Het geheugen van de vakbeweging

Moet de vakbeweging zich bezinnen op het gevolgde beleid?

Wending in loonstrijd en loonontwikkeling ?

Rapport De Burcht over Loonstrijd en loonontwikkeling, van Sjaak van der Velden, uit 2016

Aan de vooravond van Prinsjesdag 2017 brengt de vakbeweging als gebruikelijk haar plannen met betrekking tot het arbeidsvoorwaardenbeleid naar voren. Tal van pleitbezorgers van het ‘gematigd loonbeleid’ uit het recente verleden – zoals De Nederlandsche Bank (DNB) en het Centraal Plan Bureau (CPB) geven nu aan dat het goed is voor de economie dat er een flinke loonsverhoging komt. De economische ruimte zou er ook voor zijn. Alle aanleiding voor de besluitvormers over de het arbeidersvoorwaardenbeleid of zich af te vragen of er een betekenisvolle wending moet worden gegeven aan de inzet voor de loonstrijd. Als leidraad kan daarbij gelden het rapport Loonstrijd en loonontwikkeling, dat in 2016 door Sjaak van der Velden in opdracht van De Burcht, het wetenschappelijk bureau van de FNV is opgesteld.

Zijn aanbevelingen zijn:

  • Keer terug naar de oorspronkelijke doelstellingen van de vakbeweging, het behartigen van de belangen van werknemers als groep, inclusief de werklozen, zieken en gepensioneerden.
  • Richt een eigen economisch-statistisch bureau op dat de officiële prognoses van CBS en CPB kritisch analyseert.
  • Accepteer niet langer de mainstream economische analyse, maar zoek naar benaderingswijzen die het belang van de factor arbeid voorop
  • Gebruik de loonquote voor berekening van de factor arbeid in de maatschappij in plaats van de arbeidsinkomensquote.
  • Gebruik historisch besef in de beleidsvorming zodat ook lange termijn doelen een rol in het beleid kunnen spelen.
  • Zet in op herstel van de verslechteringen van de afgelopen vier decennia in het aandeel van de werkende en zieke, arbeidsongeschikte, werkloze en gepensioneerde werknemers in de economie.

Voorwoord

Paul de Beer, directeur van De Burcht

“Van tijd tot tijd laait de discussie over de loonmatiging weer op”, schrijft Paul de Beer, directeur van De Burcht, in het Voorwoord. “Sinds het roemruchte Akkoord van Wassenaar uit 1982 geldt loonmatiging als een van de centrale ingrediënten van het succes van het poldermodel. Dat de lonen – aanvankelijk in ruil voor arbeidstijdverkorting – zo langdurig zo sterk gematigd zijn, zou een belangrijke verklaring bieden voor de sterke werkgelegenheidsgroei sinds het midden van de jaren tachtig. Daardoor werd Nederland van de ‘sick man’ van Europa uiteindelijk het ‘job miracle’ van de jaren negentig.
Er zijn echter ook altijd critici geweest van het recept van loonmatiging. Zij stellen dat loonmatiging een rem zet op innovatie, de bestedingen drukt en Nederland tot een lagelonenland maakt. Sinds het uitbreken van de laatste crisis wordt het feit dat loonmatiging nu in veel Europese landen wordt gepraktiseerd, wel als reden gegeven waarom de Europese economie zo traag uit het dal klimt: de consumenten houden de hand op de knip.
De vakbeweging heeft lange tijd het principe van een verantwoorde loonontwikkeling onderschreven, dat wil zeggen dat de (reële) lonen niet sterker mogen stijgen dan de arbeidsproductiviteit, zodat de verhouding tussen arbeids- en kapitaalinkomen constant blijft. De laatste jaren neemt echter de twijfel toe of deze formule voor de loonruimte nog wel voldoet, te meer daar de arbeidsinkomensquote – het aandeel van het arbeidsinkomen in het bruto binnenlands product – de afgelopen decennia geleidelijk is gedaald.
In dit rapport belicht Sjaak van der Velden de kwestie van de loonontwikkeling van verschillende kanten. Hij bespreekt de verschillende theoretische perspectieven op de relatie tussen loon en werkgelegenheid. Hij beschrijft de ontwikkeling in het denken over en de praktijk van de loonontwikkeling in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog. Hij analyseert tijdreeksen over lonen en werkgelegenheid sinds 1971 en probeert vast te stellen of loonmatiging inderdaad tot meer banen en werkgelegenheid heeft geleid. Aangezien die relatie volgens hem erg zwak is, is er alle reden om de huidige loonruimteformule van de FNV te herzien. In het slothoofdstuk presenteert hij dan ook een nieuwe loonformule.
Je hoeft deze alternatieve loonformule niet per se te onderschrijven om het met Van der Velden eens te zijn dat er alle reden is voor een (hernieuwde) discussie over de loonontwikkelingen. Ook wie meent dat loonmatiging lange tijd vooral positieve effecten heeft gesorteerd, dient zich af te vragen of dit nu en in de toekomst nog steeds het geval is en zal zijn. Ik hoop dat deze publicatie van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging de discussie over loonvorming niet alleen in de vakbeweging, maar ook daarbuiten, een nieuwe impuls zal geven.”

