Het geheugen van de vakbeweging

Menno Tamminga: “Als het werk verandert en als de samenleving verandert, “moet de vakbeweging mee veranderen. Anders zal ze verdwijnen naar de maatschappelijke marge”

Menno Tamminga,  auteur ‘De vuist van de vakbond’.

De toekomst van de vakbeweging

We leven op dit moment in een economische hoogconjunctuur. De werkloosheid is in twee jaar tijd spectaculair gedaald. Het optimisme in Nederland, zoals het Sociaal- en Cultureel Planbureau dat meet, is opeens zo groot dat ook de wetenschappers van datzelfde Planbureau er geen concrete verklaring voor hebben. Maar toch… de groei van de lonen is, althans als je naar de cao-lonen kijkt, die groei is spectaculair laag. De nieuwe werkgelegenheid hoopt zich op in banen met flexibele, onzekere contracten. Wie het wél voor de wind gaat zijn aandeelhouders en werkgevers, en dan hangt het van uw kijk op economie en samenleving af of u de werkgevers ziet als dé tegenstanders van de werknemers en de vakbeweging, of als de tegenspélers of als een partner in samenwerking.

Na het verschijnen van mijn boek De vuist van de vakbeweging, precies een jaar geleden, ben ik een paar keer door FNV-bonden gevraagd om m’n visie te geven. Dan gebruikte ik de drie P’s: dat het Poldermodel niet zaligmakend is, dat het in een cao niet alleen om Poen moet gaan en dat de Potentie van de bond in lokale aanwezigheid zit. Die drie P’s zijn een aardige gimmick, maar ze gaan vooral over het hier en nu en ze schieten in dit gezelschap tekort.

Wat is de toekomst van de vakbeweging?

De vakbeweging staat natuurlijk niet op zichzelf. De toekomst van de vakbeweging is verweven met de toekomst van werk en met de toekomst van de samenleving. Als het werk verandert en als de samenleving verandert, zal de vakbeweging moeten mee veranderen. Anders zal ze verdwijnen naar de maatschappelijke marge.

De toekomst van werk is al een tijdje een onderwerp dat de nieuwsgierigheid en misschien ook wel de angst van mensen prikkelt. Want iedereen ziet zijn werk veranderen. De inhoud verandert, de vorm van het contract verandert. Waar dertig jaar geleden een vast contract de norm was, is er nu een breed scala: payroll, flexibel of bijvoorbeeld een vaste contract voor vier jaar. Of je kunt als werknemer ook je eigen werkgever zijn, of andersom, als zzp´er. Kijk je naar de inhoud van werk, dan zie je trends als: Robotisering. De toepassingen van kunstmatige intelligentie. Dan rijst vanzelf de vraag: wordt mijn baan straks weg geautomatiseerd? Ik zag laatst een raming van de OESO, de club van grote industriële landen, dat misschien wel de helft van alle banen zou verdwijnen of onherkenbaar zou veranderen. Maar in Nederland is dat percentage wat lager en het aantal verdwijnende of veranderende banen is ook kleiner dan eerder voorspeld. Het Financieel Dagblad zette een positieve kop boven dat nieuwsbericht: Robots stelen minder banen dan eerder werd aangenomen.

Gelukkig is natuurlijk niet ieders werk zo maar te robotiseren. Ik denk dat een cao-coördinator niet zomaar brodeloos is. Maar de opvolger van Chris Baggerman gaat met andere technologie aan de slag dan waar hij destijds mee begon, onder andere sociaaleconomische omstandigheden, maar hij zal wél een aantal vergelijkbare vaardigheden moeten hebben. De inhoud van het werk verandert, maar het blijft óók hetzelfde.

Zes observaties

De toekomst van de samenleving zal ik maar kort aanstippen met twee woorden. De komende vijftien tot twintig jaar blijven twee trends dominant: vergrijzing en verkleuring. Ouderen leven langer, jongeren werken langer en meer mensen met een migratie-achtergrond komen op de arbeidsmarkt en iedereen moet langer zijn vaardigheden bij de tijd houden. Als je naar deze trends kijkt, wat betekent dat voor de vakbeweging? Ik zal zes observaties met u delen.

Allereerst: Er is een enorm reservoir van potentiële leden. Ik zal u een paar cijfers geven, die komen uit een grootschalig onderzoek van het CBS, het Centraal Bureau voor de Statistiek. Die heeft in 2016 gemeten onder welke beroepsgroepen het belang van een vakbond het hoogst én het laagst wordt aangeslagen. Het CBS onderscheidt een stuk of tachtig beroepen. Het laagst, het zal u niet verbazen, scoort de vakbond bij algemeen directeuren van bedrijven. Het hoogst scoort het belang van de bond bij buschauffeurs en trambestuurders. Op de tweede plaats staan politie en brandweer. Uit vergelijkbaar onderzoek komt het gegeven dat 50 à 60 procent van de werknemers hun cao waarderen. Door de jaren heen is de reputatie van de vakbeweging net iets hoger is dan die van grote ondernemingen.

