Het geheugen van de vakbeweging

Lodewijk de Waal: “Solidariteit van Stikker en Kupers was ongebruikelijk maar kende een scherpe blik op het welbegrepen eigenbelang…”

Polderakkoorden beoordelen in de context van het moment

Lodewijk de Waal – Wheelen en dealen ligt in onze aard

Het poldermodel; ik heb er veel lezingen over gegeven, ben de wereld rondgereisd toen het eind jaren ’90 een internationale hype werd: Japan (3x), Korea, Spanje, Chili, Duitsland, Zuid Afrika, Guatemala, noem maar op. Maar steeds aangegeven dat het niet een model zonder problemen is, en dat het moet passen in de cultuur en sociaal economische omstandigheden van een specifiek land. En ook in Nederland heeft het zo zijn problemen vanuit werknemersperspectief, en zijn er typische culturele en specifieke sociaal economische achtergronden. En in de tijd varieert ook het functioneren van het model en de resultaten die het oplevert. En polderakkoorden moet je altijd beoordelen in de context van dat moment.

Even een duik in de verre geschiedenis. Vaak wordt gedacht dat de achtergrond van ons overlegmodel ligt in de waterschappen; die moesten wel samenwerken om het water de baas te worden. Ik heb altijd meer gezien in de verklaring dat we een (klein) handelsland zijn. We zijn uit op winst, en willen de relatie met onze handelspartner goed houden om de volgende keer ook weer winst te maken. Wheelen en dealen ligt zo in onze aard.

Evert Kupers, NVV-voorzitter, ondergedoken in huize werkgeversvoorman Stikker

De verhouding tussen werkgevers en werknemers is al lang, in internationaal verband gezien, een bijzondere. Ik vind de relatie tussen de voorman van het NVV (Kupers) en de voorman van de werkgevers (Stikker) al wel heel bijzonder, en een voorbode van de samenwerking in de naoorlogse herstelperiode. Ik citeer Stikker: “kort na de opheffing van de werknemersorganisaties kwam Kupers bij ons op kantoor. Uit het gesprek bleek dat tal van oud-bestuurders van het NVV in persoonlijke moeilijkheden verkeerden. Ik wist onmiddellijk wat mij te doen stond: de werkgevers hadden hun eigen mensen geholpen en het was volkomen normaal dat ik ook zou trachten het ontbonden NVV van middelen te voorzien”. Stikker realiseerde zich wel dat het hem later ook goed uit zou komen. Ik citeer weer: “…ervoer het NVV – dat in vroeger jaren dikwijls een strijdorganisatie tegen het grootbedrijf was geweest – dat nu juist dat grootbedrijf zich onmiddellijk geroepen voelde de moeilijkheden voor het geheim voortzetten der organisatie op te vangen”. Ik heb eens gesproken met de zoon van Stikker, die vertelde dat Kupers zelfs ook ondergedoken heeft gezeten in een huis van Stikker; wel de laatste plek waar de Duitsers hem zouden zoeken… Solidariteit die ongebruikelijk was, maar met een scherpe blik op welbegrepen eigenbelang…

‘Grote uitruil’

Direct na de oorlog kwam de Stichting van de Arbeid tot stand, kwam het tot de “Grote Uitruil”  (zeggenschap op centraal niveau en niet op het niveau van de onderneming) en werd de geleide loonpolitiek ingevoerd: een heel bijzondere vorm van samenwerking in de driehoek overheid/vakbeweging/werkgevers. Een paar jaar later kwam ook de Sociaal Economische Raad (SER) tot stand, waar door de Kroon benoemde leden wetenschappelijke inzichten konden inbrengen, en vaak een brug vormden (een enkele keer ook wel een belemmering) tussen werkgevers en werknemers.

Onderschat de rol van zo’n institutionele vormgeving van het overleg niet. Het betekent veelvuldig contact, uitwisseling van argumenten en er ontstaan ook persoonlijke relaties die informeel overleg mogelijk maken.  Eigenlijk is het ook heel moeilijk lang boos op elkaar te blijven als je steeds door de instituties gedwongen wordt elkaar te ontmoeten. Wat ook helpt is dat het een klein overzichtelijk land is. je komt elkaar steeds weer tegen. Soms wordt er ook over het Deense of Finse model gesproken; ook kleine overzichtelijke landen. Wellicht werken alle modellen beter in kleine landen…

Kroonleden

Even een moment terzijde voor een kritische noot over de rol van de kroonleden in de SER. Ze moeten worden benoemd om hun wetenschappelijke kennis, met een half oog op hun politieke kleur. Ik heb dat zien veranderen: politieke kleur werd belangrijker dan de wetenschappelijke inhoud. Zo kon Robin Linschoten bijvoorbeeld kroonlid worden in de tijd dat ik in de SER zat. Een ernstige vergissing, zoals bleek toen een WAO-advies werd uitgebracht en hij de politieke kaart trok. Hoe politieker de kroonleden, des te minder ze de brugfunctie kunnen vervullen. Ik vind overigens dat we, ook in tijden van falend overleg, zuinig moeten zijn op die instituties als SER en STAR. Het zijn platforms voor ontmoeting en uitwisseling die internationaal gezien vrij uniek zijn.