Inleiding

Sjaak van der Velden, auteur van het rapport Loonstrijd en loonontwikkeling (2015)

“In discussies over de gewenste loonstijging verwijzen economen en politici, maar ook vakbondsbestuurders, vaak naar een economisch mechanisme”, schrijft Sjaak van der Velden in zijn inleiding bij het rapport. “Als de lonen te hard stijgen zal dat volgens deze economische theorie bijna vanzelf leiden tot hogere werkloosheid. Het lijkt dus niet wijs als de vakbeweging bij de jaarlijkse loononderhandelingen te veel eist, want de eigen leden die nu een voordeel behalen zijn ook degenen die door werkloosheid kunnen worden getroffen. En als we willen dat er meer banen bijkomen, dan is het verstandig om de lonen niet te hard te laten stijgen.
Soms zijn er dissidente stemmen die de bewering van die economische theorie betwisten, maar meer dan een vrijblijvende discussie wordt het over het algemeen niet. Iedereen lijkt er uiteindelijk van overtuigd dat de economie als wetenschap zulke sterke papieren heeft dat het geen zin heeft deze aan te vechten. Zelfs economen die met alternatieve ideeën komen, krijgen geen voet aan de grond. De theorie lijkt zo stevig in haar schoenen te staan dat vrijwel alle kritiek van haar afglijdt. Het is immers de theorie die altijd op zoek gaat naar economische groei en dat is goed voor iedereen, vindt men.(noot) De vraag hoe die welvaart of economische groei over de burgers of sociale groepen is verdeeld, is voor deze economen een politieke vraag die buiten hun gezichtsveld blijft.
In dit rapport dat ik voor De Burcht, het wetenschappelijk bureau voor de vakbeweging, heb mogen schrijven, onderzoek ik als sociaaleconomisch historicus of de heersende theorie, ook wel het standaardmodel genoemd, inderdaad klopt. De gevolgde aanpak is de volgende. Naast een onderzoek naar de theorievorming en de historiografie van het Nederlandse loonbeleid zijn diverse statistieken geraadpleegd die sinds 1945 door CBS en CPB zijn gepubliceerd. Om het beeld concreter te maken en goed voor ogen te krijgen heb ik ook een aantal personen geïnterviewd die me hopelijk meer inzicht konden geven in deze materie. Het gaat om Aldert Boonen (sociaaleconomische beleidsadviseur FNV), Chris Driessen (beleidsadviseur FNV, SER-lid), Laurens Harteveld (beleidsadviseur AWVN), Mariëtte Patijn (lid dagelijks bestuur FNV en SER-lid). Geert Reuten (emeritus hoogleraar economie UvA en voormalig SP-senator) en Pieter Verhoog (directeur Sociale Zaken Centraal Bureau Levensmiddelen). Het interviewen van betrokkenen is in meerdere opzichten verhelderend, zo bleek maar weer, omdat duidelijk wordt dat zij vanuit hun functie noodgedwongen terughoudend zijn. Ik wil hen graag danken voor hun bereidheid hun inzichten met mij te delen.
Daarna heb ik deelrapporten geschreven die later in hoofdstukken uitmondden. Dat is tenslotte dit rapport geworden dat als volgt is opgebouwd. Eerst geef ik een overzicht van de economische theorie over de relatie tussen loonontwikkeling en werkgelegenheid. In de hoofdstukken 2 en 3 volgt een uitgebreide historische beschrijving van de ontwikkelingen in Nederland, waarbij veel aandacht wordt gegeven aan de politieke constellatie waarbinnen de economie zich ontwikkelde. In hoofdstuk 4 staat een meer kwantitatief overzicht van diezelfde ontwikkelingen en worden de data statistisch geanalyseerd. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan een evaluatie van het voorgaande en bevat aanbevelingen voor de toekomst die hopelijk van  nut zijn voor de vakbeweging. Lezers die worden afgeschrikt door statistische exercities kunnen hoofdstuk 4 overslaan zonder dat dit het algemene beeld aantast.
De hoofdstukken 1 tot en met 5 ( ja, ook 4) heb ik getracht leesbaar te presenteren en om die reden is een aanzienlijk deel van de presentatie en analyse van het cijfermateriaal neergelegd in een aantal bijlagen bij dit rapport. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen en literatuur sluit het rapport af.
Een disclaimer is hier misschien nog wel op zijn plaats. In dit rapport heb ik vooral de ontwikkelingen op macro niveau beschreven en geanalyseerd. Dat heeft te maken met de beperkte tijd die beschikbaar was en met het feit dat de discussie zich zeer vaak op dat niveau afspeelt. Dus aan zeker ook prangende kwesties als het jeugdloon of het vaak geconstateerde loonverschil tussen mannen en vrouwen die hetzelfde werk verrichten, wordt voorbijgegaan. Hetzelfde geldt voor ZZP’ers, over wie een discussie gaande is of er geen minimumtarief moet komen; in hun eigen belang maar ook in dat van de werknemers opdat zelfstandigen niet onder de gangbare tarieven kunnen duiken. Deze groepen komen nauwelijks aan bod, al worden ze een enkele keer zijdelings genoemd.”

Noot

Barbara Baarsma (hoogleraar markwerking UvA), Economen zijn geen harteloze misantropen. De enige waarde die de economie oplegt, is dat meer welvaart beter is dan minder welvaart, De Volkskrant 8 november 2014.

Raadpleeg het volledige rapport

En de bijlagen