Het geheugen van de vakbeweging

Lederbewerkers

Schoeisel behoort tot de basisproducten en wordt reeds eeuwen vervaardigd door ambachtslieden. In 1820 zijn in Nederland meer dan een kwart van alle schoenmakerijen en looierijen in Noord-Brabant gevestigd. Bijna een eeuw later is dat zelfs meer dan driekwart. Mechanisatie komt betrekkelijk laat op gang. Het kleinbedrijf en de huisindustrie zijn tot in de twintigste eeuw dominant. Omstreeks 1890 ontstaan de eerste fabrieken. De organisatie onder de lederbewerkers komt eerst goed opgang in 1905 met de oprichting van de Diocesane Lederbewerkers-Arbeidersbond. Ook al bestaat er vrijheid van vereniging de lederbewerkers moeten het recht op organisatie fel bevechten.

Concentratie in ‘De Langstraat
Wie Langstraat zegt, denkt nog steeds aan leer en schoenen. Mogelijk het belangrijkste wat nu nog aan de leer- en schoenindustrie doet denken, is het schoenmuseum te Waalwijk.
Reeds in het midden van de achttiende eeuw worden in de Langstraat schoenen geproduceerd voor de Hollandse markt. Dat valt af te leiden uit het verbod op de invoer van schoenen uit Brabant in de Hollandse steden. In 1810 is er in en rond (Besoyen, Kaatsheuvel en Sprang) Waalwijk eenderde (ca. 750 personen) van de beroepsbevolking als schoenmaker actief. De opheffing van de gilden – in 1818 – maakt een eind aan het invoerverbod en de langstraatse schoenmakerij vertoont een sterke groei in de periode tot 1850. Het wegvallen van de gildebeperkingen is niet de enige verklaring van deze groei. De lage lonen op het Brabantse platteland, het op grotere schaal inkopen van grondstoffen en het vervaardigen van een minder luxueus product, waardoor een bredere markt kan worden bereikt, zijn minstens even belangrijke verklaringen.
Vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw legt de een na de andere looierij en schoenfabriek het loodje. Tussen 1967 en 1976 loopt de werkgelegenheid in de schoen- en lederindustrie terug van 19.900 naar 9.300 arbeidsplaatsen. Slechts een enkel bedrijf is nu nog in de Langstraat actief.

Thuiswerk

De schoenen worden ‘aan huis’ vervaardigd. Een schoenmakersbaas geeft opdracht voor het maken van schoenen aan thuiswerkers. Deze thuiswerkers houden zich vooral bezig met de laatste fase van het productieproces: het bevestigen van de schacht (het bovenwerk) aan de binnen en buitenzool en met de afwerking. Het snijden van het leer gebeurt bij de baas thuis. Het aaneen stikken van de verschillende onderdelen van de schacht wordt meestal uitbesteed aan vrouwelijke arbeidskrachten.
Over de omvang van dit soort ondernemingen zijn van vóór 1860 slechts gegevens uit Waalwijk beschikbaar. Naast een enkele grote onderneming met meer dan 25 Thuiswerkers, gaat het vooral om kleine baasjes met minder dan 15 thuiswerkers. Slechts enkele van deze ondernemingen – bijvoorbeeld Hollandia en Timtur – halen de twintigste eeuw. Na een stagnatie tussen 1845 en 1860 begint een periode van bloei, die ongeveer twee decennia aanhoudt. Tot 1880 groeit het aantal mannelijke schoenmakers in de Langstraat van 4.000 tot 7.000. Deze bloeiperiode is een gevolg van: de introductie van de stikmachine, die het schoeisel goedkoper, maar ook steviger maakt en een groeiende markt. De sterk groeiende arbeidersbevolking in de steden vraagt om meer schoenen.

