Het geheugen van de vakbeweging

Miet van Puijenbroek: ‘Als de baas tegen mij moeilijk deed stak ik mijn handen in de lucht. “Als ik moet gaan neem ik wel mijn handen mee”’

Sociaal bewogen ‘Tilburger van de eeuw’

Miet van Puijenbroek, een vrouw uit één stuk

Maria Francisca van Puijenbroek (1914-1999), afkomstig uit een textielgezin met negen kinderen, doorloopt een carrière die van textielarbeidster via actief vakbondslid en gemeenteraadslid tot wethouder in Tilburg voert. Van jongs af aan is ze actief voor een beter bestaan. Dikwijls ‘tegen het rigueur in’, zoals ze dat in Tilburg zeggen, maar altijd binnen de in de 20e eeuw lange tijd dominante katholieke beweging. Opkomend vooral voor de belangen van de (arbeiders)vrouwen, maar eigenlijk voor alle mensen.

Miet van Puijenbroek, zoals ze door het leven ging, werd op Korvel (de Berkdijk) geboren als tweede kind in het gezin van wever Frans van Puijenbroek en stopster Susca de Beer. Ook de grootouders van beide kanten werkten in de textiel. Ze volgt na de lagere school op Korvel bij de Zusters van Liefde kort de cursus noppen en stoppen1 op de lagere textielschool. Dat is al bijzonder voor een meisje uit een arbeidersgezin dat meestal rechtstreeks van de lagere school in de fabriek, in het huishouden of in een dienstbetrekking gaat werken. In 1928, op 14-jarige leeftijd kan ze – voorzien van het diploma noppen en stoppen – op de fabriek aan de slag. Verdere scholing vindt via (avond)cursussen plaats, zowel de textielopleidingen als de vakbondsscholing. Scholing vindt ze, zoals zo veel vakbondsmensen uit de eerste helft van de 20e eeuw, van groot belang. Alleen door scholing kan je hogerop komen. Het verhaal gaat dat Miet van Puijenbroek van haar eerste zelf verdiende geld een woordenboek koopt ‘om alle moeilijke woorden te kunnen begrijpen’.

‘Ik neem mijn handen mee’

Haar eerste werkgever is de fabriek Van Dooren & Dams aan het Korvelplein waar ze na een jaar ontslag neemt vanwege een verschil van mening over het loon. Ze kan dan niet bij een ander textielbedrijf als stopster gaan werken vanwege de onderlinge afspraak tussen de textielfabrikanten om geen ontslagen personeel van elkaar aan te nemen (het zogeheten zwart contract). Ze komt na wat omzwervingen uiteindelijk toch weer bij dezelfde Van Dooren & Dams terecht. Ze is een goede stopster. Daar is altijd werk voor. Zelfs voor Miet van Puijenbroek die als ‘lastig’ bekend staat. Dat lastige heeft dan te maken met het feit dat ze al vroeg opkomt voor de rechten van de arbeidsters: lonen, werktijden en arbeidsomstandigheden. Als er naar haar mening iets niet in de haak is houdt ze haar mond niet. Ze dankt er haar bijnaam ‘Rooie Miet’ aan. In een van haar vele interviews vertelt ze: ‘De baas had ons nodig. Als hij tegen mij moeilijk deed stak ik mijn handen in de lucht. “Als ik moet gaan neem ik wel mijn handen mee”, zei ik dan.’

Geen promotiekansen

Ze werkt bij verschillende werkgevers, ook in Twente (waar ze hoofdstopster kan worden) en in Eindhoven en omgeving. In Tilburg ook nog bij de textielfabrieken Beka, Dröge en Brands. Uiteindelijk komt ze bij de wollenstoffenfabriek van L.E. (Lowieke) van den Bergh in de St. Josephstraat. Daar wordt ze leidinggevend (cheffin van de nopsters en stopsters). Ze ziet dat haar mannelijke leidinggevende collega’s beter betaald worden. Dat is geen gevolg van meer scholing want die is volgens haar baas niet nodig. Als ze in 1955 uit de textiel stapt zegt ze: ‘Als ik niet kan worden opgenomen in de staf en kan delen in de winst, dan heb ik het hier wel gezien’.

