Het geheugen van de vakbeweging

Bronzen borstbeeld van Marten Mees aan de kop van de Veerhaven (Westplein) in Rotterdam. Gemaakt door Robert Jan Donker. Foto: Dik Nas.

Bankier van de Rotterdamse haven

Marten Mees (1828-1917)

MEES, Marten, liberaal bankier, geboren te Rotterdam op 24 oktober 1828 en aldaar overleden op 7 februari 1917. Hij was de zoon van Rudolf Adriaan Mees, kassier en makelaar, en Maria Elisabeth Adriana Ackersdijck. Op 4 juni 1856 trad hij in het huwelijk met Anna Hendrina van Teutem, met wie hij twee dochters en drie zonen kreeg.

Marten Mees was de jongste van elf kinderen uit het huwelijk van zijn vader met Maria Ackersdijck. Zijn moeder, overleefde de bevalling ternauwernood, maar stierf alsnog binnen een jaar aan de mazelen. Twee jaar later trouwde zijn vader met de domineesdochter Margaretha van Marken, een tante van de latere Delftse industrieel Jacques van Marken. Uit dit huwelijk werden nog vijf kinderen geboren. Mees kreeg, door haar strenge godsdienstigheid, geen innige band met zijn stiefmoeder. Het gezin, dat Nederduitsch Hervormd was, ging op zondag tweemaal ter kerke. De strenge religieuze opvoeding werkte averechts en Mees hield er een aversie aan de kerk aan over. Op z’n tiende kreeg hij last van een inwendige verzwering. De genezing verliep traag waardoor hij eerst op 14-jarige leeftijd naar het Gymnasium kon gaan, een schooltype dat enige jaren eerder de Latijnsche School had uitgebreid met de vakken: vaderlandse geschiedenis, Nederlands, Frans en Nederduitsch. Aan de Fransche School was hij slecht voorbereid op het middelbaar onderwijs, maar desondanks wist hij al in het eerste jaar in alle vakken een prijs te winnen. Ook in de jaren daarna deelden hij met twee van zijn klasgenoten, H.C. Verniers van der Loeff en J.A. Fruin, de prijzen. Na het gymnasium ging hij rechten studeren aan de Utrechtse Universiteit met handelsrecht als specialisatie. In 1854 studeerde hij magna cum laude af op het proefschrift Specimen juridicum de assecuratione in salvem navigatione guae dicitur, die hij bij uitzondering ook in het Nederlands mocht publiceren, zodat kooplieden en reders er kennis van konden nemen. In hetzelfde jaar verloofde hij zich met Anna van Teutem, een dochter van een remonstrantse dominee, met wie hij, ondanks de bezwaren van zijn ouders vanwege haar ‘dissenter’ geloof, een jaar later in het huwelijk trad. Het lag niet in de bedoeling dat Mees als jongere zoon in de zaak van zijn vader firmant zou worden. Om den brode voerde hij in Rotterdam een bescheiden juridische praktijk waar niet veel in omging zodat hij de tijd had om te schrijven. Een uitvoerig artikel over het nut en noodzaak van hypotheekbanken trok de aandacht van de Amsterdamse arts Samuel Sarphati, die juist de Nationale Hypotheekbank had opgericht. Sarpathi stelde Mees aan als agent voor Rotterdam. Door het overlijden van zijn neef Jan Rudolf Mees, die verzekeringsdeskundige was, werd Mees alsnog in zijn vaders zaak opgenomen. In 1858 werd hij medefirmant. Al spoedig reorganiseerde hij het kassiersbedrijf: voerde een modern losbladig boekhoudsysteem in, waarin transacties binnen het uur werden geboekt, in plaats van het dagenverslindende systeem van afboekjournalen, remisejournalen, kasboeken en grootboeken; ging kopieerpersen gebruiken in plaats van het handmatig kopiëren van correspondentie; maar bovenal delegeerde hij werkzaamheden aan ondergeschikten. Een firmant of handelaar moest zich niet verliezen in details, maar zijn zaken blijven overzien en uitbreiden, was de opvatting van Mees. Hijzelf vond zijn hoofdwerkzaamheden in het makelen van scheepsverzekeringen tegen averij, molest en brand, wat een grote kennis vereiste omtrent de verscheepte waren en van de risico’s op de transportroutes. Mees volgde nauwgezet de ontwikkelingen van de handel op het wereldtoneel. Om er zicht op te houden stelden hij statistieken op, die hij ook ter beschikking stelde aan de Rotterdamse Kamer van Koophandel.

In 1859 opende het Rotterdamsch Leeskabinet (bibliotheek met leeszaal) zijn deuren. De initiatiefnemers, waarvan Mees de penvoeder was, stelden in een adres:

“…kennis en beschaving moeten gelijken tred houden met onzen materiële vooruitgang. Handel zonder kennis baart voorspoed door toeval; en wanneer de behoefte aan de edeler genoegens van den geest niet wakker is, zal de weelde ons veeleer schade dan voordeel brengen. In onze stad bestaat reeds veel wat onze kennis vermeerderen kan, doch niet genoeg. Wat genoeg was voor eene stad van den tweede rang, is onvoldoende nu wij meer en meer tot den eersten zijn geklommen.”

