Het geheugen van de vakbeweging

Laveren tussen ontspanning en solidariteit

De PvdA en de FNV ten tijde van de Poolse crisis (1980-1982)

De Poolse onafhankelijke vakbond Solidarnosc ontstaat begin jaren tachtig in een tijd van uitzonderlijke internationales spanningen tussen Oost en West. Linkse Westerse bewegingen zoals de PvdA en de FNV verkeren hierdoor in een moeilijk parket: moesten ze solidair zijn met de Poolse arbeiders of inzetten op het behoud van vrede en ontspanning in Europa? Beide organisaties worstelen op geheel eigen wijze met dit probleem. Christie Miedema, medewerkster aan het Duitsland Instituut in Amsterdam aan een studie over de houding van de Nederlandse en West-Duitse vredesbeweging, sociaaldemocratie en vakbeweging tegenover de Poolse oppositie. Daarin belicht zij ook de rol van de Poolse emigranten en bemiddelaars tussen Oost en West. Dit artikel verscheen eerder in het Tijdschrift voor Geschiedenis, 12de jaargang – nr 3, pg 362-377

Affiche FNV SolidairAffiche FNV Solidair

Het Polen-beleid van FNV en PvdA werd geleid door de wens – ondanks de gespannen verhoudingen tussen Oost en West – de ontspanningspolitiek nog niet op te geven. Ontspanning was daarbij in de jaren tachtig van een middel tot het normaliseren en liberaliseren van de betrekkingen tussen en in Oost en West uitgegroeid tot een garantie voor de voortzetting van de ontwapeningsonderhandelingen. De opvatting dat wapens gevaar in zichzelf betekenden, maakte ontspanning tot een onderwerp dat boven alles ging en los kwam te staan van de ideologische tegenstellingen. Solidarnosc zette deze goede relaties en stabiliteit onder druk en werd daardoor in sommige kringen van de PvdA gezien als een gevaar voor de vrede. Anderen in de partij legden echter meer de nadruk op het belang van de mensenrechten. Die in de ontspanningspolitiek vaak het onderspit dolven. In de FNV speelde tevens het belang van vrede en goede relaties een belangrijke rol. Rondom de Poolse crisis overheerste echter het idee dat vooral de Westerse reactie schadelijk zou kunnen zijn en niet Solidarnosc zelf. Daarmee hadden deze organisaties op lager politiek niveau regeringsoverwegingen en –verantwoordelijkheden opgenomen in hun buitenlands beleid.
Beide organisaties probeerden binnen de eigen definitie van de grenzen van de ontspanning toch solidair te zijn. In de PvdA ging dit gepaard met uitgebreide discussie en een soms weinig gecoördineerd beleid; in de FNV verliep dit gelijkmatiger. De uitkomst was echter vergelijkbaar. De FNV steunde Solidarnosc in haar legale maanden, maar de hulpverlening kwam uit ontspanningsgerichte terughoudendheid laat op gang. Daarna liepen de ontwikkelingen uiteen. In de FNV bestond grote angst Solidarnosc te schaden, terwijl de Poolse vakbond juist graag steun van andere vakbonden ontving. In de PvdA ontstond halsoverkop een hulpactie, die nu juist Solidarnosc als riskant zag. Vanaf 13 december 1981 waren beide organisaties verenigd in hun weigering van contacten met de Poolse machthebbers te onderhouden. Ze lieten de ontspanningsonderhandelingen met andere Oost-Europese landen echter niet door de Poolse ontwikkelingen schaden. Hoewel in de legale maanden van Solidarnosc moeizaam was geprobeerd een evenwicht te vinden tussen de eigen ontspanningsopvatting en de wens solidariteit te tonen, bleek het ontspanningsgeloof uiteindelijk het sterkst. Wel hadden de poolse ontwikkelingen een bezinningsproces in gang gezet tussen ontspanning, vrede en mensenrechten, vooral in de PvdA.
In Nederland ontstonden over Polen geen conflicten tussen de vakbeweging en de sociaaldemocratie. De relatief uitgesproken houding van Van Traa, die soms zelfs verder ging dan de houding van de vakbond, en daardoor niet geneigd was de vakbeweging tot terughoudendheid te manen, lijkt hierin de belangrijkste factor te zijn geweest. Ten opzichte van de twee uitersten, Frankrijk en de Bondsrepubliek stond Van Traa, zoals uit zijn SI-reactie al bleek, meer de kant van de Franse verontwaardiging. Een deel van zijn partij koos echter eenduidig voor de West-Duitse sociaaldemocratische terughoudendheid. De FNV sloot in veel opzichten aan bij de opvattingen van de West-Duitse zusterorganisatie en wees openlijkere Franse en Amerikaanse steun af. In een bredere vergelijking op het gebied van ontspanningspolitiek bevond de FNV zich, dankzij haar uit de jaren zeventig daterende relatief strenge richtlijnen, echter eerder in de Europese middenmoot.
Ook na de gebeurtenissen in Polen bleef de omgang met Oost-Europa gedicteerd door de noodzaak de regimes daar omwille van de vrede en de veiligheid te vriend te houden. Hoewel Solidarnosc het bestaan van een andere weg had bewezen bleven beide organisaties inzetten op contacten en mogelijke hervormingen van bovenaf. Terwijl de solidariteit met bewegingen van onderop in Zuid-Afrika en El Salvador vrijelijk kon vloeien, stonden in het geval van Oost-Europa eigen veiligheidsoverwegingen in de weg, en praktische bezwaren.
Christie Miedema

Eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Geschiedenis van alle tijden, 126ste jaargang 2013, nr 3
Download het volledige artikel hier…