Dat er in de fabriek groot onderscheid is tussen de beloning van arbeiders is Miet van Puijenbroek al eerder opgevallen. Tussen mannen en vrouwen is er verschil in beloning, maar ook tussen vrouwen onderling. Hoe viezer het werk, hoe lager de status. Stopsters staan veel hoger in aanzien dan nopsters en die weer dan spoelsters of spinsters. Om het nog maar niet te hebben over de dames van kantoor. ‘Die kregen ’s morgens koffie, terwijl dat er niet was voor het personeel van de fabriek dat al veel eerder was begonnen.’

Katholieke beweging

Op haar zeventiende wordt Miet van Puijenbroek lid van de Katholieke Jeugd Vereniging (KJV). Geen vakbond, maar een vereniging die zich richt op de geestelijke en morele verheffing van jonge vrouwen tot 25 jaar. Georganiseerd per stand en per parochie. Onderdeel ook van de grote katholieke beweging die in die jaren diocesaan (per bisdom) is georganiseerd. Voor vrouwen is het de voorbereiding op het huwelijk en gezinsleven. Die specifieke zaken zijn niet aan Miet besteed. Voor haar is het vooral een organisatie die haar de mogelijkheid biedt mee te doen aan cursussen. Ze wordt er jeugdleidster en komt via opleiding en vorming in aanraking met andere milieus.
In 1938 neemt ze als enige vrouw deel aan de driejarige opleiding van de Sociale School van het katholiek werkliedenverbond.

Overstap naar Unie BLHP

In 1935 wordt ze lid van de katholieke textielarbeidersbond St. Lambertus. Juist dat najaar speelt het grootste sociale conflict in de Tilburgse geschiedenis. Omdat de bestuurders van St. Lambertus akkoord gaan met een loonsverlaging lopen veel leden weg bij de grootste vakbond in Tilburg. De Industriebond NKV, waar St. Lambertus in op is gegaan, kent geen aparte groep leidinggevenden. Dat is voor Miet aanleiding om de overstap te maken naar de Unie BHP. Die maakt nog wel onderdeel uit van het grote NKV. In 1974 stapt de bond uit het NKV over naar de Unie BLHP. Miet van Puijenbroek gaat mee.

KAV

In 1955 wordt Miet van Puijenbroek naast Riek Stokwielder diocesaan leidster van de Katholieke Arbeiders Vrouwen (KAV) in het bisdom Den Bosch. Dat is een betaalde baan. De KAV zit in Tilburg aan het St. Annaplein, de thuishaven van de diocesane bond. De KAV organiseert de vrouwen van de katholieke arbeiders die lid zijn van de diverse vakbonden. Het is eerder een gezelligheidsvereniging dan een emancipatorische organisatie. Miet van Puijenbroek merkt daar eens over op dat emancipatie een zaak is tussen man en vrouw, maar dat de KAV wel degelijk meer deed dan alleen gezellig samen zijn. Naast reizen naar bedevaartplaatsen, kindervakantiewerk en film- en toneelavonden zijn er ook mogelijkheden voor ontwikkeling en vorming. In eerste opzet is dat alles vooral gericht op de bijdrage die de vrouw kan leveren aan het gezin als moeder en echtgenote. Maar de KAV is ook een onderling sociaal vangnet.Gaandeweg spelen ook cursussen en voorlichting een grotere rol.