Enige weken na het verschijnen van dit adres vond in de zaal van ’t Nut een goed bezochte vergadering plaats. De boezemvriend van Mees, de reder Hendrik Muller, voerde het woord. Hij wees op het Engelse voorbeeld van de ‘free libraries’, terwijl hij het boek On Libraries van de initiatiefnemer Edward Edwards, voor zich had liggen. De oprichters beoogden een voor iedereen toegankelijke bibliotheek. Een contributie van tien gulden per jaar kon naar hun verwachting voor niemand bezwaarlijk zijn, maar daar vergisten zij zich in. Al spoedig na de opening bleek het Leeskabinet geen instelling te zijn waar de minder gegoeden kwamen. Mees heeft later nog een plan opgesteld voor een ‘leesinrichting voor de arbeidende klasse’, die door de werklieden zelf bestierd zou moeten worden, maar daar is nooit uitvoering aangegeven. Mees maakte van aanvang af tot 1872 deel uit van het bestuur van het Leeskabinet. Na zijn aftreden werd hij tot erelid benoemd. Het Rotterdamsch Leeskabinet bleef tot 10 mei 1940 een openbaar toegankelijk, door contributies en donaties gefinancierde particuliere bibliotheek. Op die dag werd het door Duitse bommenwerpers in een rokende puinhoop veranderd. Met een gratis noodhuisvesting en door vele spontane giften aan boeken kon het Leeskabinet de Tweede Wereldoorlog doorkomen en in 1959 haar eeuwfeest vieren.

‘Het Onderling Crediet’

Dick Nas, auteur van dit artikel

Onenigheid tussen jury en inzenders van de Nationale Tentoonstelling van Nijverheid te Haarlem in 1861, was aanleiding om in Rotterdam de Vereeniging tot Bevordering van Fabrieks- en Handwerkersnijverheid op te richten. Al spoedig kwam binnen de vereniging de wens naar voren tot onderlinge kredietverlening. Mees, die om advies was gevraagd, stelde statuten op en ontwierp een administratieve organisatie. In 1865 deed de vereniging ‘Het Onderling Crediet’ haar eerste transactie. Uitsluitend kredietwaardige personen konden na ballotage lid worden van de vereniging en tegen bepaalde zekerheden kredieten opnemen. Na enige jaren met aanloopmoeilijkheden voldeed voor de middenstand de ‘onderlinge’ als kredietverlener. Mees was nog jarenlang als financieel adviseur bij de kredietvereniging betrokken. In het midden van de negentiende eeuw bestonden er in Nederland geen kredietbanken. Een koopman die zichzelf respecteert geeft wel, maar neemt geen krediet, was het motto. Bij R. Mees & Zoonen waren er begin jaren zestig geen plannen voor kredietverlening, maar wel ontwikkelde zich de gedachte om met Nederlands kapitaal een kredietbank voor Indië te stichten. In 1863 zag op initiatief van Mees en Muller de Rotterdamsche Bank het licht. Naast de beide initiatiefnemers zijn er nog 39 medeoprichters voornamelijk uit de Rotterdamse zaken- en kassierswereld. De belangstelling voor de nieuwe bank was groot. Vier van de vijf miljoen gulden aan aandelen werden gekocht door de oprichters. Het miljoen dat overbleef werd bij open inschrijving 58 keer overtekend. De directie van de nieuwe bank ging, tegen de bedoeling van de stichters in, de kassiers beconcurreren. Mees werd al spoedig een tegenstander van zijn eigen geesteskind. Er ontstond tussen hem en de directie een publieke pennenstrijd. In 1868 werd verlies geleden, wat aanleiding was om de directie in zijn geheel te vervangen. De bank kwam daarna in een rustiger vaarwater. Mees heeft niet kunnen voorkomen dat de Rotterdamsche Bank uitgroeide tot de grootste concurrent van R. Mees & Zoonen en deze verre zou overvleugelen. Hij bleef tot aan zijn dood als commissaris bij de Rotterdamsche Bank betrokken. In 1871 was Mees als adviseur ook betrokken bij de stichting van de Amsterdamsche Bank. Hij maakte bij deze bank 45 jaar lang deel uit van de raad van commissarissen.