De tweede observatie: ondanks de welwillende opvattingen dalen of stagneren de ledenaantallen. De vakbeweging moet vechten om relevant te blijven. De organisatiegraad, dat is het percentage werkenden dat lid is van vakbond, scoort steeds weer nieuwe dieptepunten. Vijftig jaar geleden lag het rond 40 procent, nu rond 15 procent. Voor zover je daar iemand of iets de schuld van kan geven is dat individualisering en opleiding. Mensen zijn beter opgeleid en laten zich minder gezeggen dan vijftig jaar geleden. Tegelijkertijd zie je dat mensen wél in beweging willen komen, dat zie bij het lerarencomité PO in actie. Ze willen zelfs een echte vakbond worden. Dat moet de bestaande bonden toch als muziek in de oren klinken. Een vakbond ouderwets, hoezo? Zelfs een actiegroep die is begonnen op facebook wil een vakbond zijn, zodat zij met cao-onderhandelingen kunnen meedoen.

Mensen willen wel in beweging komen, maar wel op hún voorwaarden, op het moment dat het hen past, op het moment dat zij het doel lovenswaardig vinden of op het moment dat zij het spuugzat zijn. Er moet iets zijn dat deze mensen bindt. Dat kan de kwaliteit van hun vak zijn, of een groepsgevoel dat hun beloning achterblijft of hun maatschappelijke betekenis niet serieus wordt genomen. Of het streven om de wereld van te verbeteren. Maar het kan ook een gemeenschappelijke drijfveer zijn die buiten het werk ligt, zoals religie.

Maar wat de gemeenschappelijke binding ook is, er moeten duidelijke individuele voordelen of belangen in zitten. Vakbonden moeten de vraag What’s in it for me duidelijker beantwoorden. Het belangrijkste product dat vakbonden leveren is een cao. Maar die is ook van toepassing op werknemers die géén lid zijn. Dus: zorg voor extra voordeeltjes voor vakbondsleden in de cao.

Voor sommigen is het wellicht wennen, dat collectiviteit alleen nog kan bestaan bij de gratie van individualiteit. Maar het is niet anders. De samenleving is veranderd, bonden moeten mee. Anders marginaliseren ze. En als m’n perceptie klopt dat mensen zich rondom hun beroep of vak willen organiseren, zoals die leraren van PO in actie, dan is het ook de vraag wat de toekomst is van de grote vakbondsorganisaties die heel verschillende beroepen onder een dak hebben. Hoe herkenbaar is dat nog. Misschien krijg je net als vroeger veel meer kleinere zelfstandige bonden. Want misschien is het werk dat die grote bonden, zoals FNV en CNV in gremia als de Sociaal Economische Raad nu doen ook een aflopende zaak. En verdwijnt het poldermodel in zijn huidige vorm, en komt er wel weer iets nieuws. Als je deze lijn radicaal doortrekt zou bijvoorbeeld de fusie van de grote FNV- bonden tot één geheel wel eens een grote misser geweest kunnen zijn.

Nieuwe leden

De derde observatie die ik met uw wil delen is de vraag; waar vindt de vakbond die nieuwe leden? Het antwoord is: Het meest voor de hand liggen sectoren met arbeid die niet naar lage lonenlanden kan worden verplaatst, waar kwaliteit van de arbeid en kwaliteit van de dienstverlening aan het publiek samengaan, dus: gezondheidszorg, lagere overheden, Openbaar vervoer. Hoe moet je het doen: op de werkvloer, in die bedrijven en organisaties, laten zien dat het wat oplevert als je lid bent van de bond.

In de publieke dienstverlening is de overheid financier en vaak ook werkgever. Dat maakt de overheid vatbaar voor pressie van vakbonden en werknemers. De grote ondernemingen van vroeger, zeg maar Shell, Philips, Akzo zijn daar niet meer zo gevoelig voor. Nederland is voor hen te klein geworden. De klassieke bolwerken van vakbondsmacht in de industrie zijn goeddeels verdwenen. Hun plaats is ingenomen door verzelfstandigde overheidsinstellingen, conglomeraten in de gezondheidszorg en grote familiebedrijven. Aan dat laatste moeten vakbonden nog wennen, denk ik wel eens. In grote familiebedrijven bestaat in tegenstelling tot de anonieme, beursgenoteerde multinationals nog wel een duidelijke en gevoelsrijke relatie tussen het eigendom van het bedrijf, de leiding van het bedrijf en de werknemers. Een deel van ruzie tussen de vakbonden en Jumbo, de supermarktketen, komt voort uit dat verschil. De confronterende tactieken die bij Unilever in Oss misschien wel werken, werken bij de familie Van Eerd van Jumbo verderop in Veghel juist averechts.

Dat laat onverlet dat ik aan acties en actiedreiging wel de nodige waarde hecht om eisen kracht bij te zetten. Maar de mate waarin je dat doet en de manier waarop je het doet, zijn elke keer anders. Een beetje zoals de reclame voor alcohol aanbeveelt: geniet ervan, maar doe het met mate.

