Het geheugen van de vakbeweging

Mercurius

Bond voor handels- en kantoorbedienden

In tegenstelling tot het heersend beeld zijn de handels- en kantoorbediende al relatief vroeg tot organisatie gekomen. Het zijn de beurslopers en vervolgens de handelsreizigers die de eerste stappen zetten. Door onderlinge tegenstellingen en het nastreven van deelbelangen komt het nooit tot massaorganisatie en pas laat tot eenheid.

Groeiende beroepsgroep

Is in 1899 nog geen tien procent van de beroepsbevolking hoofdarbeider, in 1960 is dat al meer dan dertig procent. Het aandeel in het totaal van de beroepsbevolking zal daarna nog oplopen tot boven de vijftig procent. De groeiende werkgelegenheid voor hoofdarbeiders komt ook ten goede aan vrouwen. Het aandeel van vrouwelijke hoofdarbeiders op de totale beroepsbevolking stijgt tussen 1899 en 1960 van minder dan twee procent naar ruim tien procent. Bezien we de ontwikkeling over dezelfde periode voor de gehele beroepsbevolking dan zien we dat onder de hoofdarbeiders het aandeel van vrouwen toeneemt terwijl die onder handarbeiders afneemt. Na 1880 worden winkel en warenhuis populair. Wordt voor die tijd voornamelijk gekocht bij de producent of in de stad op de markt, in pakweg dertig jaar tijd verandert dat vrijwel geheel en wendt de consument zich voor zijn levensbehoeften tot de detailhandel. Naast de handels- en kantoorbedienden ontstaat zo een aanzienlijke groep van winkelbedienden. In vrijwel dezelfde periode groeit de internationale handel aanzienlijk. Tussen 1870 en 1914 groeit de export met een factor tweeëneenhalf en de import zelfs met drie. Veel goederen die in de Rotterdamse haven worden overgeslagen zijn bestemd voor de doorvoer. In 1910 is tweederde van de transitohandel doorvoer naar Duitsland. Henriëtte Roland Holst wijst in 1931 op de buitengewoon snelle toename van het aantal hoofdarbeiders onder het modern kapitalisme, maar ook op de bijzondere sociaal-psychologische gevolgen daarvan voor de arbeidersbeweging. Volgens haar worden de vooruitzichten voor het socialisme niet ongunstiger, maar wijzigt wel het beeld “van den ontwikkelingsgang, zoals het socialisme zich die één, twee generaties geleden voorstelde, als een beweging naar een punt, waartegenover een handvol kapitalisten een ontzaggelijk leger van fabrieksproletariërs zou komen te staan. Immers de geestesgesteldheid van kantoorbedienden, winkelbedienden, kleine beambten, kortom van allen, die men ook wel ‘hoeden-proletariërs’ noemt, wijkt in belangrijke opzichten van die der industriële arbeidersklasse af.”

Vereeniging van Kantoorbedienden

De Vereeniging van Kantoorbedienden te Rotterdam wenst zich uitdrukkelijk te beperken tot verzekeren getuige het verslag dat in 1865 wordt uitgebracht: “Toen de Ondergeteekende in de maand Februari des jaars 1859, door de verspreiding eener circulaire zich hadden bekend gemaakt als Oprigters eener Vereeniging van Kantoorbedienden, ten doel hebbende, om door jaarlijksche bijdragen, de vrouwelijke betrekkingen of kinderen van leden, bij eventueel overlijden eene geldelijke uitkeering te verzekeren, mochten zij al dadelijk bij velen in dien Stand een gunstig gehoor en deelname ondervinden, en werd het doel der Vereeniging algemeen welwillend beoordeeld.” De vereniging die patroonsbijdragen ontvangt, telt in 1883 643 leden en 127 donateurs. Zonder ooit het doel te wijzigen blijft de vereniging tot ver in de 20ste eeuw bestaan. In 1869 ontstaat in Dordrecht een soortgelijke vereniging, die bovendien nog uitkeringen verstrekt aan buiten hun eigen schuld werkloos geworden vakgenoten. Het is de oudste werknemersvereniging in het Dordtse, die in 1870 21 leden telt. In 1896 wordt de vereniging nog vermeld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Handelsreizigers

