Het geheugen van de vakbeweging

Michel Rog, voorzitter

In 2008 interviewde Bert Breij op verzoek van de VHV alle voorzitters van de bonden die bij FNV, CNV en MHP zijn aangesloten. Hij vroeg hen naar hun visie op de toekomst en de betekenis van de historie. Hier het interview met CNV Onderwijs-voorzitter Michel Rog.

Michel Rog, voorzitter CNV OnderwijsMichel Rog, voorzitter CNV Onderwijs

Katholieken en protestanten samen

‘Het belangrijkste onderscheid tussen de AOb en CNV Onderwijs is dat wij een denominatieve achtergrond hebben. We zijn een christelijke vakbond en zeker in het onderwijs heeft dat – in het kader van het historisch geweten – een belangrijke oorsprong vanuit het verleden. CNV Onderwijs is in 2000 opgericht als een fusie tussen de PCO en de KOV, de protestants-christelijke vakbondsorganisatie en de katholieke. Voorheen was het in het onderwijs natuurlijk volstrekt gebruikelijk dat wanneer je op een bijzondere school werkte en dat was een katholieke school, je dus lid werd van de KOV. En als je op een protestante school werkte, je dus lid werd van de PCO. Dat gold ook voor het openbaar onderwijs, daar was je lid van de ABOP, later de AOb. Van oudsher was het onderscheid heel sterk. Nu zie je ons als een eenheid sterk vertegenwoordigd in scholen die een christelijke, katholieke of protestants-christelijke, achtergrond hebben. CNV Onderwijs is overigens het sterkst – anders dan de AOb – in het basisonderwijs. De AOb is sterk in het voortgezet onderwijs en daarmee vul je elkaar ook aan.’

Gemeenschappelijke identiteit

‘Onze katholieke oorsprong is niet die van het NKV. Dat heeft te maken met het standsverschil van onderwijzers in de vorige eeuw. Die sloten zich niet zo makkelijk aan bij de arbeidersbeweging. De katholieken zijn in CNV Onderwijs niet ondergesneeuwd door de protestants-christelijken. In de vereniging werken we ontzettend goed samen en daarin speelt de aparte achtergrond eigenlijk geen rol meer. CNV Onderwijs bestaat nu zo’n 8 jaar, de fusie, het in elkaar opgaan, is vrijwel geruisloos gegaan. Het CDA heeft er langer over gedaan om de verschillende bloedgroepen te integreren. Waarom de katholieken, de KOV, koos voor aansluiting bij de vakcentrale CNV? Daar is wel heel wat discussie over geweest. De FNV was ook een keuzemogelijkheid. Voor het CNV is gekozen vanwege de gezamenlijke christelijke identiteit.’

Jong en oud

‘We zijn een type bond dat constructief overleg hoog in het vaandel heeft, ook vanuit ons verleden, maar we zijn minder traditioneel, wat iets anders is. We kunnen heel goed afstappen van standpunten uit het verleden als er betere of meer wenselijke zijn. Een voorbeeld? Het onderwijs was nog de enige plek waar het last in, first out gold en wij hebben van die systematiek gezegd, dat we het ook via leeftijdscohorten moeten doen. Dus niet alleen meer kijken naar hoe lang iemand in dienst is. Dat is voor jongeren van groot belang, voor het hele onderwijs eigenlijk. Het geeft een antwoord op de problematiek van de vergrijzing binnen het onderwijs, met alle respect voor de voortreffelijke kwaliteit en wensen van de ervaren oudere krachten. We vinden dat oudere leraren op een gezonde manier moeten kunnen blijven werken. In een aantal regio’s is een overschot in plaats van een tekort aan leraren. Dat mag de binnenkomst van jongeren echter niet belemmeren, ze mogen er niet de dupe van worden.’

Leeftijdsvraagstukken

‘Het leeftijdsvraagstuk is iets waar de maatschappij, en ook de vakbeweging, altijd mee zit en nu helemaal. Dat geldt ook voor de aantrekkelijkheid van de bond, we hebben een relatief sterk vergrijsd ledenbestand, daar heb je rekening mee te houden, maar anderzijds probeer je ook aantrekkelijk te zijn voor jongeren. Je probeert voor beide de juiste initiatieven te nemen en maatregelen te veroorzaken, zonder de een of de ander tekort te doen. Het onderwijs, maar ook wij, moeten absoluut een afspiegeling worden van alle leeftijdsgroepen. We moeten jongeren laten zien dat er echt toekomst is in het onderwijs, maar het ook voor ouderen aantrekkelijk maken om in goede gezondheid door te kunnen werken. We hebben ouderen nog hard nodig. Voor dit laatste is er de bapo-regeling: bevordering van de arbeidsparticipatie voor oudere werknemers. Die regeling staat echter onder druk, het kost geld, en de minister en de werkgevers zijn bezig de regeling te verslechteren. We verzetten ons daar met hand en tand tegen, en met succes. Dat doen we voor die 50-plus werknemers die lid zijn van CNV Onderwijs. En dat doen we vanuit de overtuiging dat het een goede regeling is.’