Laat ik even recapituleren. Ik heb het met u gehad over positieve houding van miljoenen Nederlanders tegenover bonden, hoe de vakbonden relevant moeten blijven en waar zij potentiële leden kunnen winnen. Het vierde gaat over de vakbond zelf. De vakbond van de toekomst moet uit de verdedigende rol. De laatste 20 à 30 jaar hebben de bonden zich het kaas van het brood laten eten door werkgevers en liberaliseringsideologen. De bonden lieten de framing en shaming over zich heen komen. Dat zij, plat gezegd, oude mannen vertegenwoordigen die eerder met pensioen willen. De vakbond van de toekomst zal zich niet schamen voor de resultaten uit het verleden. Daarmee bedoel ik: voor het feit dat de beste oplossingen voor sommige sociaaleconomische problemen, zoals de financiering van ouderdom, collectieve oplossingen de beste zijn. Kijk naar de AOW. En kijk ook maar naar de collectieve pensioenregelingen. Het is gegeven de eerder gememoreerde individualisering niet hip om voor collectieve regelingen te zijn, maar ze zijn wel effectief en voordelig. En omdat er ook een verplichting is voor werkgever om mee te doen aan pensioenregelingen, vallen er relatief weinig mensen buiten de boot. Toen kwamen de zzp’ers. Zij krijgen wel een fiscale tegemoetkoming om voor pensioen te reserveren, maar doen zij dat ook? Een deel wel, een deel niet. Vindt de samenleving het in orde dat mensen die niet sparen hun eigen armoede organiseren, als zij straks alleen AOW krijgen. Ik heb daar moeite mee. Dus ik denk dat de vakbond daar op moet blijven wijzen.

Niet schamen

De vakbond van de toekomst hoeft zich ook niet te schamen voor die 1,7 miljoen leden die ze nu samen hebben. Dat zijn er zeven maal zoveel als alle politieke partijen samen en dan is het vakbondslidmaatschap ook nog eens een paar keer duurder dan het lidmaatschap van een partij. En de vakbonden moeten zich al helemaal niet schamen voor het feit dat ouderen oververtegenwoordigd zijn. Het is zoals het is, wees er trots op.

M’n vijfde punt ligt in het verlengde hiervan. Durf uw eigen lijnen uit te zetten. Durf een ander verhaal te vertellen, met een andere vocabulaire om mensen te overtuigen. Durf nieuwe oplossingen te ontwikkelen. Laat ik hier Maurice Limmen prijzen. Op 15 januari 2018 stond hij op de voorpagina van dagblad De Telegraaf met zijn oproep om een rem te zetten op arbeidsmigranten als het gaat om het tekort aan vaklieden op te vullen. Er zijn zoveel Nederlanders die langs de kant van de arbeidsmarkt staan, geef hen voorrang.

Ik zou een gezonde dosis economisch nationalisme aanbevelen. Je kunt de Europese Unie prijzen, maar je moet erop wijzen dat liberalisering van markten en arbeidsvoorwaarden veel verder ontwikkeld zijn dan effectieve controle op die arbeidsvoorwaarden en het aanpakken van uitwassen. Als Europa een waardengemeenschap wil zijn, moet zij dat ook zijn op het gebied van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden.

Nieuwe bondgenoten

Mijn zesde en laatste observatie is: de vakbond kan het niet alleen. Daarvoor is ze te klein geworden. Dus zoek nieuwe bondgenoten. Vakbonden zijn geen politieke partijen. Vakbonden hoeven dus ook niet over alles in de samenleving een mening te hebben, ze moeten zich concentreren op werk en inkomen. Dat is al breed genoeg. Zoek daar medestanders en bondgenoten bij. En besef dat ja dan niet altijd vanzelfsprekend je zin krijgt, maar dat nederigheid soms gepast is. Ondernemingsraden kunnen die bondgenoten zijn. En lokale politieke partijen, gezien het grote aantal taken op het gebied van werk en inkomen dat gemeenten bestieren.. Andere vakbonden zijn bondgenoten. Ik ben elk keer weer verbaasd hoe verketterend bijvoorbeeld FNV-bestuurders omgaan met andere bonden. Soms denk ik dat ze in andere bonden de tegenstrever zien, en niet de werkgever.

En als laatste, of misschien wel als eerste bondgenoot: de werkgever. Dat klinkt u wellicht paradoxaal in de oren, want eerder heb ik iets positiefs gezegd over acties. U heeft gelijk: het ís paradoxaal. Maar gezien de grote veranderingen die gaande zijn in de inhoud van het werk, lijkt dat een vakbond juist ook de kwaliteit van werk als doel moet hebben. Dat zijn óók concrete voordelen voor leden en potentiële leden. Dat zijn zichtbare voordelen in de inhoud van het werk zelf. Daarmee moeten nieuwe leden te winnen zijn.

En dan kan ik de vraag waar ik mee begon, namelijk: Heeft de vakbeweging nog toekomst? Met ja beantwoorden. Dan is er zelfs een mooie toekomst.

Menno Tamminga

Bijdrage aan afscheidssymposium van Chris Baggerman, 25 april 2018