De familie Mees was generaties lang betrokken bij de werkzaamheden van het departement Rotterdam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Overgrootvader Rudolf Mees werd in 1785, het jaar van oprichting van het departement Rotterdam, lid van de Maatschappij en volgde in 1787 Le Sage Ten Broek op als voorzitter, nadat deze vanwege zijn Patriottische gezindheid, gedwongen was naar Frankrijk te vluchten. Grootvader Gregorius Mees was in 1796 lid van een onderwijscommissie van ’t Nut die een plan ontwierp tot “algemeene deelneming aan een nuttige instelling voor onderwijs voor kinderen”, dat leidde tot de oprichting van een van de eerste Nutsscholen in ons land. Wie zesmaal per jaar drie gulden betaalde mocht op de school een kind plaatsen uit de mindere stand. Om de vorderingen van de leerlingen te volgen werd elke week een vijfde van hen ‘geëxamineerd’. Zowel uit betrokkenheid als uit zuinigheid deden de schoolbestuurders de ondervraging zelf. Grootvader Mees examineerde rekenkunde. Vader Rudolph Mees was in 1818 initiatiefnemer en tot 1866 penningmeester van de Spaarbank van het Departement Rotterdam der Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen. De instelling, die bevordering van spaarzaamheid onder de lagere standen tot doelstelling had, was een succes. De eerste dag van haar bestaan gaf ze al 120 spaarbankboekjes uit. Negen jaar later bedroeg het aantal spaarders 3400. De bestuurders meenden dat de kleine luiden tegen zichzelf in bescherming moesten worden genomen. Als rem op het opnemen van spaartegoeden kon slechtst éénmaal in de maand geld worden opgenomen en ook dan nog moest de spaarder tekst en uitleg geven waarvoor hij het geld nodig dacht te hebben. Mees, wie het een gruwel was dat de bestuurders van de spaarbank de spaarders als onmondige kinderen behandelden, waarschuwde in 1864 als eerste dat de klantvriendelijkheid en servicegerichtheid van de bank verbeterd moesten worden. In 1866 trad hij toe tot het bestuur, maar het duurde nog jaren aleer hij de nodige verbeteringen ingevoerd wist te krijgen. De relatie tussen het Nut en de bank werden lossergemaakt en tenslotte in juridische zin verbroken. Er kwamen bijkantoren waar de spaarders elke dag hun geld konden inleggen of ophalen en de naam werd gewijzigd in Spaarbank te Rotterdam en werd de grootste in zijn soort in ons land. Mees kwam ook op het idee van het schoolsparen. Met het inleggen van halfjes, centen en stuivers konden kinderen na enige tijd het genoegen scheppen in een door interest groeiend kapitaaltje. In 1874 bedacht hij, in navolging van Engeland en België, een plan voor een nationale spaarbank. Aangezien hij bezwaar had tegen de overheid als beheerder van spaargelden wilden hij de rijkspostkantoren als kassier en de samenwerkende spaarbanken als beheerder laten optreden. Het bleek niet te verwezenlijken. Mees gaf zijn bezwaar op, maakte een wetsontwerp en in 1880 kwam de Rijkspostspaarbank tot stand. In 1867 nam Mees het initiatief voor de bouw van woningen voor geschoolde arbeiders. De Eerste Maatschappij voor Burgerwoningen werd mede door hem opgericht om een voorbeeld te stellen. Hij wist het benodigde kapitaal aan te trekken waaronder een hypothecaire lening van de Spaarbank. Een groot succes werd het niet, daarvoor lagen de woningen naar de toenmalige maatstaven te ver uit het centrum van de stad. Vooral de bovenwoningen bleken moeilijk te verhuren omdat twaalf gezinnen het moesten doen met één trap en één gang. Mees en E. Jacobson verleende ieder een voorschot van ƒ20.000 om door een verbouwing aan dat euvel iets te doen. Zijn pionierswerk mocht echter geen school maken.

Wereldhaven

Willemsbrug, Rotterdam, rond 1900

De Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam bemoeide zich in de negentiende eeuw meer met de economische politiek van stad en land dan later gebruikelijk was. De Kamer bracht gevraagd en ongevraagd adviezen uit aan de raad en het college van de stad en schroomde niet om ook hun mening kenbaar te maken aan de regering. Mees was vanaf 1865 lid van de Kamer en van 1877 tot 1895 diens vicepresident. Het waren de jaren waarin Rotterdam uitgroeide tot wereldhaven. Mees ijverde zowel letterlijk als figuurlijk voor de toegankelijkheid van de haven: het verhogen van de Willemsbrug ten behoeve van een grotere doorvaarthoogte, het op diepte houden en verbeteren van de vaargeulen van de Nieuwe-Waterweg, het verbeteren en uitbreiden van de haven en de kadefaciliteiten en voor een vrijhandelspolitiek. Een groeiende haven heeft behoefte aan dokcapaciteit als service aan de rederijen. Tegen het einde van de negentiende eeuw waren de scheepswerven niet kapitaalkrachtig genoeg om zelf een dok aan te schaffen. Op aandringen van Mees kocht de gemeente in 1883 een dok en legde de Dokhaven aan. Eveneens op zijn aandringen kwam er een bergingsmaatschappij tot stand die de Nieuwe-Waterweg vrij moest houden van wrakken. De eerste jaren was de bedrijfsexploitatie positief, maar naarmate de riviermonden beter wrakvrij bleven ging het met het bergingsbedrijf minder en werd het overgenomen door L. Smit & Co. Internationale Sleepdiensten. Een rode draad in de werkzaamheden van Mees was het ijveren voor een onbelemmerde handel. Een eerste proeve van deze liberale visie is het vrijlaten van de makelaardij. Makelaars functioneerden als tussenpersonen in de handel van goederen zoals bijvoorbeeld koffie. De positie van de makelaar lag vast in een gemeentelijke verordening waarin aanstelling, aantal en bekwaamheid waren geregeld. Makelaars werden geacht te bemiddelen zonder zelf aan de handel deel te nemen. Dat verbod werd niet gehandhaafd, zodat ze in de praktijk wel handelden. In 1865 werd op voorstel van Mees door de Kamer van Koophandel een commissie ingesteld waarin hijzelf ook zitting had, naast onder meer zijn voormalige schoolgenoten: de advocaat Verniers van der Loeff en de hoogleraar Fruin. De commissie moest nagaan wat de meest wenselijke regeling was voor de makelaardij. Naar Mees zijn opvatting, als rechtzinnig liberaal, moest het antwoord zijn: geen, maar de meerderheid van de commissie wenste een aanstellingsregeling waarin een eed werd verlangd en de courtage aan een maximum was gebonden. De Kamer stemde in met het meerderheidsadvies. Mees kreeg alsnog zijn zin toen in 1868 bij wet de aanstelling van makelaars bij gemeentelijke verordening werd geschrapt. Mees is wars van elke vorm van overheidsbemoeienis en tegen protectionisme zoals het heffen van invoerrechten. Volgens hem moesten de zaken hun natuurlijke loop hebben en was het een economische wetmatigheid dat sommige takken van nijverheid afstierven om plaats te maken voor nieuwe. Overheidssteun voor noodlijdende bedrijven was in zijn ogen dan ook uit den boze. Mees koos om het beginsel van vrijhandel te verdedigen een originele weg. De verslagen van de Kamer van Koophandel, die tot die tijd oppervlakkige kronieken waren, werden vanaf 1884 door hem gebruikt als strijdschrift voor de vrijhandel en met succes, want het noopte de leden van de Kamer, zowel als andere belanghebbende in Rotterdam zich rekenschap te geven van het voor en tegen van een gevoerde handelspolitiek. De strijd in de Kamer ging in eerste instantie niet over de aard van de handelspolitiek, maar of het verslag niet waardevrij moest zijn en er dus geen stelling in mocht worden genomen. Vrijwel alle landen in Europa voerden een politiek van protectie. Nederland (met België en Engeland) vormde daarop een uitzondering. Begin jaren tachtig kwam ook in ons land opnieuw de vraag op om (hogere) invoerrechten te heffen ter bescherming van de vaderlandse nijverheid. Ook toen de Rotterdamsche Bestuurdersbond aan de Kamer vroeg of het niet billijk zou zijn om in wederkerigheid (het zogenaamde reciprociteitstelsel) invoerrechten te heffen, gaf de Kamer geen krimp en bleef onverkort vasthouden aan een onbelemmerde handel.