Looierij

Net als bij de schoenmakerij is er bij de looierij gedurende de negentiende eeuw sprake van een concentratieproces in de richting van centraal Noord-Brabant. De aanwezigheid van een omvangrijke schoenindustrie bevordert dat proces.
Looien gebeurt tot 1890 uitsluitend in kuipen. In deze kuipen (putten in de grond) worden de (onthaarde) huiden om en om met lagen gemalen eikenschors opgeborgen. De putten worden vervolgens gevuld met water, waarna het looien begint. Afhankelijk van de aard van de huiden en de gewenste kwaliteit leer duurt het looien een tot twee jaar. Het maakt het tot een kapitaalsintensief bedrijf met betrekkelijk weinig werknemers. In de bloeijaren 1860-1880 van de schoenindustrie kent ook de leerlooierij een ‘gouden tijd’. De productie verdubbelt in die jaren.

Mechanisatie

Omstreeks 1900 komen er stoomfabrieken met een volledig gerationaliseerd en gemechaniseerd productieproces. Het vervaardigen van schoenen is een tamelijk ingewikkeld proces dat bestaat uit een groot aantal verschillende handelingen. Pas na 1900 slaagt men er in om het zwikken – verbinden van de schacht aan de binnen- en buitenzool – te mechaniseren.
De introductie van kleinere gas- en elektromotoren mechaniseert het stansen, schuren en poetsen. In 1890 is de Nederlandse schoenenproductie vier ŕ vijf miljoen paar. De helft hiervan is gefabriceerd in centraal Noord-Brabant. In 1930 ligt de productie op tien miljoen paar waarvan 75% is gemaakt in Noord-Brabant. De gehele Nederlandse schoenenproductie is in veertig jaar tijd verdubbeld, maar in Brabant verdrievoudigd. Het gaat na 1890 nog redelijk met de schoenmakerij als huisindustrie. De fabriek kan de concurrentie op kwaliteit (nog) niet aan, terwijl de lage stuklonen, het onbetaald inschakelen van huisgenoten en de lange werktijden van de thuiswerker prijsconcurrentie mogelijk maken. Omstreeks 1910 is het fabrieksmatig produceren van schoenen zover gevorderd dat nog maar de helft van de schoenmakers thuiswerkers zijn. In de jaren die volgen zal het thuiswerk steeds verder terrein verliezen.
Ook in de looierij is er aan het eind van de negentiende eeuw sprake van modernisering. Het looien in kuipen betekent letterlijk dat het bedrijfskapitaal lange tijd in de grond zit. Verkorting van het looiproces is dan ook een eerste doel bij de modernisering. Er komen andere looimiddelen en in plaats van kuipen komen er roterende vaten. De ambachtelijk kuiplooierij neemt steeds verder af. In 1910 zijn er 392 kuiplooierijen. In 1930 nog maar 69.

Hard voor weinig

Het leven van de leerbewerkers en schoenmakers aan het eind van de negentiende-, begin twintigste eeuw is een hard bestaan. De lonen zijn laag, de werktijden lang en met name de thuiswerkers worden geconfronteerd met gedwongen winkelnering, waardoor nog eens een aanslag wordt gedaan op het schrale inkomen. Om te voorkomen dat men geheel brodeloos wordt bij ziekte en ter bestrijding van de onkosten bij begrafenis worden in Tilburg in het begin van de negentiende eeuw gilden opgericht. Deze gilden – die niets met de middeleeuwse gilden van doen hebben – zijn fondsen die rond het midden van de negentiende eeuw een uitkering bij ziekte kennen van vijf stuivers per dag. Ter vergelijking het normale inkomen in die tijd is een gulden per dag. Bij overlijden wordt aan de weduwe achttien gulden uitgekeerd. Tilburg kent zes van deze fondsen, waar onder die van de schoenmakers- en leerbewerkers. Het zijn de eerste vormen van vereniging onder de schoen- en leerbewerkers, al is er nog geen sprake van vakactie.
Door de vele thuiswerkers is er lange tijd geen basis voor vakorganisatie. Het ontbreekt de thuiswerkers aan machtsmiddelen tegenover de patroons. Staken is voor hen, zowel financieel als organisatorisch gezien, vrijwel onmogelijk. Deze ‘knechting’ wordt door de werklieden met een ‘verbitterde berusting’ ondergaan. Van tijd tot tijd uit zich dat in uitbarstingen van geweld. Met de opkomst van de fabrieken ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw in verschillende Brabantse plaatsen verenigingen van schoenmakers. In 1901 en 1902 leidt verzet tegen de gedwongen winkelnering tot het oprichten van verbruikerscoöperaties.
Eerder al – 29 november 1899 – is te Waalwijk de Vereeniging van Belangstellenden voor de Schoenindustrie opgericht, die als doel heeft de afschaffing van de gedwongen winkelnering en de instelling van een kamer van arbeid voor het schoenmakersbedrijf. Alphons de Vries, meesterknecht bij de schoenfabriek van Van Schijndel, breekt tijdens de oprichtingsvergadering een lans voor het oprichten van afzonderlijke vakverenigingen voor werklieden en patroons. De ondernemers in de leder- en schoenindustrie organiseren zich begin 1900 in Nederlandsche Bond van Lederfabrikanten en de Algemeene Nederlandsche Bond van Schoenfabrikanten. Daarnaast komen er plaatselijk R.K. patroonsverenigingen tot stand.