Welvaartsplan

Even terug naar de geleide loonpolitiek. Die heeft zeker bijgedragen aan een redelijk snel herstel van de economie, de wederopbouw, dus hier was de samenwerking zeker succesvol. Het NVV probeerde daarnaast invloed uit te oefenen op macroniveau, bijvoorbeeld met het Welvaartsplan (1949). Dat plan greep terug op het Plan van de Arbeid (1935). Men beperkte zich daarbij niet tot werknemersbelangen: “uitdrukkelijk zij echter vastgesteld, dat getracht is, richtlijnen te trekken voor een politiek, die niet alleen voor de werknemersgroep, maar voor het gehele Nederlandse volk groter bestaanszekerheid en een hoger levenspeil mogelijk maakt”. Voor het overgrote deel van de vakbeweging is dat rekening houden met het algemeen belang, steeds een belangrijk aspect van de koers geweest. Dat maakt het functioneren in het overlegmodel ook gemakkelijker.

Toen de welvaart toenam, ontstond, zoals bekend, ook van onderop de druk om de loon-teugels te laten vieren. Men eiste zijn deel van de welvaart op. Bladerend in het krantenarchief van de Dienstenbond FNV kwam ik eens een tekenende foto tegen: een jongeman met vetkuif werd gefotografeerd met een brommer, kunstschaatsen om de nek, en als onderschrift: “wij willen ook ons deel van de welvaart’… Het waren bescheiden eisen, maar de druk van onderop leidde er wel toe dat  loonvorming het primaat van de STAR werd, en dat de regering loonmaatregelen achter de hand hield. We spreken rond 1970, en er was onrust op alle fronten: havenstakingen, forse loonsverhogingen, en een loonmaatregel. Ik werkte bij de verzekeringsmaatschappij RVS en beleefde daar mijn eerste stakingsdag (1971). Als kaderlid van Mercurius (later de Dienstenbond FNV) wist ik van geen poldermodel: mij ging het om behoud van de automatische prijscompensatie, en zo is het natuurlijk nog (behalve dan dat de apc niet meer bestaat) voor veel kaderleden nog steeds.

Akkoord van Wassenaar

De economie verslechterde in de rap tempo: het begrotingstekort liep op, de werkloosheid kwam in de dubbele cijfers. De instituties konden moeilijk greep krijgen op de situatie: de vakbeweging was sterk, maar niet sterk genoeg om hun oplossingen voor de werkloosheid door te drijven zoals arbeidsduurverkorting, en de werkgevers waren niet sterk genoeg om de lonen onder druk te zetten. Een poging om tot een overeenstemming te komen (1979) mislukte, maar lukte, een behoorlijke stijging van de werkloosheid en daling van het ledental verder, werd alsnog het roemruchte akkoord van Wassenaar gesloten. Het akkoord staat nu bekend als vlaggenschip van het poldermodel, maar dat was het voor mij (ik was inmiddels bestuurder bij de Dienstenbond) helemaal niet. Anderhalve pagina vage tekst, waaruit alleen duidelijk werd dat we de lonen moesten matigen. Ik stemde tegen in de ledenraadpleging van de Dienstenbond. Was het, achteraf bezien toch een goed akkoord, en zoals velen beweren, het ijkpunt voor wat later de naam “poldermodel” kreeg? In de 90-er jaren kwamen er hordes Japanners op bezoek om het akkoord van Wassenaar te doorgronden en er van te leren. De ruil tussen loon en ADV (die kwam er wel al stond het niet zo duidelijk in de tekst van het akkoord) leidde zeker tot banen (vooral baantjes) en vergemakkelijkte de opkomende arbeidsparticipatie van vrouwen. De economie herstelde, dus dat was de succesvolle kant. Minder op jet Japanse netvlies stond dat er grote onrust in de collectieve sector ontstond door de loondruk voor (semi-)ambtenaren. Grote acties in de collectieve sector, en een over het geheel afkalvend ledental in de marktsectoren. De dienstensector groeide als kool, werd belangrijker in de economie en de bonden in die sector groeiden wel, maar konden de organisatiegraad van het geheel toch niet op peil houden.

