Het geheugen van de vakbeweging

Naar georganiseerd overleg in de landbouw, 1930-1945

Na de oorlog ontstaat een verschijnsel dat in 1930 nog volstrekt ondenkbaar is: een georganiseerde landbouw, verenigd in de Stichting voor de Land­bouw, van boeren én landarbeiders. De landbouwbelangen van alle bedrijfsgenoten worden door deze grote organisatie in politiek Den Haag op krachtige wijze verdedigd. Ook in vergelijking met andere be­drijfstakken is deze samenwerking in de landbouw een uniek verschijnsel. Zulk een harmonisch optre­den van werkgevers en werknemers treft men in geen andere bedrijfstak aan.

Staking in Nieuwvliet in 1930Staking in Nieuwvliet in 1930

In dit artikel wordt de ontwikkeling naar gewijzigde verhoudingen in de landbouw, naar collectieve ar­beidsovereenkomsten en geregeld overleg, beschreven. Het tijdvak 1930-1945 staat daarbij centraal. In crisis- en oorlogstijd vinden belangrijke verande­ringen in de landbouw plaats.
De economische malaise in de landbouw brengt de overheid voor het eerst ertoe op verregaande wijze in een bedrijfstak in te grijpen. Zij neemt bescher­mende maatregelen waardoor veel (kleine) boeren van de ondergang worden gered. Ook volgen maatregelen om de arbeidsvrede te bewaren en boeren te verplichten zich te onderwerpen aan collectieve arbeidsovereenkomsten. De landarbeidersbonden winnen aan kracht en zijn einde jaren ’30 gelijkwaardige ‘part­ners’ van de werkgeversorganisaties geworden. Het toenemend overleg tussen deze organisaties leidt in de oorlog zelfs tot een toenaderingsstreven waarvan de na-oorlogse Stichting voor de Landbouw de bekro­ning is .
Dit artikel kent een chronologische opbouw. Eerst wordt kort ingegaan op de arbeidsverhoudingen in de landbouw vóór 1930 (hfdst. 1). Daarna komen de prijsval van landbouwprodukten, de loondalingen van landarbeiders en de rol van de politiek ter sprake (hfdst. 2). Kern van het artikel is de beschrijving van het overheidsingrijpen in de arbeidsverhoudin­gen in de landbouw medio jaren ’30. Door de drei­ging van intrekking van crisissteun worden boeren gedwongen collectieve arbeidsovereenkomsten met hun landarbeiders af te sluiten. Ook neemt dan de be­reidheid van werkgeversorganisaties toe om algemeen overleg over allerlei sociale zaken met de landar­beidersbonden te gaan voeren (hfdst. 3). Tenslotte wordt ingegaan op de gebeurtenissen in de oorlog; de opheffing van alle organisaties en de voorberei­dingen van een Stichting voor de Landbouw (hfdst. 4)

Uitgebreid wordt in het artikel aangegeven hoe de crisistijd ertoe leidt dat de overheid de landbouw gaat beschermen. De overheid doet dit om een catastrofale inzakking van de markt van de landbouwproducten te voorkomen. De bestaanszekerheid van veel boeren wordt hiermee gered.
De opvatting, dat de crisissteun niet alleen de boeren toekomt, maar ook een doorwerking moet heb­ben op de landarbeidersionen, komt onder politieke druk tot stand. Vanuit het parlement en de landarbeidersorganisaties wordt de overheid aangespoord voorwaarden te scheppen voor overleg over de arbeids­voorwaarden in de landbouw. Onder de dreiging van massale stakingsacties en mede door een aantrekken­de economische situatie creëert de overheid in juni 1934 het wettelijk instrumentarium van verplichte arbitrages. De landarbeidersbonden kunnen door de dreiging van verplichte arbitrages de boerenorganisaties aan de onderhandelingstafel krijgen en in veel gevallen c.a.o.’s afsluiten. Verplichte arbi­trages brengen hardnekkig weigerende boeren in het c.a.o.-gareel.
Het aantal contracten in de landbouw en de daarbij betrokken werkgevers en werknemers ontwikkelt zich in de tweede helft van de jaren ’30 sterk. Een in­haaleffect ten opzichte van de industrie en de an­dere bedrijfstakken vindt plaats. Het arbeidsloon in de landbouw daalt niet verder en gaat zelfs in veel landbouwgebieden vlak voor de oorlog omhoog. Een belangrijk gevolg van het overheidsingrijpen in de landbouw is dat de toppen van de organisaties einde jaren ’30 en in de oorlog naar elkaar toe­groeien. Gezamenlijk kan de landbouwsector sterker naar Den Haag toe opereren. De bedrijfsgenoten wil­len zelf de economisch-technische en sociale ver­houdingen in de landbouw gaan regelen. Een tendens naar verordenend optreden in de gehele productie­sfeer valt te constateren.                                                                                                        
De oorlogstijd bevordert de toenadering. Bij de on­dergrondse besprekingen komt een Stichting voor de Landbouw ter sprake. Een instantie met publiekrech­telijke bevoegdheden wordt voorbereid. Men loopt daarbij hard van stapel, maar pas op den duur wor­den wettelijke publiekrechtelijke bevoegdheden ver­kregen. Het is niet vreemd dat het eerste bedrijfschap in Nederland het Landbouwschap van 1954 is.
Ondertussen zijn in de oorlog belangrijke verande­ringen op gang gekomen. Een trek uit de landbouw van veel arbeidskrachten vindt plaats. Mechanise­ring en rationalisering en een snelle, efficiënte zorg voor de voedselvoorziening zijn de nieuwe pro­blemen geworden. Als supra-instelling houdt de Stichting voor de Landbouw – en later in de jaren ’50 het Landbouwschap – zich daar mee bezig.
Een georganiseerde landbouw is tot stand gekomen, die zich na de oorlog vooral gaat toeleggen op de versterking van de productietechnische kant. Dat is echter een ander verhaal.

Naar het volledige artikel
Christiaan Ruppert, Naar georganiseerd overleg in de landbouw, 1930-1945, is opgenomen in het nummer Landbouw in de industriële samenleving van het tijdschrift Grafiet. Utrecht, Lente 1982