Stakingen

Het verzet tegen de slechte arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden komt tot uiting in een aantal spontane stakingen. In Kaatsheuvel hebben een drietal schoenfabrikanten een afspraak gemaakt om voortaan geen werknemers meer van elkaar in dienst te nemen. Kort daarna wordt door één van de drie duchtig in de lonen gesneden. Op 27 november 1900 leggen de werknemers het werk neer om de loonsverlaging ongedaan te maken. De schoenfabrikant is bereid gedeeltelijk de verlaging ongedaan te maken. Het gedeeltelijke succes van de staking doet de andere schoenfabrikanten voorlopig afzien van loonsverlaging.
Op 30 mei 1903 wordt gestaakt bij Van Schijndel te Waalwijk. Vijftien stiksters hebben het werk neergelegd in verzet tegen de tirannieke houding van de patroon, het boetesysteem, de onderbetaling bij overwerk en de borgstelling van 1% van het loon tegen voortijdige opzegging van het dienstverband. De staking duurt vier dagen en eindigt met volledige inwilliging van de eisen van de staaksters. Wel krijgen twee staaksters ontslag.
Enige maanden later is er te Kaatsheuvel een kleine staking tegen een loonsverlaging. De staking wordt gewonnen. Daarna zijn er nog arbeidsconflicten in Oisterwijk (1903), Besoyen (1904) en Oosterhout (1906).
Van de in de eerste jaren van de twintigste eeuw opgerichte plaatselijke verenigingen van schoenmakers en lederbewerkers gaat weinig uit. Er is geen sprake van vakactie en de verenigingen beperken zich tot fondsactiviteiten. Het duurt tot 1905 aleer de Diocesane Lederbewerkers-Arbeidersbond St. Crispijn en Crispinianus wordt opgericht. Zeven plaatselijke verenigingen met gezamenlijk 500 leden sluiten zich aan. In de eerste jaren van zijn bestaan blijven de activiteiten van de bond beperkt tot het maken van propaganda voor de vakbeweging, het verlenen van hulp bij de oprichting van plaatselijke vakverenigingen en het versterken van de organisatie. De geestelijk adviseur van de bond, kapelaan De Wit, houdt een pleidooi voor het oprichten van een stakingskas, een propagandafonds en voor het uitgeven van een eigen blad. Er ontstaat een discussie over het katholieke karakter van de bond. De eerder genoemde Alphons de Vries verzet zich tegen de overheersende rol van de geestelijk adviseur. De Vries vindt echter geen steun voor zijn visie. Als in 1907 een stakingskas wordt ingesteld moet daarvoor de contributie worden verhoogd. Het gevolg is een ernstig ledenverlies.
Het vakblad De Lederbewerker verschijnt vanaf januari 1908 als weekblad onder redactie van de nieuwe geestelijk adviseur L. van Heeswijk.
Dat een weerstandskas geen luxe is zal weldra blijken. In 1908 komt het in Hilvarenbeek tot een conflict om het recht van vereniging. Drieëntwintig schoenmakers worden uitgesloten. De uitsluiting zal 118 dagen duren. Het recht van organisatie wordt erkend. Tot soortgelijke conflicten komt het ook in Moergestel en Kaatsheuvel.