Bij de handelsreizigers zijn de vroegste verenigingen eveneens fondsorganisaties. Reizigers die op zondag gedwongen overblijven (door gebrekkige verkeersverbindingen) in Den Bosch, raken met elkaar in gesprek over de toekomst van de handelsreiziger en zijn gezin. Zij geven daarmee de aanzet tot organisatie. Met statu-ten van een Parijse en een Brusselse vereniging ten voorbeeld komt in 1865 in Amsterdam het Genootschap tot ondersteuning van Handelsreizigers ‘Providentia’ tot stand. In 1874 wordt in Rotterdam, in de bovenzaal van het Nederlandsche Koffiehuis, de Nederlandsche Handelsreizigers-Vereening (NHV) opgericht. 119 handelsreizigers treden tot de vereniging toe. Vanwege de financiële verantwoordelijkheid verbinden de oprichters een instituut van commissarissen aan de vereniging. Het bestuur wordt zo bijgestaan door “vooraan-staande mannen, die, zoo noodig, geraadpleegd konden worden zoowel bij het beleggen van de gelden der vereeniging als in bijzondere gevallen, waarin de meening van onpartijdige personen, buiten de vereeniging staande, van groot gewicht kon zijn.” De NHV is niet alleen gesteld op een goede band met de patroons, maar ook op een officiële erkenning. In 1882 aanvaardt prins Alexander het beschermheerschap. Het ledental blijft jarenlang stabiel om in 1879 te dalen tot 75. Pas in 1883 is men weer op de oude sterkte om daarna jaarlijks enigszins te groeien. In 1890 telt de vereniging 169 leden. Aangezien de meeste leden in Rotterdam wonen draagt de NHV een plaatselijk karakter. In 1882 wordt de band met de Amsterdamse leden verstrekt en tien jaar later ontstaat daar een afdeling. In datzelfde jaar ontstaat ook een afdeling te Utrecht en in 1893 één in Den Haag, zodat dan over een landelijke organisatie kan worden gesproken. Hoewel de NHV een zuivere fondsenorganisatie is, kan het zich toch niet geheel onttrekken aan de beweging die zich onder handels- en kantoorbedienden voordoet ten gunste van vakorganisatie. Met de oprichting in 1899 van het Bureau van Plaatsing zette de NHV een eerste schrede op weg naar een bredere belangenbehartiging.

Mercurius

De in 1873 gevormde bedienden organisatie Vervroegd Beursuur te Amsterdam zet de wens, die onder de bediende leeft om zich verder in hun vak te bekwamen, om in daden om. Men richt een bibliotheek in en start met opleidingen voor ‘boekhouden en handelsrekenen’ en letterkunde. In Leiden wordt het Amsterdamse voorbeeld gevolgd, door de in 1876 opgerichte vereniging Kennis is Macht, met als doel: “het gezamenlijk beoefenen van nuttige kundigheden en wel voornamelijk moderne talen en Dubbel of Italiaansch boekhouden” voor kantoor-, magazijn- en winkelbedienden. In 1882 wordt in Rotterdam de vereniging van handelsbedienden Mercurius opgericht met als voornaam doel het instellen van praktijkexamens voor talen en boekhouden. Achtergrond bij het Rotterdamse initiatief vormt de wijziging van de Lageronderwijswet. Onderwijzers kunnen niet langer een lageronderwijs akte voor moderne talen halen om aan te tonen dat zij over bekwaamheden beschikken voor kantoor. Toename van het aantal kandidaten middelbaar onderwijs boekhouden doen de exameneisen opschroeven. In 1879 zakken 68 van de 102 kandidaten. Er wordt vooral op theoretische kennis gelet en niet op praktische vaardigheden. De behoefte aan ‘eigen’ meer op de praktijk afgestemde opleidingen wordt daarmee als het ware opgedrongen. Mercurius pakt de zaak stevig aan. Reeds in 1883 kunnen de eerste examens bij 36 kandidaten worden afgenomen. Na enige jaren zal het aantal examenkandidaten almaar groeien en in het twintigste jaar zijn er 4660 kandidaten. Het zogenaamde ‘Mercurius-diploma’ is in kantoorkringen een begrip. Al zal niemand ontkennen dat een goede vakopleiding in het belang van werknemers is, kan Mercurius niet gezien worden als een vakorganisatie. Tegenstellingen met werkgevers roept zij dan ook niet op. De bekende Rotterdamse bankier M. Mees die veel interesse toont voor de Mercurius-opleidingen is dan ook één van de twaalf commissarissen die in 1882 medewerking verleent aan de oprichting van de vereniging. Werkgevers stellen er prijs op als hun kantoorpersoneel wordt toegelaten tot het lidmaatschap van Mercurius. Als in 1888 pogingen worden ondernomen om een pensioenverzekering voor kantoorbedienden tot stand te brengen, wordt Mees, samen met andere ‘heren’ gevraagd voor een commissie ter voorbereiding van het fonds. Overeenkomstig het advies van de commissie komt op 4 april 1889 Het Handelsbediendenfonds tot stand. Mercurius richt zich uitsluitend op mannelijke handelsbedienden en sluit vrouwen uit van de examens en weert hen uit het lidmaatschap van de vereniging.