Dat brengt ons op een kritisch punt van het poldermodel. Is overleg in het “algemeen belang” (vgl het citaat uit het Welvaartplan) wel goed voor de organisatiegraad. Is strijd niet wervender? Of is een juiste combinatie van beiden, en een uitgekiende marketingstrategie de oplossing?

Johan Stekelenburg: Grote zorgen over Paars I

Ik maak even een sprong in de tijd: naar 1994, het eerste Paarse kabinet. Ik was inmiddels lid van het FNV-federatiebestuur en cao-coördinator. Johan Stekelenburg maakte zich grote zorgen over dat kabinet. De relatie met de PvdA (denk aan de wao-crisis) had grote schade opgelopen. De VVD was sowieso geen bondgenoot en D66 vond dat het maatschappelijk middenveld maar in de weg zat tussen kiezer en gekozene… dat kon nooit wat worden. Het overleg stond in de STAR op een laag pitje: zo laag dat Niek Jan van Kesteren het zwemvest-model voorstelde: de bemensing van de STAR terug te brengen, tot er betere tijden zouden aanbreken. Het was in die tijd dat ik ook voor het eerst de term ‘poldermodel’ hoorde; uit de mond van Frits Bolkestein, die het met een vieze trek om de mond uitsprak: uit de klei getrokken zinloos overleg… Er was overigens wel een incident dat een zekere vertrouwensbasis tussen werkgevers en werknemers opleverde. Als erfenis voor een volgend kabinet had minister Bert de Vries (SZW) een selectieve aanval op het algemeen verbindend verklaren (avv) voorgesteld, dat een topambtenaar nog even snel langs Ad Melkert, de nieuwe minister, probeerde te loodsen. Deze ernstige bedreiging van het cao-overleg, dat de decentrale ruggengraat van ons overlegmodel is, moest gekeerd worden, daar waren VNO en FNV het volstrekt over eens. Dankzij onze gezamenlijke lobby (FNV over de lijn van de PvdA) werd dit plan getorpedeerd. Dat schept een band, legt een basis voor vertrouwen. En vertrouwen in elkaars intenties, vertrouwen in het nakomen van afspraken is een essentieel onderdeel van het overlegmodel. Teruggrijpend op het akkoord van Wassenaar: het vertrouwen dat de arbeidsduurverkorting (ADV) er zou komen, hoewel dat het in de tekst nauwelijks was terug te vinden, werd niet beschaamd…

Weer die verdomde D66

In het Paarse kabinet ontstond al snel een conflict tussen de ministers Wijers (weer die verdomde D66) en Melkert over de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Wim Kok stelde vervolgens voor de sociale partners in de gelegenheid te stellen (binnen 3 maanden, uiteindelijk met een kleine verlenging) tot een oplossing te komen. Belangrijk is dat men beloofde dat áls we een akkoord zouden sluiten, dat dat akkoord dan in wetgeving zou worden omgezet. Daar vinden we een andere zwakte van het tripartite deel van ons overlegmodel. Als werkgevers en werknemers een akkoord sluiten, en de politiek gaat er selectief in winkelen (zoals later in het WAO-advies door De Geus), dan meent uiteraard de neiging tot akkoorden te komen, snel af.

Het is hier niet de plek om tot een uitgebreide evaluatie van het akkoord flex en zekerheid te komen, al is dat wel verleidelijk: sommigen zien dat immers als het begin van de ellende. Ik bestrijd dat: de flexibiliteit liep ons al over de schoenen, en in de context van toen reguleerde het akkoord de uitzendbranche, stelde beperkingen aan de duur van dienstverbanden voor bepaalde tijd en werd onder meer de minimale oproeptijd van oproepkrachten ingesteld. Dat het de flexibilisering niet heeft kunnen stoppen, is een ander verhaal.

Bezoek buitenlandse delegaties

Aart-Jan de Geus (links) en Lodewijk de Waal (zittend): Boos over ‘selectief winkelen’

Maar voor de populariteit van het poldermodel heeft het flex-akkoord wonderen gedaan, nationaal en internationaal… Wim Kok pronkte er mee bij Clinton, de SER en de STAR hadden dagwerk aan het bezoek van buitenlandse delegaties. We kregen de Bertelsmann prijs (300.000 DM en trompetgeschal). En als er succes was bij het schaatsen, heette het dat ook de trainingen volgens het poldermodel verliepen… Allemaal wel overdreven als je er op terugkijkt, en ik ging en ga dan ook niet mee in de heiligverklaring van het poldermodel: overleg heeft zeker voordelen, structureel overleg is goed, maar geen doel op zich. En de vakbeweging moet zich voortdurend realiseren dat een kritische opstelling ook smoel geeft. Maar ik leerde in die tijd wel dat gezamenlijk optrekken van sociale partners naar een kabinet, een machtige positie geeft. Je kon dat zien in de opstelling in het voor- en najaarsoverleg: aan de ene kant de sociale partners, aan de andere kant het kabinet.