Gedwongen winkelnering in Kaatsheuvel

In Kaatsheuvel groeit de vakorganisatie van lederbewerkers sterk. In januari 1908 zijn er 140 leden een jaar later 457. Door gerichte vakactie bereikt men dit resultaat. Met de schoenmakers wordt per fabriek vergaderd over hun grieven en hoe daar wat aan te doen. Bij een van de fabrieken wordt door onderhandeling een aangekondigde loonsverlaging voor de zwikkers ten dele teruggedraaid. De ernstigste grief in Kaatsheuvel is de gedwongen winkelnering. De lederbewerkersbond start een actie tegen de winkeldwang en met succes. Binnen een maand hebben reeds vijf patroons besloten hun winkel te sluiten en vijftien patroons hebben de gedwongen broodverkoop afgeschaft. De verhouding tussen de patroons en hun werknemers is er echter niet beter op geworden. Twee korte stakingen in het begin van 1909 met het doel uniforme arbeidscontracten te krijgen worden door de bond gewonnen. Gesterkt door dit succes zet de bond de actie tegen de gedwongen winkelnering krachtig voort. De patroons krijgen een voorstel voor sluiting van de winkels. De patroons geven geen antwoord en het gevolg is een koopstaking van de werknemers. Er vallen enkele ontslagen en stukwerkers moeten dermate lang wachten op de aanvoer van materiaal dat zij hun loon niet meer kunnen verdienen. Een verzoek van de bond om deze maatregelen in te trekken leidt opnieuw tot ontslagen. Als reactie op deze ontslagen gaan 17 collega’s in staking. Ook bij andere patroons vallen ontslagen met als excuus: vermindering van werk. De bevolking van Kaatsheuvel staat in meerderheid achter de acties en door de financiële steun van het R.K. Vakbureau en andere organisaties kan de strijd tot een goed einde worden gebracht. Bij die bedrijven waar de bond veel leden heeft verdwijnen de winkels. Enkele werklieden zijn door de werkgevers op de ‘zwarte lijst’ geplaatst en vinden in Kaatsheuvel geen werk meer. Voor hen wordt de werkverschaffings-onderneming ‘Aguila’ opgericht, die start met vijf werknemers en een kapitaal van 1500 gulden. De lederbewerkersbond slaagt er hetzelfde jaar ook in om in Loon op Zand de gedwongen winkelnering af te schaffen.