De Nationale

Tegen het eind van de 19de eeuw zijn er vele plaatselijke verenigingen van handels-, kantoor- en winkelbedienden, die zich verdienstelijk maken op het gebied van verzekering en opleiding. Er is echter een groeiende behoefte om ook direct in de positie van de bedienden verbetering te brengen. In het algemeen zijn de werkdagen lang en is de beloning slecht. Op initiatief van het Amsterdamse Vooruit wordt in 1896 een ‘nationaal congres’ van handels- en kantoorbedienden belegd met als doel tot groter eenheid te komen. Een groot succes is het congres niet. De meeste plaatselijke verenigingen, die wel bij de voorbereiding betrokken zijn, trekken zich voor het congres terug. Voor Mercurius is het te ruime toelatingsbeleid het struikelblok. Zij wenst uitsluitend handelsbedienden en geen klerken en vrouwen toe te laten. Op het congres zijn slechts 33 bedienden uit acht plaatsen, waaronder uit Rotterdam en Den Haag, aanwezig. Een half jaar later komt toch, door de niet aflatende ijver van Vooruit, de Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden tot stand. Behalve individuen kunnen ook verenigingen zich bij De Nationale aansluiten. De bond maakt een verrassend snelle groei door. Vijf verenigingen sluiten zich aan en vijf afdelingen worden nog in 1897, waaronder te Rotterdam en Haarlem, opgericht. Gouda en Leiden volgen in 1898 en 1900. In Den Haag wordt een andere weg gevolgd. Daar wordt in 1897 eerst een zelfstandige vereniging gesticht, onder de naam Residentie, die zich vervolgens nog in hetzelfde jaar aansluit bij De Nationale. In 1898 telt de bond reeds 1751 leden. De Nationale stelt zich ruimer op dan Mercurius. Ze wenst alle beroepsgroepen in de dienstensector te organiseren en sluit ook vrouwen niet uit van het lidmaatschap. De ‘statusgevoeligheid’ van Mercurius is minder bijzonder dan nu misschien wordt verondersteld. Vele beroepsgroepen kennen hun eigen organisatie. We noemden reeds de handelsreizigers, maar ook de accountants en boekhouders, de boekverkoperbedienden, de confectiebedienden, administratief personeel in het haven- en dokbedrijf en klerken zijn apart georganiseerd. Naast de verschillende beroepen zijn er nog de rooms-katholieke en christelijke organisaties.