Begrip voor elkaar

‘Ouderen kunnen zeggen dat jongere werknemers ineens allerlei verlofvormen rond ouderschap en dergelijke hebben die zij vroeger niet hadden. Jongeren kunnen zeggen dat ouderen allerlei regelingen hebben die zij later niet meer krijgen. Ik leg aan jong en oud uit waarom wat er gebeurt voor jong en oud tegelijk belangrijk is. Ik probeer jongeren voor te houden zich te verplaatsen naar als ze ouder zijn. Dan moet er voor hen ook een goede regeling zijn, ook al zal die er tegen die tijd anders uit zien. Dat jong en oud recht hebben op wat zij nodig hebben. Ik doe dan een beroep op de solidariteit van beide groepen.’

Solidariteit

‘Solidariteit is voor mij het gezonde evenwicht tussen de belangen van de verschillende generaties. Dit betekent inderdaad dat als je nieuwe, bij deze tijd horende verlofregelingen organiseert, bijvoorbeeld voor jongere werknemers, je daar als oudere ook achter moet staan. Dat je moet ondersteunen dat ook vrouwen het recht hebben om te werken en aan de slag kunnen gaan. Dat mannen in deze tijd zorg en arbeid moeten kunnen combineren. Die solidariteit vraag ik ook van jongeren voor ouderen. Wederzijdse solidariteit. Je moet ook offers kunnen brengen voor de ander. En je moet accepteren dat de kosten daarvan samen gedragen worden. En dat alles nu eenmaal geld kost en ook veel kan opleveren. Dat je daar niet eenzijdig, maar in ieders belang naar moet kijken en doen.’

Veel meer problemen

‘Goed onderwijs is onderwijs waarin voldoende ruimte is voor de zorg van leraren en ander onderwijspersoneel voor leerlingen. Goed onderwijs is onderwijs waarin je ook tijd en aandacht hebt voor het didactisch proces. Het hele pedagogische en didactische proces is niet alleen woordjes stampen, maar ook dat je als leraar weet wat de achtergrond van een leerling is. Dat je jezelf daarin kunt verdiepen, dat je daar aandacht voor kunt hebben. Dat is nu bij uitstek, met groter wordende klassen, met leerlingen die steeds meer problemen hebben en zorg behoeven en leraren die het steeds drukker krijgen, precies in het geding en het probleem. De onderwijsinspectie heeft net een rapport uitgebracht dat ambivalent is. Er wordt erkend dat leraren veel meer problemen hebben dan vroeger. De vraag is of dat komt door het onderwijs of dat het onderwijs daarmee geconfronteerd wordt. Eén ding is zeker: bij die leerlingen met een grotere problematiek – en dat cumuleert vaak in bepaalde gebieden – daar gaat het niveau van de prestaties achteruit. Dat wil niet zeggen dat het onderwijs per definitie slechter is, of dat degene die het onderwijs verzorgen, dus slechter hun werk doen. Daar geloof ik eerlijk gezegd geen snars van. Wat wel zo is, is dat je ervoor moet zorgen dat je het tij keert in de probleemgebieden en probleemsituaties.’

Opvoedkundige vergaarbak

‘Met name in de grote steden komt het massaal voor dat leerlingen zonder ontbijt naar school komen. De rol van de bond hierin is tweeledig: ervoor zorgen dat er aandacht is voor die problematiek én dat dit dus niet uitsluitend en alleen op het bordje van de leraar terechtkomt, want dat gebeurt teveel. De leraar wordt te veel gezien als een soort vergaarbak van alle maatschappelijke opvoedkundige en onderwijskundige problemen en wordt geacht die maar op te lossen. Wij zijn er voor de emancipatie van de leraar: ‘durf nee te zeggen’. Dat is een hele belangrijke boodschap. We zijn er als bond voor het arbeidsvoorwaardenpakket, maar ook voor de onderwijskundige inhoud. Dat laatste gaan we ook veel meer doen. Maar we horen als bond ook tegen de politiek te zeggen: stop met nog meer maatschappelijke problemen neer te leggen op het bordje van docenten. Dat maakt de problematiek van die leerlingen alleen maar groter want die leraar heeft nog minder aandacht voor waar het werkelijk om gaat: het goed beoefenen van zijn vak.’

Status van de leraar

‘Teveel mensen die het talent wel hebben, werken niet in het onderwijs. En dat is het aardige: het is een beroep waar iedereen mee te maken heeft gehad. Het beroep is alleen de status van vroeger kwijt geraakt. De remedie is: het inkomen moet omhoog, maar ook zeggenschap over het eigen vak. De docent moet zelf weer eindbeslissingen kunnen nemen. En dat maakt dat hij of zij status krijgt. Daarom moet er meer onderwijsondersteunend personeel komen. Het feit dat een leraar de kopieën moet maken en naast het onderwijs geven, de vuilnis buiten moet zetten of uit de klas gehaald wordt om andere dingen te doen, geeft geen statuur. Ouders en leerlingen zien dat ook, en dat werkt door op de bereidheid om later leraar te worden. Er moet wat met die status gebeuren. Het lerarentekort wordt echt dramatisch. We zitten bijvoorbeeld bij de lerarenopleiding Duits met het gegeven dat er in de Randstad maar één aanmelding is. Iemand die de lerarenopleiding economie afrondt en in het bedrijfsleven meteen twee keer zoveel kan verdienen, met een auto et cetera., die gaat niet in het onderwijs werken.’
Bert Breij
Het interview metCNV Onderwijs-voorzitter Michel Rog is opgenomen in Twee miljoen leden, 25 voorzitters, 2009