Maatschappelijke ontplooiing van vrouwen wordt in de jaren zestig en zeventig geleidelijk aan belangrijker. In die ontwikkeling kan Miet van Puijenbroek zich uitstekend vinden. In 1955 wordt ze voorzitter van de KAV in Tilburg. Die functie geeft ze in 1961 op, omdat het werk als vormingsleidster voor de diocesane KAV te veel tijd eist. Ze voelt zich als een vis in het water in deze omgeving. Ze is de eerste vrouw uit de arbeidersstand in een dergelijke functie. Ze weet uit eigen ervaring welke noden er in de arbeidersgezinnen heersen. Niet alleen geestelijk, maar ook materieel.

In 1975 neemt ze afscheid van de NKV-vrouwenbeweging wat tot een groot interview in de landelijke katholieke krant De Tijd leidt. De vrouwenbeweging van het NKV in Brabant telt dan 25.000 leden, niet in het minst een verdienste van Miet. In 1954 op het hoogtepunt zijn er 3100 leden in Tilburg.

KVP

Een paar jaar daarvoor is Miet van Puijenbroek gemeenteraadslid voor de Katholieke Volkspartij (KVP) geworden. Het zijn de jaren van de groslijstverkiezingen waarbij de diverse standen hun vertegenwoordigers in de raad ‘voorselecteren’. Daar zijn traditioneel altijd vakbondsmensen bij, maar tot 1953 nog weinig vrouwen en al helemaal geen arbeidersvrouwen.

Miet van Puijenbroek blijft maar liefst 37 jaar lid van de raad voor achtereenvolgens KVP en CDA. Hoewel ze altijd haar eigen lijn volgt die wel eens schuurt met die van de partij, blijft ze KVP/CDA trouw. Ze is in de jaren zeventig en tachtig een stemmentrekster van formaat, soms wel goed voor drie zetels. In 1978 wordt ze wethouder. De eerste vrouwelijke wethouder in Tilburg!
Het komt in haar periode voor het eerst tot een Emancipatienota. Een van de zaken waarvoor ze zich politiek hard maakt is het behoud van het Mommerscomplex (voormalige textielfabrieken) aan de Tilburgse fabriekstraat bij uitstek, de Goirkestraat. En voor vestiging van het TextielMuseum in dat complex, al komt dat pas na haar periode tot stand.

Marmeren beeld van Miet Puijenbroek, heel symbolisch gemaakt uit één stuk, door kunstenares Margot Homan

Monument

De achterstelling van vrouwen op het werk, in de kerk en in de politiek houdt haar van jongs af aan bezig. Ze zet zich in om die achterstelling op te heffen. Opvallend genoeg niet via de (linkse) emancipatorische bewegingen die er toch ook in Tilburg zijn, zowel in de vakbeweging als in de politiek. Heel haar leven blijft ze de katholieke beweging trouw. Binnen de kerk vecht ze voor een betere positie voor vrouwen. Bij het honderdjarig bestaan van de Tilburgse vakbeweging in 1996 merkt Miet van Puijenbroek in een biografische schets op: ‘Er is veel verbeterd als je naar de positie van de arbeider van nu kijkt in vergelijking met de jaren dertig. Maar je ziet de tegenstellingen weer groeien. Marktwerking en egoïsme rukken op. De werknemer moet oppassen en zich blijven organiseren. Al die zo moeizaam tot stand gekomen sociale wetten, worden nu om zeep geholpen. Was ik maar jong en sterk. Ik zou meteen actie gaan voeren.’

Ze overlijdt in 1999 op 85-jarige leeftijd. In 2000 wordt ze door de lezers van het Brabants Dagblad gekozen tot ‘Tilburger van de 20e eeuw’. Dat staat ook op haar grafzuil. Op Internationale Vrouwendag, 8 maart 2009, wordt bij het TextielMuseum in Tilburg een marmeren beeld onthuld heel symbolisch gemaakt uit één stuk, door kunstenares Margot Homan. Uit één stuk omdat dat kenmerkend was voor Miet van Puijenbroek.

Levensschets opgenomen in Het gezicht van de vakbeweging Tilburg, een uitgave van de VHV, Tilburg, 2014