Discriminatie bij Van Schijndel

De schoen- en lederbewerkers zullen nog jaren strijd moeten leveren voor erkenning van de organisatie, voor afschaffing van de gedwongen winkelnering en voor redelijke arbeidsvoorwaarden. Welhaast per plaats moet het recht van organisatie worden veroverd. De afdeling Waalwijk/Besoyen verspreidt in mei 1910 een pamflet bij de grote schoenfabrieken met een oproep tot organisatie. Met name vrouwelijke personeelsleden van Van Schijndel geven gehoor aan de oproep. Veertig van de 54 vrouwen die op de fabriek werken worden lid van de bond. Van Schijndel beantwoordt de organisatiebereidheid met discriminatie van de vakbondsleden en stelt uiteindelijk een aantal de keus: bedanken voor het lidmaatschap of ontslag.
Het wordt ontslag. Door bemiddeling van Prinsen, de geestelijk adviseur van de Bossche Diocesane Bond, kan het conflict voor een korte tijd worden bijgelegd. De schoenfabrikanten verklaren het recht op organisatie volledig te erkennen en de afdeling Waalwijk/Besoyen erkent mogelijk wat onbesuisd te zijn geweest in hun aanpak. De vrede is slechts van korte duur aangezien Van Schijndel doorgaat met het pesten van vakbondsleden. Een strenge handhaving van orde en tucht en het veelvuldig uitdelen van boetes verpesten de sfeer in het bedrijf. Als een van de stiksters een boete krijgt opgelegd voor het lenen van een glas van een collega om wat water te drinken, barst de bom. Daags daarvoor was er ook al een bondslid zonder goede reden ontslagen. Anna Bergmans, voorzitter van de meisjesafdeling van de bond, stopt het werk en roept haar collega’s op om in actie te gaan. Alle georganiseerden staan achter haar en 44 vrouwen en 30 mannen verlaten op 24 augustus 1910 de fabriek met het vaste voornemen er niet weer te keren aleer de baas zijn vijandige houding jegens de bond en zijn leden heeft opgegeven. De staking heeft een grote invloed op de Waalwijkse gemeenschap. Het dorp is verdeeld in twee kampen. Het straatbeeld wordt beheerst door marechaussee te paard. Er vinden grote openbare vergaderingen plaats. Nadat op 15 september de eerste onderkruiper door een joelende menigte is ontvangen, kondigt de burgemeester een samenscholingsverbod af. Een menigte mannen, vrouwen en kinderen – nog niet op de hoogte van het verbod – wordt door een grote politiemacht uiteengeslagen. De lederbewerkersbond maant de stakers om kalm te blijven en geen geweld te gebruiken tegen onderkruipers en zoveel mogelijk van de straat te blijven. De meerderheid van de Waalwijkse bevolking is op de hand van de stakers. De steun aan de stakers is omvangrijk. Een manifest uit de bevolking roept Van Schijndel op om met de bond te gaan onderhandelen. Het lukt Van Schijndel om met onderkruipers het bedrijf min of meer aan de gang te houden. Het conflict zit muurvast. Van Schijndel weigert een gesprek met de bond alvorens hij excuses heeft gekregen en dan nog wil hij uitsluitend praten met Jan van Rijzewijk, de voorzitter van het R.K. Vakbureau en Bernard Vesters, secretaris van de lederbewerkersbond. De bond wijst deze voorwaarden af en er komt geen gesprek. In november wordt de staking als verloren beschouwd. De staaksters en stakers kijken uit naar ander werk. In december wordt besloten alle contacten met Van Schijndel te vermijden en bondsleden te verbieden bij het bedrijf te werken. In februari 1911 wordt besloten de staking voort te zetten en dat blijft zo als een halfjaar later alle stakers en de meeste staaksters ander werk hebben gevonden. De staking zal nooit officieel worden opgeheven en in 1913 wordt nog een lid, omdat hij bij Van Schijndel is gaan werken, geroyeerd. De staking heeft gevolgen voor de geestelijk adviseurs. Van Heeswijk wordt overgeplaatst van Kaatsheuvel naar Tilburg en de geestelijk adviseur van de afdeling Waalwijk/Besoyen, kapelaan Ch. De Wijs, naar Veghel. De Wijs heeft zich in de ogen van de Waalwijkse burgerij onmogelijk gemaakt. De bisschop van Den Bosch was wel zo goed om aan de burgerij genoegdoening te verschaffen. Twee maanden na zijn overplaatsing overlijdt De Wijs, gebroken door de vernedering die hem is aangedaan.