Ik maak weer een sprong in de tijd. Naar het WAO-advies van de SER (2002). De politieke discussie over de WAO lag dood voor de kast, en in overleg tussen VNO en FNV werd geprobeerd tot een oplossing te komen dat resulteerde in een SER-advies (bijna unaniem, met uitzondering van kroonlid Linschoten, de DNB en CPB). En dan zie je weer een zwakte van het tripartite overlegmodel: minister De Geus had niet het bestuurlijk inzicht de aangedragen oplossing in wetgeving om te zetten, zoals destijds wel gebeurde met het flex-akkoord, maar ging selectief winkelen. Werkgevers en werknemers trokken gezamenlijk, gingen gezamenlijk naar kabinet en Tweede Kamer: dat schiep weer vertrouwen, maar het duurde niet lang.

Poppen aan het dansen

Al snel in 2003 lieten de werkgevers ons en daarmee het overlegmodel in de steek toen het ging om het vervroegd uittreden. Men gaf plotseling de voorkeur aan overeenstemming met het kabinet, en daarmee kwamen de poppen aan het dansen. De verhoudingen verslechterden in rap tempo., we zegden het overleg op, sloten zelfs de SER af, en toen werkgeversvoorzitter Jacques Schraven in het Financieele Dagblad verklaarde dat zou blijken hoe irrelevant de vakbeweging was als ze gingen actievoeren. Toen was het voor ons “de dood of de gladiolen”. Van een poldermodel was geen sprake meer, ook al kwam er nog steeds wel een Japanner op bezoek…

Na succesvolle acties volgde overleg met het kabinet, waarin we de werkgevers nauwelijks betrokken. Die moesten maar overleggen met “hun kabinet”. Het leidde uiteindelijk wel tot een akkoord met het kabinet. Ten aanzien van het thema vervroegd uittreden werd het zogenaamde ‘Witteveen kader’ van de fiscale facilitering opgerekt, zodat mensen toch met een redelijk vervroegd pensioen konden uittreden. En weer zie je de beperkingen van het overlegmodel: een paar jaar later wordt die fiscale facilitering van het pensioen door het kabinet weer op de schop genomen, en is het akkoord getorpedeerd.

Vertrouwen moet verdiend worden

Voor de VHV zijn verleden, heden en toekomst onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het verwaarlozen van de aandacht voor (de verworvenheden uit) het verleden leidt onvermijdelijk tot verschraling van huidig en toekomstig beleid en daarmee het beeld van de vakbeweging van nu en die van de toekomst. De VHV onderschrijft wat dit betreft zonder meer zegswijzen als: “In het verleden ligt het heden en in het nu wat worden zal” en “Wie het verleden niet kent, gaat de toekomst weerloos tegemoet.”

Als ik naar dat verleden in de periode 1945-2005 kijk, zie ik  de waarden van de instituties die het poldermodel gezicht gaven. Het overlegmodel is tot in de jaren 60 van onschatbare waarde geweest voor de wederopbouw van ons land. Maar vond zijn begrenzing in een steeds oneerlijker verdeling van de welvaart. In 1982 werd een omstreden maar achteraf waardevol akkoord gesloten, dat geen vrede op alle fronten bracht. Het flex-akkoord leverde ook een opleving van het poldermodel, en maakte STAR en SER wereldberoemd. Dat leert ons dat je ook in tijden van crisis er voorzichtig mee moet zijn. Je kan het overleg opzeggen, de SER blokkeren, de STAR als zwemvest zien, maar breek het instituut niet af: het kan altijd weer gebruikt worden om tot akkoorden te komen. Vervolgens constateerde ik dat vertrouwen tussen sociale partners (een eigenaardige Nederlandse term)  verdiend moet worden, maar als het er is, is het erg waardevol. Met de politiek ligt dat moeilijker:  de politiek is notoir onbetrouwbaar; ze houden zich op termijn aan geen enkel gesloten akkoord: het zogenaamde primaat van de politiek. Houdt daar altijd rekening mee als je afspraken maakt. En als het er op aan komt, zoals in 2004: zorg dat je voldoende macht heb om de tegenstander, of dat nu het kabinet of de werkgever is, weer in een vruchtbaar overleg “terug te duwen”.

 

Lodewijk de Waal

Toespraak uitgesproken tijden de VHV-SBI-Vriendenbijeenkomst van 21 april 2018