Kandidaat-minister

Tweemaal werd Mees gevraagd om Minister van Financiën te worden. In 1868 door het ministerie Van der Bosse-Fock en in 1870 door Thorbecke. Beide malen wees hij de uitnodiging af, omdat hij naar eigen zeggen: “…op ‘t kantoor niet gemist [kon] worden. Bovendien zou ik het treurig afgelegd hebben: niet omdat ik het werk niet zou hebben kunnen doen, maar omdat ik de gaaf van spreken nooit gehad heb.” In 1897 kreeg hij een uitnodiging om een regering te vormen, maar ook nu sloeg hij de uitnodiging af en beval met succes N.G. Pierson aan als formateur.
Op advies van Muller, die bevriend was met C.T. Stork, werden Mees, A. Vrolik en hijzelf in 1870, door de aandeelhouders van de in 1865 opgerichte Nederlandsche Katoenspinnerij te Hengelo, benoemd in een commissie om de levensvatbaarheid van de onderneming te onderzoeken. De commissie concludeerde dat het bedrijf levensvatbaar was en Mees ontwierp een plan om geld aan te trekken. Tijdens zijn verblijf in Twente ontstond een blijvende vriendschap met de familie Stork. Twee jaar later was Mees weer in Twente nu om een onderzoek in te stellen naar de weverij van C.T. Stork. De crisis in de katoenindustrie was nog volop aan de gang, maar ook nu wist Mees Stork aan het nodige kapitaal te helpen.

… Mees stond aan de wieg van wat vanaf 1896 de Holland-Amerika Lijn (HAL) zal heten. Wilde de Rotterdamse haven een rol spelen in de transatlantische stoomvaart dan kon zijns inziens niet langer worden gewacht…

Mees stond aan de wieg van wat vanaf 1896 de Holland-Amerika Lijn (HAL) zal heten. Wilde de Rotterdamse haven een rol spelen in de transatlantische stoomvaart dan kon zijns inziens niet langer worden gewacht. Voor het openen van een regelmatige scheepvaartlijn bestonden al plannen en initiatieven in Antwerpen, Vlissingen en Amsterdam. Samen met Lodewijk Pincoffs nam hij begin jaren zeventig het initiatief tot het oprichten van een stoomvaartmaatschappij op Amerika. Voor deelname wist Mees onder andere de aardappelmeelfabrikant W.A. Scholten te interesseren. Mees was president-commissaris van de vennootschap tot aan zijn dood in 1917. Met Willem Ruys en een Engelse rederij richtte Mees de Rotterdamsche Lloyd op voor een geregelde stoombootdienst op Java. De Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), de Zuid-Amerika Lijn en de Nederlandse Scheepvaart-Unie (NSU) kwamen eveneens met steun van Mees tot stand. De firma Kerdijk en Pincoffs, die aanvankelijk handelde in verfstoffen, groeide uit tot een groot bedrijf dat met eigen schepen handeldreef op Afrika en aan de mond van de Congo een factorij bezat. Pincoffs slaagde erin, als een van de weinige buitenstaanders, toegang te krijgen tot de elite van de stad. Hij werd lid van de liberale kieskring ‘Orde’, waar ook Mees lid van was, en kreeg in 1856 via een kwaliteitszetel (één zetel in de Raad was gereserveerd voor een Israëliet) zitting in de gemeenteraad. Pincoffs raakte in de stad betrokken bij zowat alles wat van enig belang was. Het lidmaatschap van de Eerste Kamer in 1872 gaf hem nog meer invloed. Op voordracht van zijn zakenvriend Mees werd hij commissaris bij de Rotterdamsche Bank.

Spoorbrug

… Mees betuigde zijn steun aan Pincoffs in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en verweet, zeker voor zijn doen weinig zakelijk, de tegenstanders ‘afgunst, godsdiensthaat of partijzucht’….