Erkenning door boycot

In 1912 nadat de afdeling Tilburg ten tweede male is opgericht, richt deze zich in haar propaganda vooral op enkele grotere schoenfabrieken, die daar echter niet van gediend zijn. Het eerste conflict vindt plaats bij de firma Van Arendonk. De werkgever sommeert zijn personeel de bond te verlaten anders volgt ontslag. Na een eerste ontslag verlaat het personeel de organisatie. In een bemiddelingsgesprek verklaart Van Arendonk dat hij geen bezwaar heeft tegen een goede katholieke vakorganisatie. Enkele werknemers worden weer lid, maar al snel blijkt dat er niets is veranderd in de houding van de fabrikant. Als begin 1913 een van de leden van de bond wordt ontslagen en andere leden slechter werk krijgen opgedragen, zodat ze minder loon verdienen, wordt er een protestvergadering belegd. Opnieuw worden twee leden ontslagen. De bond slaagt er niet in bij de firma Van Arendonk binnen te komen. 93 werknemers tekenen een open brief waarin gewag wordt gemaakt van de goede verhoudingen in het bedrijf. Een bemiddelingspoging van het Tilburgse Comité voor de Katholieke Sociale actie mislukt. De meeste werknemers bij Van Arendonk blijven ongeorganiseerd. Bij het bedrijf van de Van Arendonks in Oisterwijk is het van hetzelfde laken een pak.
Enige maanden later is het weer raak, nu bij de firma Blankers. Het is hetzelfde patroon: leden van de bond worden geďntimideerd, er vallen ontslagen, overleg wordt door de werkgever geweigerd. Nieuw is echter dat de firma Blankers op 17 januari 1914 voor alle werknemers ontslag aankondigt. Een ieder kan weer in dienst treden mits een verklaring wordt getekend waarin staat dat zij zich van elke actie zullen onthouden en niet aan een staking zullen deelnemen. Vrijwel alle leden van de bond weigeren de verklaring te tekenen. Met ingang van 26 januari staan 107 werknemers – leden van de bond – buiten de fabriek. Dit aantal groeit tot 131, aangezien een aantal niet- en anders georganiseerde werknemers uit solidariteit het werk neerleggen.
Ook de werknemers hanteren een nieuw middel in de strijd. Zij roepen op tot een consumentenstaking bij de winkels die de firma Blankers in een groot aantal steden exploiteert. Door stakers wordt bij de winkels gepost en in allerlei arbeidersbladen wordt opgeroepen de boycot te steunen. Het helpt. Op 16 april wordt de actie beëindigd nadat Blankert het verenigingsrecht heeft erkend en toezegt de uitgesloten werknemers weer aan het werk te laten gaan zonder rancunemaatregelen. Tevens is er de afspraak dat onderhandeld zal worden over de lonen. De actie is een volledig succes ondanks het feit dat de firma Blankert het akkoord maar moeizaam uitvoert.

‘Oorlogswinst’…..

Verbetering van arbeidsvoorwaarden – de lonen voorop – neemt een steeds grotere plaats in in het dagelijksleven van de bond. Het begint met de afdelings- of fabrieksvergadering waar de looneis wordt vastgesteld. De bond stelt een brief op aan de werkgever of de patroonsvereniging met het loonvoorstel. Telkenmale wordt te kennen gegeven dat er de bereidheid is om over het voorstel te onderhandelen. Komt er geen antwoord of is het resultaat onvoldoende, dan volgt een ultimatum. Vaak leidt dat tot overeenstemming. In een aantal gevallen leidt het ook tot een staking zoals in 1911 in Hilvarenbeek en in 1913 in Loon op Zand. Dankzij de loonacties weet de lederbewerkersbond tussen 1910 en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de lonen in tal van plaatsen flink te verbeteren.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog worden een groot aantal fabrieken (deels) stopgezet. Het veroorzaakt een grote werkloosheid in de schoen- en lederindustrie. Het vermogen van de centrale werklozenkas van de Lederbewerkersbond valt terug tot minder dan 25% van het aanvankelijke vermogen. Aan het eind van 1914 neemt de werkloosheid af en slaat om in een periode van ongekende voorspoed. Door een ‘aanvallend beleid’ slaagt de bond erin de lonen en andere arbeidsvoorwaarden aanzienlijk te verbeteren. De bond groeit zowel in leden als in afdelingen. Er komen nu ook afdelingen buiten Noord-Brabant. Door het overschrijden van de provinciegrenzen wordt de katholieke lederbewerkersbond in toenemende mate geconfronteerd met de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) aangesloten bij het NVV, die op haar beurt de aandacht gaat richten op het zuiden en afdelingen opricht in Waalwijk en Tilburg. Het ledental van de lederbewerkersbond is tijdens de oorlogsjaren meer dan verdubbeld. Van 2100 in 1914 tot 4700 – waarvan 650 vrouwen – in 1918.

