Het geheugen van de vakbeweging

Een leven vanuit de vakbeweging

Leo Peters (1928-2017)

Leo Peters (1928-2017), een gezicht van de Twentse vakbeweging

Leo Peters (Nijmegen, 1928 – Hengelo 2017) krijgt het fysiek op jonge leeftijd niet cadeau maar ziet toch kans in zijn beroepsleven voor de vakbewe­ging een enorme berg werk te verzetten. Hij zet zijn tanden in zijn eigen opleiding en grijpt de kans om via de KAJ bij St. Eloy als districtbestuurder in dienst te gaan. In Hengelo is hij zowel onderhandelaar als initiatief­nemer. Zijn traditionele vakbonds­achtergrond blijft hij trouw. Op 15 juli 2017 is hij op 89-jarige leeftijd in zijn woonplaats Hengelo overleden.

Leo Peters groeit op een gezin met drie kinderen. Dat ‘opgroeien’ is niet helemaal waar, want aan een uiterst ongelukkige val op zeer jonge leeftijd houdt hij ernstig rugletsel over. Dat brengt hem in problemen op school, hij moet immers het ziekenhuis in (en uit) en wordt bijna twee jaar opge­nomen in Heliomare in Wijk aan Zee om te revalideren. Hij kan Heliomare verlaten kort voor de oorlog uitbreekt. Na de oorlog begint de wederopbouw en wordt hij via het Arbeidsbureau in Nijmegen tewerkgesteld; bij het 1e Canadese Leger als magazijnhulp. Hij ziet toch kans op de ambachtsschool een opleiding tot meubelmaker te volgen. Hij krijgt vervolgens werk in Cuyk en Nijmegen.

Sociale school

Al vroeg komt hij in contact met de RK jeugdvereniging. Zonen van de overburen gaan naar De jonge werkman en nemen Leo mee. Nijmegen kent dan nog een grote Sociale School (KAB) en begin jaren vijftig begint Leo met een 5-jarige opleiding. In 1946 is hij als leerling meubelmaker al lid van de KAB geworden. Hij volgt deze driejarige cursus en krijgt het advies verder te gaan met een opleiding aan het A.C.de Bruijn-Instituut in Doorn. Hij volgt dat advies op en begint met de studie in 1953. Wel een financieel probleem voor het gezin Peters, immers geen inkomsten van zoon Leo en veel kosten voor de oplei­ding. Via bijdragen uit allerlei potjes (fondsen, gemeente Nijmegen en provincie) is er enige financiële compensatie. In 1955 rondt Leo de opleiding af met een scriptie over ‘De geschiedenis van de Ziektewet’ (‘Erg saaie kost ‘, zegt hij daar nu over).

Zijn opleiding is goed besteed. Hij krijgt een baan bij de KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd) en treedt in dienst als jeugdwerkleider met als standplaats Emmen. Het werkgebied is Drenthe, Noordoost Groningen en de kop van Overijssel; een gebied dat voornamelijk met veenwinning bezig is. Er wonen daar nog mensen in plag­gehutten. De industriële ontwikke­ling moet op gang worden gebracht. Contact met jongeren om ze hierop voor te bereiden en zaken als analfa­betisme tegen gaan behoren tot zijn taak. Zijn vervoermiddel in dit uitge­strekte gebied is de fiets.

Herwonnen Levenskracht

Het gezicht van de vakbeweging Twente, waarin het verhaal van Leo Peters is opgenomen

In 1957 vertrekt hij naar Arnhem en wordt secretaris van de diocesane KAJ met als werkgebied het gehele aartsbisdom Utrecht. Hij trouwt er met Anna Maria (Ino) van der Hoek (1931), ze krijgen vijf kinderen.

In 1962 komt Leo naar Twente als bestuurder bij ‘Herwonnen Levens­kracht’. Vanuit die functie wordt hij lid van het bestuur van het Revalida­tiecentrum ‘Het Roessingh’, waar hij ruim een halve eeuw later zelf tijdelijk zal worden opgenomen. Hij twijfelt eerst of hij wel in het bestuur wil. Tijdens een rondleiding krijgt hij de afdeling met veel ‘softenonkinderen’ (ernstig gehandicapt) te zien. Hij schrikt enorm en vertelt dit ’s-avonds aan zijn vrouw. Haar reactie: ‘Als je iets aan die ellende wilt doen dan moet je juist wel in dat bestuur gaan zitten.’

In 1970 maakte hij de overstap naar de vakbeweging. Dat is dan St. Eloy, de metaalvakbond van het NKV, met kantoor in Hengelo. In zijn takenpakket zitten later vrijwel alle Twentse metaalbedrijven. Er is een goede samenwerking met het bestuurdersteam van de Industrie­bond NVV.