In 1855 was de spoorweg van Antwerpen naar Moerdijk tot stand gekomen. Vandaar moest men met een stoomboot verder via Dordrecht naar Rotterdam. Wilde men verder reizen dan moest men zich per diligence naar station Delftsche Poort laten brengen. Het doortrekken van het spoor van Moerdijk naar Rotterdam was dringend gewenst. Een spoor naar Rotterdam is één ding, een spoorbrug over de Nieuwe Maas nog iets geheel anders. In de beeldvorming overheerst dat uit conservatisme het gemeentebestuur en de Kamer van Koophandel tegen de komst van het spoor waren. Het was echter ingewikkelder. Er was de vrees voor concurrentie van de trein voor de scheepvaart. Huizenbezitters vreesde voor de stank en het lawaai van het ‘luchtspoor’, waardoor de waarde van hun bezit zou dalen, maar als grootste bezwaar gold de belemmering van de vrije doorvaart door een brug. De Rijksoverheid wenste een aansluiting van het spoor uit het zuiden naar Feijenoord en vervolgens over de Nieuwe Maas naar het noorden. Rotterdam wilde op Feijenoord uitbreiding van havens en haventerreinen en een treinaansluiting was daarbij welkom, maar het mocht daar dan wel ophouden. Na veertien jaar overleg werd een overeenkomst gesloten tussen het Rijk en de stad, wat voorzag in een spoorwegverbinding naar Feijenoord, die vervolgens de rivier moest kruisen en dan dwars door de stad zou gaan. De ontwikkeling van een nieuw havengebied op Feijenoord werd door deze overeenkomst mogelijk gemaakt. De aan te leggen Spoorweghaven kwam voor rekening van het rijk, de overige havens voor rekening van de stad. Het havenplan omvatte ruim tien kilometer aan nieuwe kades, tweemaal zoveel als op de rechter Maasoever. De gemeenteraad stemde in met een lening, maar weigerde een tweede lening, waardoor het plan op losse schroeven kwam te staan. Pincoffs zag een rol voor zichzelf weggelegd om de havenuitbreiding te realiseren. Hij slaagde er in een bankierscombinatie op te zetten waaraan ook Mees deelnam. De bankierscombinatie kocht voor een bedrag van drie miljoen gulden twintig procent van de aandelen van de door Pincoffs opgerichte Rotterdamsche Handels-Vereeniging (RHV), die de ontwikkeling en exploitatie van Feijenoord voor haar rekening nam. De RHV verwierf een monopoliepositie in het nieuwe havengebied. In de publieke discussie werd het handelen van de gemeente sterk afgekeurd. Men vroeg zich vertwijfeld af hoe de Kamer van Koophandel in had kunnen stemmen met een monopolie. Andere wezen op de gebrekkige financiële afspraken. Mees betuigde zijn steun aan Pincoffs in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en verweet, zeker voor zijn doen weinig zakelijk, de tegenstanders ‘afgunst, godsdiensthaat of partijzucht’. De gemeenteraad stemde in met de overeenkomst vooral uit de overweging dat er geen alternatief voorhanden was. De werken op Feijenoord kwamen tussen 1872 en 1875 tot stand. Het was Mees die als eerste doorkreeg dat het misging. In mei 1879 ontbood hij Pincoffs en kreeg te horen dat tekorten van diens Afrikaanse handelsmaatschappij waren afgedekt met middelen van de RHV. Mees schreef na deze bekentenis aan Muller: “Pincoffs, aan wien ik zoo vele jarenlang vol vertrouwen gegeven had, blijkt mij en de andere commissarissen gedurende 8 jaren grof bedrogen te hebben met valsche balansen.” Twee weken later vluchtte Pincoffs naar Amerika om vervolging en mogelijke gevangenisstraf te ontlopen. De malversaties en een economische depressie zorgden ervoor dat het handelsimperium van Pincoffs uiteenspatten en de RHV ten onder ging. Vele meer en minder vermogende Rotterdammers verspeelde hun bezit. Vooral Mees, die één-derde van zijn privévermogen had verspeeld, moest het als vriend van Pincoffs in de publieke opinie ontgelden. De gemeente werd verzocht de handelsinrichtingen over te nemen. Onbedoeld was de overname, die door bemiddeling van Mees in 1882 tot stand kwam, de start van het nu niet meer weg te denken Havenbedrijf van Rotterdam.

Nieuwe Waterweg

… het technisch interessante van het plan van Pieter Caland voor het graven van de Nieuwe-Waterweg is de veronderstelling dat de stroom de geul op de gewenste diepte zal brengen…