….. en ‘oorlogsverlies’

Het einde van de Eerste Wereldoorlog betekent crisis in de schoenindustrie. In 1920 en 1921 is de werkloosheid onder de schoenmakers enorm. Weliswaar hebben de schoenfabrikanten tijdens de oorlog aanzienlijke winsten gemaakt, maar ze hebben verzuimd om daarmee te investeren. In het buitenland hebben ze niet stil gezeten en de Nederlandse schoenindustrie kan de concurrentie met hen niet aan. De invoer van schoenen en leer uit het buitenland neemt meer en meer toe. In 1921 is 60% van de leden van de bond werkloos. Ondanks verlaging van de uitkering gaat er per maand ruim 80.000 gulden aan uitkeringen de deur uit. In de loop van 1922 komt de bodem van de werkloze kas in zicht. De overheid moet bijspringen en de uitkeringsvoorwaarden verslechteren. In 1922 staat het overgrote deel van de schoenfabrieken geheel of gedeeltelijk stil. De lederbewerkersbond kan het niet meer aan en in april 1923 worden uitkeringen stopgezet en moeten de werkloze lederbewerkers naar de steun. De Nederlandse overheid grijpt naar de ‘noodrem’ en er komt in 1923 een ‘schoenenwetje’ die de import van schoenen sterk aan banden legt. Er breken nu weer betere tijden aan voor de schoen- en leerindustrie. Eind 1923 is 91% van de potentiele arbeidsplaatsen weer bezet. De werklozenkas van de bond kan weer normaal gaan functioneren.
Het aantal leden van de bond is inmiddels wel gevoelig gedaald. Het hoogste ledental ooit is op 1 januari 1921 bereikt met 8088 leden. Op 1 januari 1924 zijn er nog maar 3745 leden.

Fusie

Vanaf begin 1924 voert de lederbewerkersbond fusiebesprekingen met ‘St. Willibrordus’, de R.K. Fabrieksarbeidersbond. Het sterk verminderde ledental heeft het zelfstandig bestaansrecht van de bond aangetast. Er is ook versterking nodig voor de afdelingen van de bond boven de rivieren. Het eensgezind optreden van de bond wordt bemoeilijkt door de grote verschillen in loon tussen de steden boven de rivieren en Brabant. De lederbewerkersbond gaat uit van een tijdelijke situatie, getuige de brief die aan de bisschop wordt gezonden voor toestemming voor de fusie. Zodra de bond weer sterk genoeg zou zijn gaat ze zelfstandig verder. De fusie op 1 juli 1924 maakt echter een definitief einde aan het bestaan van de Nederlandsche R.K. Lederbewerkersbond.
© Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
18 augustus 2000
Geraadpleegde literatuur
Drs. Henk van Doremalen, De boeiende historie van Tilburg, de Tilburgers en hun strijd om het bestaan in: Ach lieve tijd Tilburg (Zwolle 1994)
.J. Kuiper,
Uit het rijk van den arbeid. Ontstaan, groei en werk van de Roomsch-Katholieke vakbeweging in Nederland. Deel 1 en 2 (Utrecht 1924 en 1927)
C.A. Mandemakers, De ontwikkeling van de schoen- en lederindustrie, ca. 1800-1990 in:
Textiel-, kleding-, schoen e.a. lederwarenindustrie (Amsterdam 1993)
Jos van Meeuwen, Roestenberg, Cornelis in:
Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 4. (Amsterdam 1990)
Jos van Meeuwen,
Zo rood als de roodste socialisten (Amsterdam 1981)