Werknemersonderzoek in Den Haag en Rotterdam

Als in 1902 in het ontwerp Arbeidswet van het ministerie Kuyper het woord kantoorarbeid niet is te vinden, besluit de afdeling Den Haag van Mercurius de wetgever met gegevens over de toestand van de bediende te overtuigen van de noodzaak van het opnemen van bepalingen in de arbeidswet inzake de werkplek van handels- en kantoorbedienden. Samen met Residentie, de afdeling van De Nationale, en de afdeling van de Ne-derlandsche Vereeniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden wordt in de jaren 1902-1906 door Mercurius onderzoek gedaan naar de arbeidsomstandigheden van de bedienden. 912 bedienden worden geënquêteerd met behulp van een lijst met 14 vragen. De response is 260 vragenlijsten. Uit de antwoorden blijkt dat de rechtspositie zwak is. Vrijwel niemand beschikt over een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Op eenderde van de kantoren waar de geënquęteerden werken is sprake van: onvoldoende licht, een bedompte atmosfeer, tocht, slechte ventilatie en lawaai. De werkdag is 12 uur of meer. Er wordt zes dagen per week gewerkt, al zijn er ook kantoren zonder de wekelijkse rustdag. Een onderzoek door de afdeling Rotterdam van Mercurius gedaan in 1907 naar thuiswerk levert, na een oproep in de krant, 41 reacties op. Thuiswerk in de administratieve sfeer is een vorm van bijverdienste na het gewone dagelijkse werk. Veelal bestaat het werk uit gejaagd adressen schrijven omdat het meestal om spoedbestellingen gaat. De beloning is schamel.

De Algemeene

In De Nationale ontwikkelt zich een richtingenstrijd tussen ‘neutraal’ en ‘sociaal-democratisch’ gezinde bedienden. In 1905 leidt dat tot een breuk. De op sociaaldemocratisch standpunt staande bestuurders leggen hun functies neer en treden uit de vereniging. Samen met enkele geestverwanten uit Mercurius richten zijn op 22 oktober 1905 de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden op, die zich op 1 januari 1906 aansluit bij het NVV. Bij oprichting telt de bond 213 leden, maar door propaganda en agitatie groeit dat naar 1531 leden in 1914. De Algemeene richt zich nadrukkelijk tot vrouwen, wat in de ledencijfers is terug te vinden. In 1910 is ruim 20% van de leden vrouw. In hetzelfde jaar treden in de afdelingen Leeuwarden en Amsterdam voor het eerst vrouwen op in bestuursfuncties De aderlating in ledental die zowel de Nationale als Mercurius heeft gedaan door de oprichting van de Algemeene is aanleiding tot fusiebesprekingen tussen de eerste twee. In 1907 komt de fusie tot stand en de Nationale Bond van Handels en Kantoorbedienden ‘Mercu-rius’ telt in 1914 2306 leden waarvan 4,4% vrouwen.

Staking bij Norden en Electrolux

In 1910 organiseert De Algemeene haar eerste staking. De arbeidsvoorwaarden bij de Rotterdamse grossier in galanteriewaren J. Norden staan als zeer slecht bekend en pogingen om dat verbeterd te krijgen slagen niet. Om druk uit te oefenen wordt besloten overwerk te weigeren. Het bedrijf ontslaat vanwege deze weigering twee werknemers, waarop 17 van de 24 werknemers in staking gaan. Na een staking van een week wordt het werk hervat. De ontslagen werknemers keren terug, rancunemaatregelen blijven uit en er komt een overwerkregeling tot stand. Op 1 april 1926 leggen de handelsreizigers in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag in dienst van het stofzuigerbedrijf Electrolux het werk neer. Een jaar eerder zijn er, door een korte staking van 12 bedienden, bij Electrolux contacten tussen De Algemeene en het bedrijf ontstaan met als resultaat een eerste collectieve arbeidsovereenkomst. Electrolux houdt zich niet aan de afspraak om met de bond nadere afspraken te maken over een loonparagraaf en legt zelfs aan het Amsterdamse personeel eenzijdig een loonsverlaging op. De staking waartoe De Algemeene oproept zal zeven maanden duren. Het kost veel energie om te zorgen dat de staking niet wordt ondermijnd door onderkruipers. In Amsterdam bijvoorbeeld worden in enkele weken tijd door posters 600 onderkruipers aangehouden. Wederzijds worden processen aangespannen. Electrolux eist via de rechtbank schadevergoeding, maar die wordt niet toegewezen. De Algemeene stelt daar, eveneens zonder succes, loonvorderingsprocedures tegenover. Gedurende de staking wordt het publiek opgeroepen om geen Electrolux producten te kopen. Eerst nadat een nieuwe directeur is aangetreden bij het bedrijf kan er tot een vergelijk worden gekomen. Een loonregeling komt tot stand. De wederzijds lopende processen worden ingetrokken en de bond beëindigd de oproep tot boycot van het bedrijf. Naast de uitzonderlijk lange duur van de staking is de internationaal betoonde solidariteit opmerkelijk. De Tsjechoslowaakse Unie van Handelsreizigers bijvoorbeeld stuurt 5.000 kronen en de Internationale van Handelsreizigers spreekt de bereidheid uit om een internationale actie tegen Electrolux te starten.