Het technisch interessante van het plan van Caland voor het graven van de Nieuwe-Waterweg is de veronderstelling dat de stroom de geul op de gewenste diepte zal brengen. Terwijl in 1872 de eerste schepen door de nieuwe Maasmond voeren, verdedigde Mees in de Kamer van Koophandel een voorstel om de natuur een handje te helpen en de nog bestaande ondieptes kunstmatig te verwijderen. Het bleef vooralsnog tot proefnemingen met lithograveur, een springstof die de ondieptes op moesten blazen. Caland verklaarde zich tegen het kunstmatig baggeren en het Rijk gaf geen vergunning. In de jaren daarna bleek de veronderstelling van Caland wel te kloppen, maar niet altijd op de gewenste plaats en tot de gewenste diepte. De Kamer van Koophandel trachtte, onder aanvoering van Mees, jarenlang het Rijk te bewegen voldoende middelen beschikbaar te stellen om de Nieuwe-Waterweg op diepte te brengen, maar vooral ook te houden. Als de Rotterdamse haven de motor van de Nederlandse economie is dan is de Nieuwe-Waterweg de aorta, maar in 1877 dreigde deze te verkalken. Door aanslibbing werd de geul te ondiep voor grotere schepen en de rederijen overdachte reeds waar zij hun schepen voortaan naar toe zouden sturen. Mees luide namens de Kamer van Koophandel de noodklok en trad in overleg met minister Heemskerk. Er werden middelen ter beschikking gesteld om te baggeren, maar die waren onvoldoende. Door het Rijk werden de middelen afhankelijk gesteld van de verdere toekomstplannen van de havenstad. Bedoeld werden de werken op Feijenoord en de doortrekking van het spoor. Eind 1879 weigerde de Tweede Kamer verder middelen beschikbaar te stellen en het baggeren hield op. Eerst in 1882 werd overeenstemming bereikt over het op diepte brengen van de Nieuwe-Waterweg. Het Rijk stelde voldoende middelen beschikbaar maar de gemeente moest ook bijdragen om de geulen van de Maasmond permanent op diepte te houden.

Mees mocht graag te paard lange ritten in de natuur maken, vaak met Muller, waarmee hij al rijdend over zaken sprak. In 1879 richtten ze samen de Rotterdamse afdeling op van de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren. Aanleiding was misbruik van paarden die te vaak de overladen trams moesten trekken. Uit eigen middelen betaalde hij de aanleg van openbare drinkfonteinen en drenkplaatsen voor paarden en trekhonden. Uit het oogpunt van volksgezondheid werkte Mees mee aan de totstandkoming van de gemeentelijk drinkwaterleiding (DWL), die in 1874 van start ging met de distributie van goed drinkwater.

Op sociaal-maatschappelijk gebied huldigde Mees het standpunt dat het geen overheidstaak was de nadelen voor werknemers bij werkvermindering of bedrijfssluiting op te vangen. Waar het misging vond hij het billijk dat particulieren een gedeelte van hun kapitaal gebruikte om de nood te lenigen, omdat niet mocht worden toegelaten, dat werklieden broodgebrek leden. Het in 1871 opgerichte Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) kreeg dankzij Mees in Rotterdam een vergaderlokaal waar ook cursussen konden worden gegeven. Hij hoopte dat meer kennis de werkman zou wapenen tegen de drogredenen van de socialisten, die dan ook als spreker in het lokaal niet werden toegelaten. Bij de ingebruikname van het lokaal sprak Mees onder meer: “Met de lusten klimmen de lasten; naarmate men meer bezit, is men ook verplicht meer voor anderen te doen.” en “men gevoelt zich gelukkiger naarmate men meer voor anderen gedaan heeft.” Mees, die een redelijk werkgever was die zijn bedienden iets beter betaalde dan de andere banken, was voorstander van vakverenigingen. Hij schreef naar aanleiding van de bootwerkerstaking in 1889 in De Economist:

“De alleenstaande werkman is dus meestal onmachtig tegenover zijn patroon. Hij moet trachten gedaan te krijgen, dat zijn vakgenooten niet zijn plaats innemen, als hij hooger loon vraagt. Dat de werklieden zich vereenigen, om te trachten hun toestand te verbeteren, is dus voor hen noodig.”

… met B.H. Heldt, de voorzitter van het ANWV, was Mees van mening: “Goed georganiseerde vakvereenigingen bevorderen de werkstakingen niet, maar voorkomen ze”. ..

Als bijkomend voordeel zag hij de mogelijkheid, dat werklieden middels hun vereniging kennis zouden opdoen en zo zich wapenden tegen “schoonschijnende theoriën”. Met B.H. Heldt, de voorzitter van het ANWV, was hij van mening: “Goed georganiseerde vakvereenigingen bevorderen de werkstakingen niet, maar voorkomen ze”. Stakingen vond hij geoorloofd, maar eerst nadat alle mogelijkheden om in overleg eruit te komen waren mislukt. Mees had regelmatig contact met de afdeling Rotterdam van het ANWV en werd uit waardering voor zijn arbeid zelfs tot erelid verkozen. In 1882 werd in Rotterdam de vereniging van handelsbedienden Mercurius opgericht met als voornaam doel het instellen van praktijkexamens voor talen en boekhouden. In 1883 konden de eerste examens bij 36 kandidaten worden afgenomen. Twintig jaar later waren dat er 4660. Het zogenaamde ‘Mercurius-diploma’ werd in kantoorkringen een begrip. Mees toonde veel interesse voor de Mercurius-opleidingen en hij was een van de twaalf commissarissen die medewerking verleende aan het oprichten van de vereniging. Werkgevers stelden het op prijs op als hun kantoorpersoneel werd toegelaten tot het lidmaatschap. In 1888 werden pogingen in het werk gesteld om een pensioenverzekering voor kantoorbedienden tot stand te brengen. Mees werd samen met andere ‘heren’ gevraagd zitting te nemen in een commissie ter voorbereiding van het fonds. Overeenkomstig het advies van de commissie komt op 4 april 1889 het Handelsbediendenfonds tot stand. In de eerste jaren van de twintigste eeuw ging Mercurius zich meer ontwikkelen tot een vakorganisatie. De commissarissen besloten collectief om aftetreden. Mees, die de penvoeder was van de zeer vriendelijke brief waarin het aftreden wordt meegedeeld, kon vanuit zijn werkgeverspositie onmogelijk toezichthouder blijven van een vereniging die meer vanuit een visie van belangentegenstelling gaat opereren.

