van 8 mei 2015

Op 18 september 1975 trekken ruim 3800 mijnwerkers vanuit Limburg naar Den Haag onder de leus: ‘Wij eisen pensioen en geen armoede’. Volgens Erik Nijhof, docent-onderzoeker aan de Universiteit van Utrecht, vormt de demonstratie een hoogtepunt maar ook de afsluiting van de pensioenperikelen in de mijnstreek, begonnen in 1919 met de oprichting van het Algemeen Mijnwerkers Fonds (AMF). Voor een gehoor van ruim 70 vrienden van de VHV vraagt Nijhof zich af of de lijdensweg van dit pensioenfonds na de jaren zestig niet voorkomen had kunnen worden als men na de Tweede Wereldoorlog had doorgepakt door de pensioenen te nationaliseren. Toen leek de tijd er maatschappelijk rijp voor.

Herdenkingsartikel naar aanleiding van het overlijden van de leider van de pensioenactie, Hub Cobben, in 1976Herdenkingsartikel naar aanleiding van het overlijden van de leider van de pensioenactie, Hub Cobben, in 1976

Het AMF was een van de eerste pensioenfondsen op bedrijfstakniveau. Het voorzag de aangeslotenen van een sobere uitkering en een pensioen op 60-jarige leeftijd. Via de armenzorg, de familie, volkstuintjes en andere bijverdiensten moest dit inkomen worden aangevuld.
De oprichters kozen voor een pensioenfonds op basis van een verzekering – en niet voor het omslagstelsel – waar de overheid zo min mogelijk greep op had. Die keuze werd zeker ook ingegeven door het heersende subsidiariteitsbeginsel in katholieke kring. Maar de premies van het AMF waren vanaf het begin aan de lage kant en keer op keer onder meer in 1933 en 1938 moesten tekorten worden gerepareerd.
In 1936 sprong de overheid voor de eerste keer bij met structurele steun. Waarom was die steun nodig? Bij het AMF ging men uit van een relatief jonge arbeidspopulatie die heel veel jaren achtereen betaalde. Bovendien kende de sector een hoge beroepsinvaliditeit waardoor veel werknemers niet eens aan een pensioen toekwamen en overleden. Achteraf blijkt dat het AMF te optimistisch was in haar inschattingen. Het fonds keerde weliswaar uit maar zelfs voor een mijnwerker met een volledige betrekking was die uitkering vaak niet veel meer dan een invaliditeitsuitkering.

Na de bevrijding

Nederland was na de bevrijding voor de wederopbouw sterk afhankelijk van de productie van kolen. Iedereen keek naar Limburg en er heerste in 1944 een radicale stemming onder de werkende bevolking.Toen vlamde ook de discussie over de grondslag van de pensioenen weer op. Daarbij werd niet langer gekeken naar wat arbeiders en werkgevers konden bijdragen aan die pensioenen, maar werd de levensbehoefte het uitgangspunt. Dat leidde in 1948 tot een pensioen van 70% van het bruto-inkomen op 55-jarige leeftijd. De overheid sprong toen opnieuw bij met 6 miljoen per jaar gedurende een periode van 60 jaar.

Nijhoff (foto): ‘Maar als je het bekijkt vanuit de naoorlogse constellatie is er sprake geweest van een gemiste kans. Want het AMF had het voor de oorlog niet gered en men had kunnen weten dat er een structureel probleem zou ontstaan. Jonge mensen worden oud, veel arbeiders hadden een gebroken carričre door werk in het buitenland waardoor zij minder pensioen kregen.
Men heeft overwogen de mijn te nationaliseren maar dat werd in 1946 afgewezen. Met de kennis die men had over de pensioenen had men wčl kunnen besluiten de pensioenen te nationaliseren. Dan was er een omslagstelsel ontstaan onder regie van de staat en hadden de mijnwerkers  gewoon de premie betaald. Die was dan in de pot gegaan en die had de staat dan kunnen aanvullen zonder dat er steeds een discussie over nodig was. De mijnen hadden toen nog zo’n bijzondere positie in de samenleving, dat dit ook mogelijk geweest zou zijn.’

Tekorten

Met de komst van de AOW treden er nieuwe complicaties op. Ook de mijnwerkers moesten bijdragen aan deze volksverzekering. Dat betekende dat het AMF deels ontlast werd omdat het AOW-deel door de overheid werd betaald. Dat leek een voordeel, maar er zaten haken en ogen aan. Het werd ingebouwd in het pensioen, maar de mijnwerker die er met 55 jaar mee stopte, kreeg te maken met een gat van 10 jaar. Bovendien was de AOW welvaartvast en het AFM-pensioen na je 65ste niet.
Na de jaren zestig speelde dat met een hogere inflatie een steeds grotere rol. De mijnwerkers droegen behalve aan het AFM nu ook bij aan de AOW. Daarvoor werden ze gecompenseerd in het loon met 2%. Dat leidde weer tot compensatie van de werkgevers, waardoor er weer een aparte regeling was bijgekomen. In 1959 wordt ook de weduwen– en wezenwet ingebouwd in het pensioen waardoor het AFM steeds meer in de problemen raakte.