Naar groter eenheid

Zowel in 1922 als in 1924 zijn er fusiebesprekingen tussen Mercurius en De Algemeene. Beide keren mislukt de fusie door eisen van Mercurius. In 1922 wordt verlangd dat de fusiebond uitsluitend kantoorbedienden zal organiseren en in 1924 is het de eis tot neutraliteit die zou hebben betekend dat De Algemeene het NVV moet verlaten. Door bemoeienis van de Duitse bezetter worden het ‘neutrale’ Mercurius en de ‘moderne’ De Algemeene gedwongen om samen te gaan. Na de bevrijding in 1945 besluiten De Algemeene en Mercurius door te gaan verenigd in de Algemene Nederlandse Bond voor Handels- en Kantoorbedienden en Handels-reizigers ‘Mercurius’. De organisatie van verzekeringsagenten sluit zich daar in 1947 bij aan. In 1952 moet Mercurius als gevolg van de invoering van de bedrijfstakgewijze-organisatie veel leden overschrijven naar andere NVV-bonden. In 1981 gaat Mercurius samen met de Dienstenbond NKV verder als Dienstenbond FNV. In 1998 fuseert de Dienstenbond met de Industriebond FNV, de Vervoersbond FNV en de Voedingsbond FNV tot FNV Bondgenoten.
©Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
1 oktober 2002

Geraadpleegde literatuur

J. Bakker, Mercurius gedurende een halve eeuw (Leiden 1932)
H. de Boer, Dordrechtsche Bestuurdersbond 1896-1906 (Dordrecht 1989)
W. Buitelaar en R. Vreeman, Vakbondswerk en kwaliteit van de arbeid. Voorbeelden van werknemersonderzoek in de Nederlandse industrie (Nijmegen 1985)
W.C. Mees, Man van de daad. Mr. Marten Mees en de opkomst van Rotterdam (Rotterdam 1946)
B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981)
B. Reinalda, Onze strijd. Beknopte, geďllustreerde geschiedenis van de vakbeweging van handels- en kantoorbediende in Nederland tussen 1859 en 1942 (Nijmegen 1981)
B. Reinalda, De Dienstenbonden klein maar strijdbaar (Baarn 1985)
B. Reinalda, ‘Bakker, Jacobus’ in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1990) Deel 4
B. Reinalda, Zicht op beroepsondewijs. Particulier initiatief in de dienstensector, overheidsbeleid en internationaal kader. Een beschouwing bij het 90-jarig bestaan van de Federatie van Handels- en Kantoorbediendenverenigingen in Nederland 1904-1994 (De Knipe 1994)
B. Reinalda,’Graaff, Willem Cornelis’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1995) Deel 6
G.J.A. Smit Jr., Een kwart eeuw in en met De Algemeene (Amsterdam 1931) ‘Van klant tot koning’ en ‘ Jan Kordaat en de pappot’ in: A.F. Manning en P.W. Klein e.a. Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)