Havenstaking

Tijdens de havenstaking van 1889 vonden ongeregeldheden plaats. De burgemeester vond onvoldoende aanleiding om maatregelen te nemen. Mees nam per telegram contact op met de Commissaris van de Koning, waarmee hij bevriend was, om te melden dat de zaken een bedenkelijk karakter hadden gekregen. Nog dezelfde dag kwam de waarnemend commissaris naar Rotterdam en had als eerste een onderhoud met Mees. Wat er precies is besproken is niet bekend maar spoedig daarna is er sprake van een proclamatie tegen samenscholingen. De volgende dagen werd er gepatrouilleerd door de schutterij en door mariniers, terwijl er kanonneerboten door de havens voeren. Het was de Kamer te doen om te zorgen voor rust en de mogelijkheid voor bedrijven in vrijheid te kunnen werken. De meeste leden van de Kamer waren doordrongen van de noodzaak dat de arbeidsverhoudingen in de haven moesten worden hervormd. Reeds in 1887 verscheen een circulaire van het ANWV tegen de lange arbeidsduur en het uitbetalen van de lonen in de kroeg. Mees, die zelf graag een glas wijn dronk, was niet blind voor het drankgebruik onder de bootwerkers en de vloek van het uitbetalen van het loon in de kroeg. Samen met enige vrienden liet hij in 1889, gefinancierd door verschillende Rotterdamse cargadoors, het Afbetalings-lokaal bouwen, waardoor het loon uitbetaald kon worden buiten de dranklokalen.

Het bankiershuis R. Mees & Zoonen was van aanvang af betrokken bij de ontwikkeling van de door Jacques van Marken, de eerste afgestudeerde ‘technoloog’ te Delft, gestichte gistfabriek. Ze hielpen het bedrijf door de eerste moeilijke jaren heen. Hoewel slechts aangetrouwd beschouwde de familie Mees Van Marken als een volwaardig familielid. Tot eind negentiende eeuw waren eerst de broers en daarna de zoons van Mees commissaris bij de gist- en later ook bij de olie- en de lijmfabriek in Delft. Mees werd in 1896 commissaris en later president-commissaris van de Gist & Spiritusfabriek. Mees was geen onverdeelde bewonderaar van Van Marken. In een brief aan D.W. Stork, eveneens commissaris bij de Gist & Spiritusfabriek, noemde hij de gebreken van Van Marken: “wat dweepzucht, wat ijdelheid en wat vrees”. Ook de opzet van het Agneta-park kon hem niet bekoren. Heren en arbeiders moeten niet bij elkaar gaan wonen, de laatste zullen zich op de vingers gekeken voelen, was zijn mening.

Mees trof het erg ongelukkig met zijn opvolging in het familiebedrijf. In 1893, het jaar dat hij vijfenzestig werd, trok hij zich terug ten faveure van zijn oudste zoon Hendrik. Henri, zoals hij werd genoemd, werd in 1866, na de voltooiing van zijn rechtenstudie, in het bedrijf opgenomen als firmant. Hij stierf onverwachts in 1895. Joan, de jongste zoon die Job werd genoemd, was zijn eigen werf begonnen, de nog bestaande bokkenrederij Bonn en Mees, en voelde niets voor het bankbedrijf. Hij liet zich overhalen, maar hield het al na drie maanden voor gezien. De middelste zoon, Rudolph Adriaan, die zich in dienst van Ruys en Co. had ontwikkeld tot zakenman, kreeg in 1901, na een degelijke inwerkperiode de leiding over de bank. Hij overleed binnen een jaar na zijn aanstelling. Noodgedwongen pakte Mees de werkzaamheden bij de bank weer op en bleef leidinggevend firmant tot in 1909. Op eenentachtigjarige leeftijd droeg hij schoorvoetend de leiding over aan de door hem in 1897 als medefirmant aangestelde buitenstaander Georg Herman Hintzen en aan Job en enige neven. Hij behield een lessenaar op kantoor om de boel in de gaten te houden.

De Economist

Het latere Tweede Kamerlid J.L. de Bruyn Kops, schreef in 1850 het eerste leerboek voor de toen nog prille wetenschap der economie en richtte in 1853 het tijdschrift De Economist op. Hij voert 33 jaar lang in z’n eentje de redactie van het tijdschrift. Na zijn overlijden in 1888 werd een redactieraad ingesteld onder wie Pierson en Mees, die al vele artikelen en ingezonden stukken op zijn naam had staan in de Nieuwe Rotterdamse Courant, de Rotterdamsche Courant, het Handelsblad en De Maasbode, maar ook in tijdschriften als De Scheepvaart, Rotterdamsch Weekblad en De Zee. In 1868 publiceerde Mees voor het eerst in De Economist. Vanaf 1888 zijn in de rubriek ‘Economische nalezingen en berichten’ tientallen niet ondertekende bijdragen van zijn hand te vinden. Voor het tijdschrift schreef hij 47 ondertekende artikelen, waarvan de meeste tussen 1891 en 1898. Met het artikel ‘Is het wenschelijk, dat door de Nederlandsche Bank meer goudgeld in circulatie wordt gebracht?’, sloot Mees zijn journalistieke werk af. Mees en zijn vrouw verbleven in hun laatste levensjaren veelal op hun zomerverblijf in het Gelderse Eefde. Ze genoten van het mooie Gelderse landschap waarin ze vrijwel dagelijks een wandeling maakten. De Eerste Wereldoorlog vervulde Mees vol afschuw. Hij schreef eind 1915: “Akelig is toch die oorlog, en het verlies van al die menschenlevens. Dit is nog heel wat erger dan het wegsmijten van al die millioenen in geld.” Als zij hun diamanten bruiloft vieren schenkt Mees aan de twee scholen in Eefde een som geld. Jarenlang kon uit dit fonds elke nieuwe leerling een spaarbankboekje worden geschonken met het beginsaldo van één gulden. Tot op het laatst bleef Mees zijn liefde voor het sparen dus trouw.