Problemen stapelen zich op

In 1960 treden er ook voorspelbare problemen op want het mijnwerkersbestand veroudert en mijnwerkers leven langer. En er gebeurde ongelukken in de Nederlandse mijnen maar relatief waren die binnen Europa redelijk veilig. Ook daalde het ledenaantal van het AFM door verloop. In 1960 moest de premie voor de eerste keer omhoog. De regering verhoogde de steun van 6 tot 21 miljoen per jaar maar niet aangepast aan de inflatie. De aankondiging in 1975 van de mijnsluiting was een enorme schok. In 1964 dachten ze nog we kunnen nog vooruit. Maar de Nederlandse kolen werden te duur en men kon niet langer concurreren met olie en aardgas. De verhoudingen veranderen. De mijnen gaan dicht en er zijn ook geen mijnwerkgevers meer om de premie te betalen.  De voorheen zeer sterke katholieke vakorganisatie was altijd sterk geweest maar die gaat in 1970 op in de Industriebond NKV en krijgt met heel andere problemen te maken. Het werd goed op de winkel passen van een uitstervende sector.

Acties

Steenkool had niet langer een strategische positie in Nederland. Mijnwerkers waren gewend in moeilijke tijden een beroep te kunnen doen op steun van de regering maar in de jaren zeventig maakten veel meer sectoren een crisis en allemaal vroegen ze om overheidssteun. Na veel acties waarbij de ABWM en Hub Cobben een hoofdrol speelden, sprong de overheid nog een keer bij. Het probleem was inmiddels overzienbaar geworden want in 1993 zou de laatste mijnwerker met pensioen gaan.
Voor de periode 1973-1993 besloot de regering garant te staan voor een welvaartsvast pensioen. Ruim 50% van de 366 miljoen gulden was daarvoor beschikbaar inclusief een bepaald inflatiepercentage. Daar ging de Mijnindustrieraad (MIR) raad mee akkoord, maar de hoge inflatie en aanpassingen noodzaakten steeds weer tot ad hoc aanpassingen. Arbeiders die onvoldoende dienstjaren hadden gemaakt,  kregen volgens de pensioenregels geen volwaardig inkomen en zo vielen er steeds mensen tussen wal en schip, bijvoorbeeld de weduwen. Steeds moest de overheid met een nieuwe toezegging komen om gaten op te vullen.
De acties van 1975  waren een succesvolle afsluiting van dit probleem en betekenden het einde van een periode. Maar het is nooit helemaal goed gekomen en dat zou niet nodig zijn geweest als men in 1946 had doorgepakt. 


Vlnr – Wiel Friedrichs, Jef Blom, Pie van Weersch

Jef Blom (KWJ), zoon mijnwerker, lid steuncomité

‘Ik zit hier als een eerbetoon aan Hub Cobben, die de acties in Heerlen en Den Haag inspireerde en ik zag hoe hij mensen enthousiast maakte. Die man sprak een taal die de mijnwerkers verstonden. Anderen spraken over strijd, betoging en protestmars maar Hub had het over een optocht en over vrienden ‘We zijn vrienden en als vrienden gaan we de pensioenen verbeteren,’dat was Hub en hij in 1976 stierf viel de hele beweging uit elkaar. Mijn vader had nog nooit gedemonstreerd maar hij liep mee in Heerlen en later ging hij zelfs naar Den Haag. Voor mij als zoon was dat enorm; dat hij het durfde.’

Wiel Friedrichs (NKV/FNV), sinds 1976 werkzaam in Limburg

‘Voor de vakbeweging achteraf was het een gemiste kans om steun te geven aan deze actie. Het ging namelijk niet alleen over pensioenen maar ook over werkgelegenheid in heel Limburg. De pensioenactie – ere wie ere toekomst – was eigenlijk de eerste en de vakbeweging heeft daar later op ingespeeld. O.a. door gesprekken met het kabinet Den Uyl – achteraf hadden we toen nog meer moeten eisen – maar ook met demonstraties zoals die in Maastricht met 5000 man. Iedereen deed mee, alle bonden ook.‘

 

Pie van Weersch,
Stichting De Pijler

‘De naweeën van de mijnsluiting zijn nog steeds voelbaar. Het mijnwerkerspensioen was weliswaar de aanleiding maar het ging ook om werk in de provincie en de toekomst van onze kinderen. Er was destijds sprake van grote saamhorigheid. We verkochten stickers om de acties te financieren en persoonlijk heb ik het nooit meegemaakt dat mensen weigerde stickers te kopen. Men is ook mondiger geworden.’

 

 

 

 

 

 

Kees van Kortenhof
Mei 2015

Noot
  • Erik Nijhof leverde ook een bijdrage aan het boek Limburg kolenland over de geschiedenis van de mijnen en gaat daar uitgebreid in op de pensioenproblematiek van de mijnwerkers. ISBN 978 94 625 8074.
  • Het Sociaal Historisch Centrum Limburg (SHCL) heeft de tijdschriften van mijnwerkersvakbonden integraal digitaal beschikbaar gemaakt. Het zijn er zo’n dertig, van zeer uiteenlopende politieke en religieuze signatuur. Al deze tijdschriften zijn gerestaureerd en gedigitaliseerd, en van omslag tot omslag te lezen.