Er gebeurt veel in de metaal. De taken tussen bestuurders van de verschillende bonden worden zo goed mogelijk verdeeld. Leo wordt mede namens NVV en CNV al snel eerste woordvoerder namens de gezamenlijke bonden bij Hollandse Signaal Apparaten (HSA, nu Thalens). Soms wordt samen met de directie opgetrokken. Op hoog niveau wordt besloten dat Holland Signaal (defen­siebedrijf) bij Philips ingelijfd zal worden. Allerlei vertragingstactieken worden bedacht. Leo vindt een deskundige die de functieclassifi­catie zal uitvoeren, noodzakelijk voor het onderbrengen van dit bedrijf bij Philips. Deze deskundige doet er wel heel erg lang over. Philips is het na ruim twee jaar zat en besluit de klus alsnog zelf te klaren.

HSA ziet het toenemende scheep­vaartverkeer in Rotterdam gepaard gaan met meer noodzaak tot veilig­heid en ontwikkelt het plan om ook radar op de waterwegen te gaan verzorgen. Er is vanuit de VS een geduchte concurrent. In goed overleg met de directie nodigt Leo collega-bestuurders en politici uit Rotterdam uit om Holland Signaal eens te komen bezichtigen. Die zijn zeer onder de indruk en Signaal krijgt de opdracht om de Nieuwe Waterweg van radar te voorzien.

Stork

De jaren zeventig doet zich de teloor­gang voor van de Hengelose metaal-en elektro industrie. Naast externe factoren zoals een afnemende vraag, spelen ook managementproblemen een rol. Zoals gebrek aan marke­tinginzet en ook de toenemende aversie in de samenleving tegen kernenergie. Dikkers, een toonaange­vend bedrijf op het gebied van appen­dages, had bijvoorbeeld een grote variatie aan hoogwaardige producten (o.a. nucleaire afsluiters). Er werd veel geld en tijd in de ontwikkeling gestoken maar de aandacht voor de productie nadien was veel minder en daardoor lukte het niet de producten goed in de markt te zetten. Hierbij speelde de toenemende aversie tegen kernenergie eveneens een rol. Samen met collega Gerrit Duel1 van het CNV maakt hij de leiding van Stork duidelijk, dat er onvoldoende eenheid en samenhang is bij de Stork-bedrijven in Hengelo, zowel wat locaties als wat producten betreft. Er wordt beterschap beloofd en inderdaad worden kort daarna de fabrieksterreinen opgeruimd, komen er parkeerplaatsen en worden er verwijsborden geplaatst. Het uiterlijk van de bedrijven verbetert. Dat klinkt goed maar de afbraak gaat gewoon door!

Leo Peters heeft zich sterk ingezet voor de SMEOT (MBO-vakschool voor metaal, mechatronica en elek­trotechniek). Hij is de 70 al ruim gepasseerd als hij eindelijk bereid is met de activiteiten voor dit middel­baar praktijk-opleidingsinstituut te stoppen. In 1981 hoort hij dat Stork de bedrijfsschool wil opheffen. Het bedrijf maakt er onvoldoende gebruik van en de kosten zijn te hoog. Uit alle macht probeert Leo een alternatief te vinden. Vanuit Emmen komen er berichten, dat daar een goede bedrijfsopleiding is. Het plan is om ook in Hengelo een dergelijk initi­atief van de grond te trekken. Een groot probleem is om in Hengelo een geschikte locatie te vinden. Het wil maar niet opschieten. ‘Op een zaterdag ontmoet ik in Hengelo, in de supermarkt, de wethouder. Op zijn vraag of er al schot zit in de huisves­ting van de SMEOT, antwoord ik, dat we nauwelijks medewerking krijgen in Hengelo en dat we daarom van plan zijn naar Enschede te gaan. Daar hebben ze ons al verschillende loca­ties aangeboden.’ Binnen een paar dagen biedt de gemeente Hengelo ons alsnog verschillende mogelijk­heden. Er komt nieuwbouw met de gemeente als eigenaar en SMEOT als huurder.

SMEOT is een succesformule. Bedrijven schieten te hulp met de inrichting. Verschillende opleidings­fondsen reageren positief op onder­steuningsvragen. En bedrijven als Stork, Hazemeyer en Signaal maken graag gebruik van de opleiding. Tot 1998 is Leo voorzitter. Hij krijgt voor zijn werk alle erkenning als hij in 2004 een Koninklijke onderscheiding mag ontvangen.

Na zijn pensionering blijft Leo nog vele jaren actief voor de vakbewe­ging. Van 1988 tot 1997 is hij lid van het dagelijks bestuur en vicevoor­zitter van de Kamer van Koophandel Twente en Salland.

Dit verhaal is eerder verschenen in Het gezicht van de vakbeweging Twente, een uitgave van de VHV, november 2015

Sinterklaas

Als Leo Peters voor de bond gaat werken in Drenthe en de kop van Over­ijssel, met standplaats Emmen, vraagt de deken tijdens een kennismakings­gesprek hem of hij voor Sinterklaas wil spelen. De feestdagen komen eraan. Het is een Sinterklaasfeest met cadeaus en gedichten. Het valt hem op dat nogal wat leerlingen, als zij aan de beurt zijn om een gedicht voor te lezen, huilend de klas verlaten. Later hoort hij, dat ze nauwelijks kunnen lezen of schrijven. Bij mooi en ook bij minder mooi weer worden de kinderen vaak thuis ingeschakeld bij het turven rapen en stapelen en zien ze de school soms weken niet.