Dik Nas

Mei / juni 2019

Geraadpleegde literatuur

 Archieven: Archief Marten Mees in: Stadsarchief Rotterdam

Publicaties: (behoudens genoemden) Bedenkingen tegen het vonnis van het hof van Zuid Holland inzake Balguerie & Zoon ca. Ericson (1855); ‘Over de gebruikelijke Contracten van Beleening’, in: Nieuwe Bijdragen voor Rechtsgeleerdheid (1855); Grondcrediet en hypotheekbanken (1855); ‘Société Générale du Crédit Mobilier’, in: Nieuwe Rotterdamsche Courant (24 juli 1855); Over het afstand doen van scheepsaandeelen (1859); ‘Nederlandsche Hypotheekbank’, in: Nieuwe Rotterdamsche Courant (10 december 1860); Een woord over de verzekering op granen (Rotterdam 1863);  ‘Crediet-Instellingen in België’, in: Nieuwe Rotterdamsche Courant (26 november 1865); Plan tot uitbreiding van de Spaarbank te Rotterdam (Rotterdam 1866); De uitbreiding van de Spaarbank te Rotterdam in verband met haar vijftigjarig bestaan (Rotterdam 1868); ‘Uitgaven en ontvangsten der gemeente Rotterdam’, in: Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje (1869) p. 1-27; Een woord over de belasting op inkomen (1879); Bedenkingen tegen Effectenbelasting (1879); Geschiedenis van de stoomvaart van Nederland op Amerika’, in: Tijdschrift der Zee (1883) p. 3-15; ‘Tegenwoordige staat van handel en scheepvaart’, Rotterdam in den loop der eeuwen (Rotterdam 1909) 4e deel, 2e stuk;

Literatuur: Hengelosche Fabrieksbode Nr. 6 (24 oktober 1908), Nr. 23 (10 februari 1917);  ‘Mr.M. Mees †‘  Algemeen Handelsblad (8-2-1917);  ‘Mees †‘ in Weekblad gewijd aan de belangen van Rotterdam (10 februari 1917); ‘Mr. Marten Mees’ Nieuwe Rotterdamsche Courant (24-02-1917); C.F. Stork, ‘Ter herinnering aan Mr. M. Mees’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (Rotterdam1918) p. 114-118; J.H.W. Swellengrebel, De Spaarbank te Rotterdam gedurende een eeuw 1818-1918; C.F. Stork en J. Stork, C.T. Stork in zijn leven en werken geschetst 1822-1895 (Hengelo 1918) p.51-54; M.G. de Boer, De Holland-Amerika Lijn 1873-1923 (Rotterdam 1923) p. 14, 20, 73-74, 95; Kamer van Koophandel en Fabrieken Rotterdam 1803-1928 (Rotterdam 1928) p.  354, 368, 432-436, 438, 447, 449, 451, 455-458, 470, 477-489, 492-500, 506-533, 536, 567-568, 628-632, 637-665; Jac. Bakker, Mercurius gedurende een halve eeuw (Leiden 1932) p. 15, 21, 24, 25, 30, 43, 45, 47, 48, 75; W.C. Mees, Man van de daad. Mr. Marten Mees en de opkomst van Rotterdam (Rotterdam 1946); J.E. van der Pot, Honderd jaar Rotterdamsch Leeskabinet 1859 – 24 mei – 1959 (Rotterdam 1959) p. 9-26; J.E. van der Pot, Het departement Rotterdam der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 1785-24 augustus-1960 (Rotterdam 1960) p. 23-24, 40-44; H. Muller, Muller. Een Rotterdamse zeehandelaar Hendrik Muller Szn (1819-1898) (Schiedam 1977) p. 162-167, 217-218, 220, 226, 229, 247-249, 269-273, 282-283, 285, 303, 306, 309-319, 328-329, 332-340, 341-346, 352, 357-358, 395, 415; W.F. Lichtenauer, ‘Mees, Marten (1828-1917)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979); W. Wennekes, ‘Mr. Marten Mees [1828-1917]’in: De Aartsvaders. Grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven (Amsterdam 19944) p. 107-139; N. Guns, Holland Amerika Lijn. Beknopte geschiedenis van een rederij (Zutphen 2004) p. 9-13; P. van Laar, Stad van formaat. Geschiedenis van Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw (Zwolle 20072) p.22, 38, 81-89, 108, 142, 156, 167, 168, 268; J.U. Brulsma, Havens, kranen, dokken en veren. De Gemeentelijke Handelsinrichtingen en het Havenbedrijf der gemeente Rotterdam, 1882-2006 (Utrecht 2007) p. 45-47, 108, 130;